Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1258

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/19005
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser voert - kort samengevat - aan dat de bewaring onrechtmatig is vanwege het ontbreken van een terugkeerbesluit. De eerdere aanzegging om Nederland te verlaten, kan niet worden gelijkgesteld met een terugkeerbesluit. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat aan eiser op 30 juli 2009 is aangezegd Nederland voor 1 augustus 2009 te verlaten en dat dit gelijk moet worden gesteld met een terugkeerbesluit. Ingevolge art. 3, lid 4 van de Terugkeerrichtlijn wordt voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder terugkeerbesluit: “de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling, waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld”.

De aanzegging van 30 juli 2009 vermeldt niet dat er wordt vastgesteld dat het verblijf van eiser in Nederland illegaal is. Evenmin vermeldt de aanzegging dat het verblijf van eiser in Nederland illegaal wordt verklaard. Daarmee voldoet de aanzegging niet aan de definitie van het terugkeerbesluit zoals hiervoor gegeven. Ook is er in de aanzegging van 30 juli 2009 geen rechtsmiddelenclausule opgenomen, terwijl een terugkeerbesluit een rechtsmiddelenclausule dient te bevatten. Nu evenmin is gebleken dat voorafgaand aan de nu ter toetsing voorliggende bewaring een terugkeerbesluit is afgegeven, is de bewaring onrechtmatig.

Gelet op het voorafgaande moet de bewaring van aanvang af onrechtmatig worden geacht en dient het beroep gegrond te worden verklaard en de bewaring te worden opgeheven. Nu het beroep op grond van het vorenstaande gegrond wordt verklaard, behoeft hetgeen overigens door eiser is aangevoerd geen verdere bespreking.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/19005

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2012

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1992,

van Marokkaanse nationaliteit,

verblijvende te [plaats] in het detentiecentrum,

eiser,

gemachtigde mr. A.D. Kloosterman,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.N. Lorier.

<b>Procesverloop</b>

Op 13 juni 2012 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 12 juni 2012 is namens eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 25 juni 2012, waar eiser overeenkomstig het Besluit Videoconferentie (Stb. 2006, 275) vanaf zijn plaats van detentie per videoconferentie is gehoord op zijn beroep en ter zitting is bijgestaan door mr. R. Posthast, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Eiser voert - kort samengevat - aan dat de bewaring onrechtmatig is vanwege het ontbreken van een terugkeerbesluit. De eerdere aanzegging om Nederland te verlaten, kan niet worden gelijkgesteld met een terugkeerbesluit.

2. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat aan eiser op 30 juli 2009 is aangezegd Nederland voor 1 augustus 2009 te verlaten en dat dit gelijk moet worden gesteld met een terugkeerbesluit.

3. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder terugkeerbesluit: “de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling, waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld”.

4. De aanzegging van 30 juli 2009 vermeldt niet dat er wordt vastgesteld dat het verblijf van eiser in Nederland illegaal is. Evenmin vermeldt de aanzegging dat het verblijf van eiser in Nederland illegaal wordt verklaard. Daarmee voldoet de aanzegging niet aan de definitie van het terugkeerbesluit zoals hiervoor gegeven. Ook is er in de aanzegging van 30 juli 2009 geen rechtsmiddelenclausule opgenomen, terwijl een terugkeerbesluit een rechtsmiddelenclausule dient te bevatten. Nu evenmin is gebleken dat voorafgaand aan de nu ter toetsing voorliggende bewaring een terugkeerbesluit is afgegeven, is de bewaring onrechtmatig.

5. Gelet op het voorafgaande moet de bewaring van aanvang af onrechtmatig worden geacht en dient het beroep gegrond te worden verklaard en de bewaring te worden opgeheven. Nu het beroep op grond van het vorenstaande gegrond wordt verklaard, behoeft hetgeen overigens door eiser is aangevoerd geen verdere bespreking.

6. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

7. Nu de bewaring blijkens het voorgaande met ingang van 13 juni 2012 onrechtmatig is, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 26 juni 2012, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser over de periode van 13 juni 2012 tot en met 25 juni 2012 schadevergoeding toekomt. Eiser heeft die periode in een huis van bewaring verbleven. In totaal bedraagt de schadevergoeding 13 maal € 80,00 is € 1.040,00.

8. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

9. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 26 juni 2012;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 1.040,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. H.J.M. Baldinger als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2012.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.040,00 (ZEGGE: DUIZEND VEERTIG EURO)

Aldus gedaan op 26 juni 2012 door mr. H.J.M. Baldinger.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: