Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1325

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/16749 AWB 12/16747
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder in het geval van verzoeker niet het inreisverbod als onderdeel van een meeromvattende beschikking had mogen nemen, nu verzoeker niet is vertrokken binnen de aan hem bij beschikking van 22 mei 2012 opgelegde vertrektermijn van 0 dagen. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 dient het inreisverbod dan in een zelfstandige beschikking neergelegd te worden.

Verweerder heeft in het bestreden besluit bepaald dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in het geval van verzoeker sprake is van twee feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000, (…).

De door verweerder genoemde feiten en omstandigheden zijn niet door verzoeker betwist. Verweerder heeft dan ook kunnen bepalen dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Voorts heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, terecht gelijktijdig met het terugkeerbesluit een inreisverbod opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/16749 (voorlopige voorziening) AWB 12/16747 (beroep)

uitspraak van 28 juni 2012 in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. M.D. Gunster).

Procesverloop

Verzoeker heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1980 en staatloos te zijn. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland. Op 10 mei 2012 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Bij besluit van 22 mei 2012 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tevens heeft verweerder in dit besluit verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat hij Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Bij schrijven van 22 mei 2012 heeft verzoeker tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Dit beroep is alhier geregistreerd onder nummer AWB 12/16747. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Verzoeker en verweerder hebben zich aldaar laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1 Aangezien beroep bij de rechtbank is ingesteld kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2 Als na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, verzet het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak zich ertegen dat de rechter dit besluit beoordeelt als een eerste besluit. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kan dat besluit door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van dit rechtsbeginsel.

Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden is geen sprake indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat berust.

3 Verzoeker heeft eerder, namelijk op 29 december 2006, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van

8 januari 2007 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 23 januari 2007 (AWB 07/1214) is het door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Verzoeker heeft voorts op 16 oktober 2007 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 12 december 2008 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 27 mei 2010 (AWB 08/443344) is het door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft op 14 september 2010 de uitspraak van 27 mei 2010 bevestigd.

De eerder ten aanzien van verzoeker genomen besluiten staan derhalve in rechte vast.

4 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden heeft aangedragen. Ten aanzien van het inreisverbod heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het op juiste gronden aan verzoeker is opgelegd.

5 Verzoeker heeft aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn dienstweigering inmiddels staatloos is geworden. Aan verzoeker worden door het Turkse consulaat geen reisdocumenten verstrekt. Verzoeker heeft dit onderbouwd met een brief van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van 27 september 2010, waaruit blijkt dat verzoeker op 22 oktober 2010 bij het Turkse consulaat verwacht werd. Verweerder heeft ten onrechte niet nader geïnformeerd bij het vertrekcentrum naar verzoekers medewerking aan het verkrijgen van een laisser passer. Voorts heeft de behandelaar van verzoeker aangegeven dat verzoeker toenemend suïcidaal is. Dat had voor verweerder aanleiding moeten zijn een nieuw advies aan het Bureau Medische Advisering (BMA) te vragen, om vast te stellen of verzoeker in staat is te reizen en of wellicht artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is. Tot slot heeft verweerder het inreisverbod niet in de meeromvattende beschikking van 22 mei 2010 op kunnen nemen en heeft verweerder nagelaten te motiveren waarom de maximale termijn voor het inreisverbod is aangehouden. Verzoekers relatie met zijn Nederlandse partner wordt hierdoor gedwarsboomd.

6.1 De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

In de voorgaande procedures van verzoeker is reeds in rechte vast komen te staan dat sprake is van de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Derhalve dient van het relaas van verzoeker positieve overtuigingskracht uit te gaan. Daarnaast is reeds in rechte vast komen te staan dat de dienstweigering van verzoeker ongeloofwaardig is en er geen sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM op grond van verzoekers medische situatie.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn huidige asielaanvraag de volgende documenten overgelegd:

- een brief van hogeschool Windesheim van 2 juni 2008 en een inschrijfbewijs voor het studiejaar 2009/2010

- brieven van DT&V van 15 december 2010, 23 maart 2011 en de hiervoor reeds genoemde brief van 27 september 2010

- een brief van [A] van 1 februari 2011

- afsprakenkaarten van vluchtelingenwerk Nederland

- een afsprakenkaart voor de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) van

18 januari 2011

- een afsprakenkaart van Dimence geestelijke gezondheidszorg

- een brief van Dimence geestelijke gezondheidszorg van 20 mei 2011

- een brief van huisarts [B] van 4 mei 2012

Nu verzoeker ten aanzien van de dienstweigering an sich geen nova heeft overgelegd, heeft verweerder kunnen verwijzen naar de eerder procedures van verzoeker waarin de dienstweigering ongeloofwaardig is geacht. Met de brief van de DT&V van 27 september 2010 en de afsprakenkaarten van IOM en vluchtelingenwerk Nederland heeft verzoeker niet afdoende onderbouwd dat hij zijn Turkse staatsburgerschap is verloren. Immers heeft verzoeker geen documenten overgelegd van de Turkse autoriteiten zelf waarin zij zulks meedelen. De voorzieningenrechter volgt verweerder voorts in zijn oordeel dat verzoeker ook niet door middel van een publicatie in de Resmi Gazete (Turkse Staatscourant), heeft aangetoond dat hij zijn Turkse staatsburgerschap is verloren. Uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Turkije blijkt immers dat alle beslissingen betreffende verkrijging en verlies van het Turkse staatsburgerschap in de Turkse Staatscourant worden gepubliceerd met vermelding van de volledige personalia.

