Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1332

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
12/11389
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA0111, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, herhaalde aanvraag, Hongarije, detentie, 3 EVRM

Gelet op eisers verklaringen over wat hem na overdracht aan Hongarije is overkomen, in samenhang met de overgelegde stukken, die dateren van na het eerdere afwijzende besluit, is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Gelet op de door verweerder niet-betwiste, en daarmee vaststaande, feiten, en de onvoldoende betwiste, en daarmee vaststaande, feiten, is eiser na zijn overdracht aan Hongarije gedurende zes maanden gedetineerd, deels in een isoleercel, is hij gedurende zijn detentie mishandeld, en is hem medische zorg en een advocaat zijn onthouden. Hij had geen mogelijkheid om tegen de zonder nadere afweging opgelegde detentie dan wel de verlenging daarvan een effectief rechtsmiddel in te stellen dan wel een klacht in te dienen tegen de behandeling gedurende de detentie.

Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke behandeling strijdig met artikel 3 EVRM. Gelet op eisers relaas en de overgelegde bronnen, alsmede de door verweerder niet betwiste, reële mogelijkheid dat eiser indien hij wederom aan Hongarije zou worden overgedragen, wederom in detentie zal worden geplaatst, is sprake van een reëel risico voor eiser in Hongarije op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder had niet mogen besluiten tot overdracht aan Hongarije. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ook is onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar de feiten en wordt het besluit van verweerder niet gedragen door de daarin vervatte motivering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 12/11389

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Iraanse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiser,

gemachtigde mr. D.W. Beemers, advocaat te

Nijmegen;

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 26 maart 2012 heeft eiser opnieuw een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 3 april 2012 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat Hongarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Bij brief van 4 april 2012 is daartegen beroep ingesteld. Eiser mocht de behandeling daarvan niet in Nederland afwachten. Bij verzoek van 4 april 2012 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. Bij uitspraak van 1 mei 2012, Awb 12/11395, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats het verzoek toegewezen en bepaald dat - destijds - verzoeker niet aan Hongarije mag worden overgedragen tot vier weken nadat op het beroep is beslist.

Bij brief van 19 april 2012 is het beroep voorzien van gronden. Op 14 juni 2012 zijn nadere stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 27 juni 2012 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Als na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, verzet het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak zich ertegen dat de rechter dit besluit beoordeelt als een eerste besluit. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kan dat besluit door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van dit rechtsbeginsel.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, evenals bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.2 Eiser heeft aan de opvolgende aanvraag ten grondslag gelegd dat hij, na te zijn overgedragen aan Hongarije na zijn vorige asielprocedure, onmiddellijk in detentie is gesteld, en aldaar is mishandeld en in een isoleercel geplaatst. Ondanks het op de hoogte zijn van eisers slechte medische en psychische situatie werd hem het recht op een arts of psycholoog ontzegd.

Eiser stelt dat in verband met de slechte omstandigheden van asielzoekers, waaronder eveneens dublinclaimanten, ten aanzien van Hongarije niet kan worden vastgehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel en Nederland het asielverzoek aan zich moet trekken. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de volgende stukken:

- Persbericht Pro Asyl van 15 maart 2012, Ungarn: Systematische Verletzung der Menschenrechte von Flüchtlingen;

- United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR), Der Hohe Flüchtlingskommissar der Vereinten Nationen Büro in Österreich, Situation von Asylsuchenden in Ungarn van

3 februari 2012;

- Hungarian Helsinki Committee (HHC), Access to protection jeopardised, Information note on the treatment of Dublin returnees in Hungary, December 2011;

- uitspraak van het Oostenrijkse Asylgerichtshof van 31 oktober 2011;

- uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 24 januari 2012, Awb 12/2308;

- toegewezen interim measure door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 11 januari 2012.

In beroep heeft eiser nog overgelegd:

- UNHCR, Hungary as a country of asylum, Obervations on the situation of asylum-seekers and refugees in Hungary, van april 2012;

- arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 15 mei 2012;

- toegewezen interim measure door het EHRM van 25 mei 2012.

