Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1323

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/3930 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Met de vorige voorzieningenrechter is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aan de strafrechter is en niet aan de officier van justitie om een eindoordeel te geven over bewijs in een strafrechtelijke procedure. Nu verweerder heeft nagelaten zelf onderzoek in te stellen beschikt verweerder derhalve ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet over deugdelijk vastgestelde gegevens op grond waarvan de overtuiging kan worden verkregen dat verzoeker zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Verweerder was derhalve niet bevoegd verzoeker ontslag te verlenen wegens wangedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3930 MAW

uitspraak ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats],

(gemachtigde: mr. J.M.L. de Jong),

ten aanzien van het besluit van de Minister van Defensie, verweerder, van 11 april 2012, waarbij verzoekers bezwaar met betrekking tot het aan hem verleende ontslag wegens wangedrag, met ingang van 1 januari 2012, ongegrond is verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 9 mei 2012 beroep ingesteld (AWB 12/3925 MAW). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 14 mei 2012 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Namens verweerder zijn mr. P.M. van der Weijden en mr. N.A. Koster verschenen.

I Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.1 Verzoeker is marinier der eerste klasse bij de Koninklijke Marine.

2.2 Aan het ontslagbesluit van 28 november 2011 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker wordt verdacht van het bezit en/of handel in drugs (amfetamine en GHB), het voorhanden hebben van een wapen (ploertendoder) en zware mishandeling op of omstreeks 22 februari 2009 te Gerlos (Oostenrijk). Na bestudering van de op de zaak betrekking hebbende stukken acht verweerder het voldoende aannemelijk dat verzoeker zich met drugs heeft ingelaten. Gelet op het stringente beleid dat Defensie voert met betrekking tot drugs is ontslag wegens wangedrag gerechtvaardigd. Voorts stelt verweerder dat verzoeker bekend heeft zich schuldig te hebben gemaakt aan zware mishandeling. Daar bovenop is verzoeker hoofdverdachte geweest bij het zogenaamde Paddock-incident te Oranjestad, Aruba. Dit betrof een grootschalige vechtpartij. Deze zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Ook is verzoeker betrokken geweest bij een incident in Vlaardingen. Verzoeker is hierbij aangehouden en heeft een dag in voorarrest doorgebracht. In deze zaak is uiteindelijk geen tenlastelegging gevolgd. Verweerder is van mening dat al deze incidenten tezamen, plus het voorhanden hebben van een verboden wapen, er op duiden dat verzoeker ten aanzien van geweld niet een de-escalerende houding etaleert die verwacht mag worden van een militair in het algemeen en een marinier in het bijzonder. De geweldsincidenten, het voorhanden hebben van een verboden wapen en het zich inlaten met drugs tezamen vormen afzonderlijk, maar in elk geval tezamen voldoende grond om verzoeker te ontslaan wegens wangedrag.

2.3 Tegen dit besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.4 Bij uitspraak van 23 februari 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank (AWB 11/9813 MAW) het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het ontslagbesluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft, kort samengevat, geoordeeld dat verweerder niet beschikte over deugdelijk vastgestelde gegevens op grond waarvan de overtuiging kon worden verkregen dat verzoeker zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt.

2.5 In zijn beslissing op bezwaar heeft verweerder de verstrekte justitiële en strafvorderlijke informatie van de verbindingsofficier van 28 juni 2011 inzake de mishandeling te Gerlos (Oostenrijk), de verstrekte justitiële en strafvorderlijke informatie van de verbindingsofficier van 30 september 2011 inzake de verdenking van drugsdelicten, het proces-verbaal van het onderzoek Kartitschersattel van 7 december 2010 en de in het kader van de beslissing op bezwaar verstrekte justitiële en strafvorderlijke informatie van de verbindingsofficier van 2 februari 2012 nogmaals gewogen. Verweerder heeft hieruit geconcludeerd dat voldoende is komen vast te staan dat verzoeker het verweten wangedrag heeft begaan.

3 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder over onvoldoende gegevens beschikt om tot de overtuiging te komen dat hij het verweten wangedrag heeft begaan. Verweerder heeft, ook na de uitspraak van de voorzieningenrechter, nagelaten zelf onderzoek te verrichten naar het vermeende wangedrag. Verweerder kan niet volstaan met een enkele verwijzing naar de brieven van de Officier van Justitie. Het beweerdelijk voorhanden hebben en handelen in soft- danwel harddrugs is en kan op geen enkele manier door verweerder worden vastgesteld. Nu het wangedrag niet kan worden vastgesteld op basis van vastgestelde feiten dient het ontslagbesluit te worden geschorst.