Tot slot heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk gemaakt dat er zich gewijzigde omstandigheden voordoen in verzoekers gezondheidstoestand, die nopen tot een hernieuwde beoordeling door het BMA in verband met een mogelijke schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij uitzetting naar Turkije. In het BMA-advies van 10 november 2008 zijn de psychische klachten en de suïcidale gedachten van verzoeker beoordeeld. Deze klachten hebben in de daaropvolgende asielprocedure van verzoeker niet geleid tot toewijzing van de aanvraag. Uit de in de onderhavige procedure door verzoeker ingebrachte verklaringen blijkt niet van een zodanige verslechtering van verzoekers klachten dat sprake is van een novum. Uit de brieven van Dimence geestelijke gezondheidszorg van 20 mei 2011 en huisarts [B] van 4 mei 2012 komt immers naar voren dat bij verzoeker nog steeds sprake is van dezelfde klachten zoals deze in de vorige asielprocedure reeds zijn beoordeeld.

7 Nu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is gebleken van dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (LJN: AG8817, Bahaddar), heeft verweerder de aanvraag op goede gronden met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.

8.1 Voor zover het beroep is gericht tegen het aan verzoeker opgelegde inreisverbod, overweegt de voorzieningenrechter dat dit onderdeel van het bestreden niet onder het hiervoor onder 2 weergegeven toetsingskader valt. De rechtbank overweegt het volgende.

8.2 Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder in het geval van verzoeker niet het inreisverbod als onderdeel van een meeromvattende beschikking had mogen nemen, nu verzoeker niet is vertrokken binnen de aan hem bij beschikking van 22 mei 2012 opgelegde vertrektermijn van 0 dagen. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 dient het inreisverbod dan in een zelfstandige beschikking neergelegd te worden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Het bestreden besluit van 22 mei 2012 is tevens een terugkeerbesluit.

Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000, dient de vreemdeling, nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan Onze Minister in afwijking van het eerste lid bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, vaardigt Onze Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten.

In artikel 6.1, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, is bepaald dat een risico als bedoeld in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, kan worden aangenomen indien feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000 op de vreemdeling van toepassing zijn.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6.1, tweede lid, van de Vw 2000, juncto artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000, kan het bedoelde risico niet worden aangenomen indien slechts één van de feiten of omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, van artikel 5.1b, van toepassing is.

Verweerder heeft in het bestreden besluit bepaald dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in het geval van verzoeker sprake is van twee feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000, namelijk hetgeen genoemd is onder c:

- verzoeker heeft eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en heeft daaraan niet uit eigen beweging en binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg gegeven;

alsmede hetgeen genoemd is onder e:

- verzoeker heeft meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.

De door verweerder genoemde feiten en omstandigheden zijn niet door verzoeker betwist. Verweerder heeft dan ook kunnen bepalen dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Voorts heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, terecht gelijktijdig met het terugkeerbesluit een inreisverbod opgelegd.

Hetgeen verzoeker op dit punt heeft aangevoerd faalt.

8.3 Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat niet is gebleken dat verweerder bij het bepalen van de duur van het inreisverbod de individuele omstandigheden van verzoeker heeft betrokken. Die stelling faalt. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb 2000, is bepaald dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt. In het tweede tot en met het zesde lid van genoemde bepaling zijn gevallen genoemd waarin een kortere (tweede lid) dan wel langere (overige leden) duur van het inreisverbod kan worden bepaald.

Volgens paragraaf A5/5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, is de maximale duur van het inreisverbod afhankelijk van het bepaalde in artikel 6.5a van het Vb 2000. In dit artikel is reeds verdisconteerd de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan. Om die reden wordt, behoudens door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden, de maximale duur opgelegd zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a van het Vb 2000 staat genoemd.

De gevallen als bedoeld in het tweede tot en met het zesde lid van artikel 6.5a, van het Vb 2000, zijn niet op verzoeker van toepassing, zodat het uitgangspunt is een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Verzoeker heeft in zijn verhoor terzake van zijn herhaalde asielaanvraag verklaard dat hij sinds 4 jaar een relatie heeft met een Nederlandse, dat hij haar weekendjes ziet, dat het een serieuze relatie is en dat hij probeert over twee maanden te gaan samenwonen. In beroep heeft verzoeker aangevoerd dat als hij het land moet verlaten, hij het recht moet hebben om terug te keren om zijn verloofde te bezoeken.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker het bestaan van de door hem gestelde relatie op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dat aldus geen aanleiding bestond om op grond van bijzondere individuele omstandigheden af te zien van het opleggen van een inreisverbod, dan wel de termijn van twee jaar te bekorten.

Ook hetgeen verzoeker op dit punt heeft aangevoerd faalt.

9 Het beroep heeft geen redelijke kans van slagen, zodat het verzoek wordt afgewezen. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, tevens het beroep ongegrond.

10 De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep inzake AWB 12/16747 ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening inzake AWB 12/16749 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Fetter, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient, gelet op het bepaalde in artikel 85 van de Vw 2000, een of meer grieven tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl).