Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1695

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
17-07-2012
Zaaknummer
416543 - FA RK 12-2470
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2012/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-2470

Zaaknummer: 416543

Datum beschikking: 12 juli 2012 (bij vervroeging)

Gezag

Beschikking op het op 4 april 2012 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats moeder],

advocaat: mr. L. Faouzi te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats vader],

advocaat: mr. E.H. de Milliano-Machielse te Katwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de stukken, ingekomen d.d. 4 juli 2012, van de zijde van de moeder.

Op 5 juli 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, ieder met hun advocaat.

De minderjarige [minderjarige 1], heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt primair tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder thans verzoekt haar te belasten met het eenhoofdig gezag over na te melden minderjarigen en subsidiair tot het treffen van een regeling voor de geschillen tussen de ouders waar het de medische aangelegenheden met betrekking tot de minderjarigen betreft, in die zin dat de moeder exclusief beslissingsbevoegd is ten aanzien van de medische zorg en behandeling van de minderjarigen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden sedert de echtscheiding zijn gewijzigd.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum huwelijk] 2007 tot [datum echtscheiding] 2010.

- Uit de relatie zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

- De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

Beoordeling

Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na ontbinding van het huwelijk het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 juncto artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter slechts bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Nu de moeder heeft gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden is de moeder ontvankelijk in haar verzoek.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat ouders feitelijk in staat zijn om beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg te kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die met zich brengen dat het gezamenlijk gezag dient te worden gewijzigd in die zin dat de moeder voortaan alleen met het gezag dient te worden belast.

Tussen partijen staat vast dat zij zeer grote communicatieproblemen hebben. Zij hebben op advies van het AMK met behulp van mediation geprobeerd om hun onderlinge communicatie te verbeteren, maar dit is mislukt. Ter terechtzitting is gebleken dat er thans bij partijen geen bereidheid meer is om via mediation of anderszins aan verbetering van hun overleg ten aanzien van de minderjarigen te werken. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat partijen stelselmatig van mening verschillen omtrent de behandeling van de minderjarigen bij psychische- en psychosomatische klachten. De minderjarigen hebben klachten die op hun beurt (in ieder geval deels) worden veroorzaakt door de slechte verhouding tussen partijen. Gebleken is dat deze verschillen van mening over de behandeling en de onmogelijkheid van partijen daarover tot een oplossing te komen, leidt tot een vacuüm waarin de minderjarigen geen (medische) hulp krijgen. De rechtbank wijst in dit verband naar het verschil van mening tussen partijen ten aanzien van de psychologische hulp voor [minderjarige 1]: moet die plaatsvinden bij De Jutters of bij Samenspel? Vaststaat dat [minderjarige 1] hulp nodig heeft, maar die door de tussen de ouders ontstane impasse niet krijgt.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen tussen de ouders klem en verloren raken. Nu bij beide partijen thans de bereidheid ontbreekt te werken aan hun onderlinge communicatie, is niet te verwachten dat binnen afzienbare tijd verbetering zal optreden. Nu de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben, is de moeder de aangewezen persoon om met het eenhoofdig gezag te belasten.

De rechtbank verwacht op grond van het voorgaande geen toegevoegde waarde van een raadsonderzoek en acht een raadsonderzoek dan ook niet geïndiceerd.

De rechtbank zal het verzoek van de moeder derhalve toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, geboren op [geboortedatum moeder] te [geboorteplaats moeder], het gezag zal toekomen over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, bijgestaan door

mr. T. de Graaf-van der Elst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

12 juli 2012.