Eiser stelt voorts dat zijn medische situatie aan een overdracht aan Hongarije in de weg staat, en hij doet een beroep op de toepasselijkheid van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

2.3 Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op eisers verklaringen over wat hem na overdracht aan Hongarije is overkomen, in samenhang met de overgelegde stukken (met uitzondering van de overgelegde jurisprudentie, die geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid kan opleveren), die dateren van na het eerdere afwijzende besluit, sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waarvan niet op voorhand is uitgesloten dat deze kunnen afdoen aan het eerdere besluit van 20 april 2010. De rechtbank kan dan ook overgaan tot inhoudelijke toetsing van het thans bestreden besluit.

2.4 De rechtbank stelt vast dat verweerder betwist dat eiser na overdracht aan Hongarije in detentie is mishandeld. Verweerder betwist voorts niet dat in soortgelijke gevallen vreemdelingen in Hongarije in bewaring worden gesteld, wel betwist verweerder dat dit klakkeloos, zonder nadere afweging, gebeurt. Bovendien betwist verweerder niet dat de Hongaarse autoriteiten vreemdelingen buiten de detentiecentra handboeien omdoen, maar wel dat dit ook binnen de detentiecentra gebeurt. Ten slotte betwist verweerder dat eiser geen mogelijkheid had om een effectief rechtsmiddel in te stellen dan wel een klacht in te dienen tegen de (behandeling gedurende de) detentie.

De niet betwiste feiten zijn dat eiser na overdracht aan Hongarije in detentie is geplaatst voor een periode van zes maanden, deels in een isoleercel, en dat hem in detentie medische zorg en een advocaat zijn onthouden.

Ter betwisting van de door eiser gestelde mishandeling in detentie heeft verweerder in de eerste plaats betoogd dat mishandeling in strijd is met regels waar alle lidstaten, inclusief Hongarije, aan zijn gebonden. In de tweede plaats heeft verweerder vraagtekens geplaatst bij de totstandkoming van het rapport van UNHCR van 3 februari 2012, en erop gewezen dat uit het Oostenrijkse ambtsbericht ten aanzien van Hongarije van december 2011 (Republik Österreich Bundesasylamt, Feststellungen Ungarn, Dezember 2011) niet blijkt van mishandeling van vreemdelingen in detentie door de Hongaarse autoriteiten. Ook ter betwisting van de overige door eiser gestelde feiten - voor zover deze worden weersproken -heeft verweerder gewezen op de bestaande regels, de totstandkoming van het UNHCR rapport van 3 februari 2012, en voornoemd Oostenrijks ambtsbericht.

2.5 Ten aanzien van de vraagtekens die verweerder plaatst bij de totstandkoming van het rapport van UNHCR van 3 februari 2012 overweegt de rechtbank dat uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 2011, JV 2011, 68 (M.S.S. tegen België en Griekenland) volgt dat algemene bronnen kunnen dienen ter onderbouwing van het individuele asielrelaas indien dit verschillende gezaghebbende bronnen zijn, die onafhankelijk van elkaar rapporteren over een met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige, stelselmatige behandeling van personen die in dezelfde omstandigheden als de betreffende vreemdeling verkeren.

De rechtbank stelt vast dat in het rapport van het Hungarian Helsinki Committee van december 2011 staat:

According to the HHC’s long-standing experience, the judicial review of immigration detention is practically ineffective in Hungary. (…) Therefore – unlike in most European states – the prolongation of immigration detention in Hungary can be considered as automatic or at least quasi-automatic. (…) Furthermore, the OIN’s decision ordering detention can not be appealed.

In het rapport van UNHCR van 3 februari 2012 staat:

Entscheidungen der Behörden über Inhaftierungen müssen gerichtlicht bestätigt werden. Diese gerichtliche Untersuchung is nach Einschätzung von UNHCR allerdings eine blosse Formalität und führt zu keiner inhaltlichen Überprüfung der Haftgründe. (…)

Das Hauptproblem, das bei Befragungen von Inhaftierten durch UNHCR im September 2011 festgestellt wurde, betraf Misshandlungen durch Polizeikräfte in den Hafteinrichtungen. Demnach hat es den Anschein, dass Misshandlungen und Belästigungen durch die Polizisten sehr häufig und immer wieder vorkommen.

Aufgrund fehlender effektiver Beschwerdemechanismen müssen entsprechend den geltenden Regelungen Opfer von Polizeiübergriffen ihre Beschwerde bei jenem Polizeiorgan einreichen, das den Übergriff getätigt hat.

In het rapport van UNHCR van april 2012 staat:

Hungary imposes prolonged periods of administrative detention upon asylym-seekers without providing avenues to effectively challenge the detention once ordered or considering alternatives to detention.

Detained asylum-seekers vehemently complained about the violent behaviour of the guards. While not every guard behaves in an appropriate manner, some particular guards and indeed entire shifts allegedly harass detainees verbally and even psychically.

In het persbericht van Pro Asyl van 15 maart 2012 staat:

Effektive Rechtsmittel gegen die Verhängung von Abschiebehaft werden ihnen verweigert.

Es liegen viel Berichte von Asylsuchenden vor, die angeben, durch ungarische Polizeikräfte mishandelt werden zu sein.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van verschillende gezaghebbende bronnen, die onafhankelijk van elkaar rapporteren over een met artikel 3 van het EVRM strijdige, stelselmatige behandeling van personen die in dezelfde omstandigheden als de betreffende vreemdeling verkeren. Naar het oordeel van de rechtbank is dan geen ruimte meer voor betwisting van de totstandkoming van de rapportages van deze bronnen. Uit het Oostenrijkse ambtsbericht ten aanzien van Hongarije kan de rechtbank enkel opmaken dat de Hongaarse autoriteiten grondwettelijk verplicht zijn een onmenselijke en vernederende behandeling van gedetineerden te voorkomen. Dat er regels bestaan die mishandeling verbieden, vormt naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende betwisting van eisers relaas, onderbouwd met bovenvermelde rapporten. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer voor de mogelijkheid om te klagen dan wel om een effectief rechtsmiddel tegen de bewaring in te stellen. Bovendien overtuigt de enkele ontkenning van de Hongaarse autoriteiten dat bij de toetsing van de (verlenging van) inbewaringstelling sprake is van een ‘ein rein formaler Akt’ niet, nu dit door meerdere, gezaghebbende bronnen wordt aangegeven.

Voorts overweegt de rechtbank dat de passage in het Oostenrijks ambtsbericht van december 2011 ‘Die Möglichkeit für sofortige Rechtsberatung und Hilfeleistung für Ausländer – bei denen eine Amtshandlung geführt wird, besteht dadurch, dass die Polizei 2006 ein Abkommen mit der Regionalvertretung sowie dem Helsinki-Ausschuss zur Monitoring der Aufgriffe in den Grenzgebieten abgeschlossen hat, um Informationen über die Möglichkeit des Zugangs zum Asylrecht der Ausländer sammeln zu können. Die Durchführung des Abkommens erfolgt kontinuierlich und alle Parteien sind damit zufrieden’ niet lijkt te rijmen met het door eiser overgelegde rapport, eveneens van december 2011, van HHC, Access to protection jeopardised. Information note on the treatment of Dublin returnees in Hungary.

De rechtbank heeft in de door eiser overgelegde stukken geen onderbouwing gevonden voor de stelling dat de Hongaarse autoriteiten vreemdelingen ook binnen de detentiecentra handboeien omdoen.

2.6 Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de door verweerder niet-betwiste, en daarmee vaststaande, feiten, en de onvoldoende betwiste, en daarmee vaststaande, feiten, zijn dat eiser na zijn overdracht aan Hongarije gedurende zes maanden is gedetineerd, deels in een isoleercel, dat hij gedurende zijn detentie is mishandeld, en dat hem medische zorg en een advocaat zijn onthouden. Hij had geen mogelijkheid om tegen de zonder nadere afweging opgelegde detentie dan wel de verlenging daarvan een effectief rechtsmiddel in te stellen dan wel een klacht in te dienen tegen de behandeling gedurende de detentie.

Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Gelet op eisers relaas en de overgelegde bronnen, alsmede de door verweerder niet betwiste, reële mogelijkheid dat eiser indien hij wederom aan Hongarije zou worden overgedragen, wederom in detentie zal worden geplaatst, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een reëel risico voor eiser in Hongarije op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet had mogen besluiten tot overdracht aan Hongarije. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ook is onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar de feiten en wordt het besluit van verweerder niet gedragen door de daarin vervatte motivering.

2.7 Het beroep wordt gegrond verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8 De rechtbank ziet aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten van eiser in beroep worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op totaal € 874,--, (1 punt voor het beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--; wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 april 2012;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,--, te voldoen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, en door deze en mr. W. Markwat als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb herstel verzuim) is niet van toepassing.