4.1 In artikel 7 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW) is bepaald dat, indien tijdens de behandeling van een beroep blijkt dat een samenhangend strafrechtelijk onderzoek of een tuchtproces aanhangig is, de behandeling tot na afloop van dat onderzoek of dat tuchtproces wordt geschorst.

4.2 Ingevolge artikel 8 van de MAW geldt een uitspraak van de strafrechter, in kracht van gewijsde gegaan, waarbij de militaire ambtenaar aan enig feit is schuldig verklaard, in een ambtenarenzaak als bewijs van dat feit.

4.3 De strekking van artikel 8 MAW is dat de militaire ambtenarenrechter geen feiten hoeft vast te stellen die reeds door de strafrechter zijn vastgesteld en die tot een schuldigverklaring hebben geleid. Derhalve laat de militaire ambtenarenrechter zich niet uit over de vraag of een militair een bepaald feit heeft gepleegd, zolang de strafrechter zich daarover niet heeft uitgelaten. Hoewel artikel 7 MAW voorts niet ziet op de voorlopige voorzieningprocedure, brengt het voorgaande wel met zich dat de voorzieningenrechter zich ten aanzien van de vraag of verzoeker zich (in strafrechtelijke zin) schuldig heeft gemaakt aan het bezit van en/of handel in drugs en aan zware mishandeling, zeer terughoudend dient op te stellen.

4.4 Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

5 Naar vaste jurisprudentie hanteert de CRvB ten aanzien van disciplinaire straffen als toetsingsmaatstaf dat de bestuursrechter in ambtenarenzaken, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten toetsen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. De voorzieningenrechter acht deze maatstaf evenzeer aangewezen voor het aan verzoeker verleende ontslag, dat gebaseerd is op wangedrag. Een ontslag op grond van wangedrag met alle gevolgen van dien is een zodanig zware maatregel dat daartoe slechts kan worden overgegaan indien de feiten die aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn.

6 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 februari 2012 (AWB 11/9813 MAW) geen nieuwe stukken aan het dossier heeft toegevoegd. Desgevraagd heeft verweerder medegedeeld het niet eens te zijn met de uitspraak van die voorzieningenrechter. Verweerder blijft zich op het standpunt stellen dat de brieven van de Officier van Justitie van 28 juni 2011, 30 september 2011 en 2 februari 2012 voldoende aannemelijk maken dat verzoeker zich aan wangedrag schuldig heeft gemaakt. Met betrekking tot de mogelijkheid om eigen onderzoek te doen stelt verweerder niet te beschikken over opsporingsbevoegdheden en derhalve niet in staat te zijn om bijvoorbeeld zelfstandig getuigen te horen.

7 Nu geen nieuwe stukken zijn ingebracht bevindt het verzoek om voorlopige voorziening zich in dezelfde stand van zaken als ten tijde van de uitspraak van 23 februari 2012. Met de vorige voorzieningenrechter is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aan de strafrechter is en niet aan de officier van justitie om een eindoordeel te geven over bewijs in een strafrechtelijke procedure. Nu verweerder heeft nagelaten zelf onderzoek in te stellen beschikt verweerder derhalve ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet over deugdelijk vastgestelde gegevens op grond waarvan de overtuiging kan worden verkregen dat verzoeker zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Verweerder was derhalve niet bevoegd verzoeker ontslag te verlenen wegens wangedrag.

8 De voorzieningenrechter is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het besluit van 11 april 2012 niet deugdelijk is gemotiveerd en niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

9 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt derhalve toegewezen in die zin, dat het besluit van 11 april 2012 wordt geschorst tot zes weken na de datum van bekendmaking van de uitspraak in beroep.

10 Ter zitting hebben partijen aangegeven dat zij in afwachting waren van de (tussen-) uitspraak van de militaire kamer van de rechtbank Arnhem. Ten tijde van de behandeling van deze voorlopige voorziening was nog geen uitspraak bekend. De voorzieningenrechter wijst er ten overvloede op dat uitspraak van de militaire kamer van de rechtbank Arnhem voor partijen aanleiding kan zijn om met toepassing van artikel 8:87 van de Awb om opheffing of wijziging van dit verzoek om voorlopige voorziening te verzoeken.

11.1 Verweerder wordt met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb veroordeeld in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- ( 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-).

11.2 Ten aanzien van de reiskosten stelt de voorzieningenrechter, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de vergoeding van de reiskosten vast op € 14,80, zijnde de kosten van een dagretour voor het reizen met het openbaar vervoer van [plaats] naar Den Haag.

11.3 Daarmee bedraagt de proceskostenveroordeling in totaal € 888,80.

II Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit van 11 april 2012 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de uitspraak op beroep;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 888,80 welke kosten verweerder aan verzoeker dient te vergoeden;

3. bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 156,- vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van

mr.drs. C.M.A. Demetriadis, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.