Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1710

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
17-07-2012
Zaaknummer
414669 - HA ZA 12-318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Arbitrageclausule in algemene voorwaarden voor Raad voor Arbitrage in de Bouw. Rechtbank bevoegd omdat de arbitrageclausule, in het licht van de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, onredelijk bezwarend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2012/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 414669 / HA ZA 12-318

Vonnis in het bevoegdheidsincident van 20 juni 2012

in de zaak van

1.[eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2.[eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. J.A.M. Reuser,

tegen

[gedaagde], handelend onder de naam DUTCH HOME BOUW- EN TIMMERBEDRIJF,

wonende en zaakdoende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. H.J. Hulsbergen.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] (meervoud) en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident tot onbevoegdverklaring van 25 januari 2012 van de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage en de in dat vonnis genoemde gedingstukken;

- de akte na verwijzing houdende uitlating, tevens akte tot herziening voorwaardelijk verminderde eis en dus tot wijziging van eis van 7 maart 2012 van de zijde van [eisers c.s.], met producties;

- de incidentele conclusie tot inroepen onbevoegdheid van 18 april 2012 van de zijde van [gedaagde], met producties;

- de incidentele conclusie van antwoord van 2 mei 2012 van de zijde van [eisers c.s.]

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1Bij vonnis van 25 januari 2012 heeft de kantonrechter geoordeeld dat naar zijn voorlopig oordeel sprake is van een zaak betreffende aanneming van werk. De kantonrechter heeft de zaak verwezen naar de sector civiel recht van de rechtbank.

2.2Na verwijzing door de kantonrechter vordert [gedaagde] in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart omdat de Algemene Voorwaarden voor aannemingen in het bouwbedrijf (hierna: AVA 1992) die deel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen waar het geschil in de hoofdzaak betrekking op heeft, een arbitragebeding bevatten op grond waarvan de Raad van Arbitrage voor de Bouw bevoegd is van dit geschil kennis te nemen.

2.3[eisers c.s.] voeren gemotiveerd verweer.

2.4De stelling van [eisers c.s.] dat de kantonrechter bevoegd is en dat de zaak zou moeten worden terug verwezen naar de kantonrechter stuit af op de in artikel 71 lid 5 Rv neergelegde gebondenheid aan de verwijzing van de kantonrechter. Verder wordt het oordeel van de kantonrechter, dat sprake is van een zaak betreffende aanneming van werk, onderschreven. Omdat het beloop van de vordering de € 25.000 te boven gaat, is dit geen kantonzaak.

2.5Artikel 21 van de AVA 1992 (hierna: het arbitragebeding) luidt als volgt:

"1. Voor de beslechting van de in dit artikel bedoelde geschillen doen partijen afstand van hun recht deze aan de gewone rechter voor te leggen, behoudens ingeval van het nemen van conservatoire maatregelen en de voorzieningen om deze in stand te houden en behoudens de in het derde lid omschreven bevoegdheid.

2. Alle geschillen - daaronder begrepen die, welke slechts door een der partijen als zodanig worden beschouwd - die naar aanleiding van deze overeenkomst of van de overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel zijn tussen opdrachtnemer en aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, zoals deze drie maanden voor het tot stand komen van de overeenkomst luiden.

3. In afwijking van het tweede lid kunnen geschillen, welke tot de competentie van de kantonrechter behoren, ter keuze van de meest gerede partij ter beslechting aan de bevoegde kantonrechter worden voorgelegd."

2.6 Bij brief van 7 september 2011 heeft (de gemachtigde van) [eisers c.s.] het arbitragebeding buitengerechtelijk vernietigd op grond van artikel 233, aanhef en onder a, BW (hierna: "de buitengerechtelijke vernietiging").

2.7Anders dan [gedaagde] heeft betoogd leiden de uitlatingen van [eisers c.s.] in correspondentie voorafgaand aan de buitengerechtelijke vernietiging niet tot verwerking van hun recht om vernietiging van het arbitraal beding in te roepen.

De uitlatingen van [eisers c.s.] waar [gedaagde] op doelt houden in dat [eisers c.s.] zich tot de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland zullen wenden om een oordeel te krijgen over de rechtmatigheid van het handelen van [gedaagde]. Mede gelet op de context waarin zij zijn gedaan - te weten dat er tussen partijen sprake was van een geschil waar zij (nog) niet samen uitkwamen - en op de zin die partijen daar over en weer redelijkerwijs aan mochten toekennen, kunnen deze uitlatingen van [eisers c.s.] niet anders worden verstaan dan dat zij een onafhankelijk oordeel wensten over de rechtmatigheid van het handelen van [gedaagde]. Daarmee hebben [eisers c.s.] geen uitdrukkelijke en zonder voorbehoud gedane keuze gemaakt voor een bepaalde procedure, waar later niet meer op terug kan worden gekomen.

2.8 Kern van het geschil is of - kort gezegd - de buitengerechtelijke vernietiging doel heeft getroffen. Dat betekent dat dient te worden beoordeeld of het arbitragebeding, getoetst aan de open norm van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW als onredelijk bezwarend dient te worden aangemerkt.

2.9 Omdat niet in geschil is dat [eisers c.s.] als consumenten dienen te worden aangemerkt, dient bij deze toets de Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PbEG L95/29) - hierna: de Richtlijn - in ogenschouw te worden genomen. Artikel 3 lid 1 van de Richtlijn bepaalt dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

In artikel 3 lid 3 van de Richtlijn staat dat de bijlage bij de Richtlijn een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen bevat die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.

Onder punt 1 sub q is in de bijlage opgenomen het beding dat tot doel of tot gevolg heeft het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren.

2.10Richtlijnconforme interpretatie van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW brengt met zich mee dat een arbitragebeding als onredelijk bezwarend in de zin van dit artikel dient te worden aangemerkt als het de consument de mogelijkheid ontneemt om in plaats van arbitrage voor overheidsrechtspraak te kiezen.

2.11De in artikel 21 lid 3 AVA neergelegde keuze voor de kantonrechter is beperkt tot zaken die door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Onder 2.4 is geoordeeld dat daar geen sprake van is. Dat betekent dat het arbitragebeding in deze zaak [eisers c.s.] de mogelijkheid ontneemt om als consument in plaats van arbitrage te kiezen voor een gewone rechter. Het arbitragebeding wordt daarom als onredelijk bezwarend aangemerkt.

2.12Dit leidt ertoe dat de buitengerechtelijke vernietiging van het arbitragebeding doel heeft getroffen en dat het beroep daarop van [gedaagde] faalt. De rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak en de zaak behoort tot de competentie van de sector civiel.

2.13De kantonrechter heeft de beslissing over de proceskosten in het verwijzingsincident waar hij in heeft beslist overgelaten aan de sector civiel van deze rechtbank. Omdat nu in dit incident een eindoordeel wordt gegeven over de sectorcompetentie, zal ook een oordeel over de proceskosten in beide incidenten worden gegeven. Dat oordeel houdt in dat de proceskosten in de incidenten worden gecompenseerd, omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld: [eisers c.s.] in het verwijzingsincident bij de kantonrechter en [gedaagde] in dit bevoegdheidsincident bij de civiele rechter.

3.De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.wijst de vordering af,

3.2.compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

3.3.verwijst de hoofdzaak naar de rolzitting van woensdag 1 augustus 2012 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde].

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.