Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1255

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/16129
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Naar voorlopig oordeel heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het persoonlijke gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat verzoeker in de relatief korte tijd dat hij in Nederland verblijft (verweerder gaat ervan uit dat verzoeker pas sinds 2010 in Nederland verblijft) veelvuldig door de strafrechter is veroordeeld voor vermogensdelicten en dat na het plegen van die strafbare feiten geen verbetering van het gedrag van verzoeker is opgetreden. Verzoeker vertoont dus een neiging om dit gedrag in de toekomst voort te zetten. Hoewel elk door verzoeker gepleegd strafbaar feit op zich geen voldoende ernstige bedreiging lijkt te vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving, moet worden geoordeeld dat verweerder het gedrag van verzoeker, vooral gelet op aard (vermogensdelicten en geweldsdelicten) en de frequentie van de door hem gepleegde strafbare feiten, als een voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving heeft kunnen aanmerken. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat het gedrag van een veelpleger als verzoeker een negatieve invloed heeft op het algemene veiligheidsgevoel van de Nederlandse maatschappij en dat verzoeker die maatschappij in het algemeen en de slachtoffers van die strafbare feiten in het bijzonder financiële schade, veel ergernis en overlast toebrengt. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat ook de strafrechter in verband met de normhandhaving hoofdzakelijk gevangenisstraffen heeft opgelegd en dat de strafrechter blijkens de opgelegde gevangenisstraffen van 6 weken, 4 maanden en 4 maanden in het bijzonder de door eiser gepleegde diefstal (zakkenrollerij) en mishandeling, winkeldiefstal (gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken) en wederspannigheid en zedenzaken (feitelijke aanranding van de eerbaarheid) en mishandeling fors aanrekent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/16129

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 10 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van verzoeker beëindigd en hem ongewenst verklaard. Hierbij heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat de vertrektermijn is verkort tot nul uur.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter voorts verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende het besluit te schorsen dan wel te verbieden verzoeker uit te zetten en verweerder te gelasten af te zien van iedere vorm van signalering.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Verzoeker is geboren op [datum] 1974 en heeft de Roemeense nationaliteit.

3. Verzoeker is op een voor verweerder onbekende datum Nederland binnengekomen. Verzoeker verblijft ten tijde van belang minder dan vijf jaren in Nederland.

4. De uittreksels Justitiële Documentatie over verzoeker van 5 januari 2012 en 20 april 2012 vermelden het volgende:

- op 10 augustus 2010 heeft het arrondissementsparket verzoeker een transactie aangeboden van € 150,00 voor overige diefstallen gepleegd op 10 augustus 2010 te Breda.

- bij uitspraak van 14 december 2010 heeft de politierechter van de rechtbank Amsterdam verzoeker veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, voor poging tot diefstal (zakkenrollerij) gepleegd op 5 december 2010 te Amsterdam;

- bij uitspraak van 20 december 2010 heeft de politierechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch verzoeker veroordeeld tot een geldboete van € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis voor winkeldiefstal gepleegd op 6 september 2010 te Boxtel;

- bij uitspraak van 1 februari 2011 heeft de politierechter van de rechtbank Breda verzoeker veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, voor diefstal gepleegd op 27 september 2010 te Tilburg en diefstal (zakkenrollerij) en mishandeling gepleegd op 20 november 2010 te Breda;

- bij uitspraak van 22 april 2011 heeft de rechtbank Arnhem verzoeker veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, voor winkeldiefstal (gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken) en wederspannigheid gepleegd op 28 december 2010 in Nijmegen;

- bij uitspraak van 16 juni 2011 heeft de politierechter van de rechtbank Breda verzoeker veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf voor schuldheling gepleegd op 24 mei 2011;

- bij uitspraak van 1 november 2011 heeft de politierechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch verzoeker veroordeeld tot € 250,00 boete subsidiair 5 dagen hechtenis voor eenvoudige belediging gepleegd op 7 mei 2011 te ’s-Hertogenbosch;

- bij uitspraak van 1 februari 2012 heeft de politierechter van de rechtbank Breda verzoeker veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf voor (winkel)diefstal gepleegd op 27 september 2010 te Tilburg;

- bij uitspraak van 1 februari 2012 heeft de politierechter van de rechtbank Breda verzoeker veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf voor (winkel)diefstal gepleegd op 8 november 2011 te Roosendaal;

- bij uitspraak van 7 juli 2011 heeft de politierechter van de rechtbank Breda verzoeker veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf voor twee zedenzaken (feitelijke aanranding van de eerbaarheid) en een mishandeling gepleegd op 27 juni 2011 te Tilburg;

- bij uitspraak van 2 november 2011 heeft de politierechter van de rechtbank Dordrecht verzoeker veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf voor winkeldiefstal gepleegd op 5 september 2011 te Dordrecht;

- bij uitspraak van 25 januari 2012 heeft de politierechter van de rechtbank Breda verzoeker veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf voor winkeldiefstal gepleegd op 27 oktober 2011 te Tilburg;

- bij uitspraak van 9 maart 2012 is verzoeker veroordeeld door de politierechter van de rechtbank Breda tot een geldboete van € 550,00, waarvan € 250,00 voorwaardelijk, voor het rijden onder invloed;

- bij uitspraak van 28 maart 2012 heeft de politierechter van de rechtbank Breda verzoeker veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf voor een poging tot winkeldiefstal gepleegd op 29 oktober 2011 te Tilburg.

5. De uittreksels vermelden verder dat verzoeker is gedagvaard voor delicten gepleegd op 27 december 2011 (zakkenrollerij overige diefstallen), 19 januari 2012 (overige diefstallen), 21 januari 2012 (winkeldiefstal en zakkenrollerij), 10 februari 2012 (winkeldiefstal en zakkenrollerij).

6. Op 11 oktober 2011 en 14 december 2011 is verzoeker gehoord over het voornemen hem ongewenst te verklaren. Het van het gehoor van 11 oktober 2011 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 17 oktober 2011 vermeldt dat verzoeker heeft verklaard dat hij (op 11 oktober 2011) ongeveer zes maanden in Nederland verblijft, dat hij woonachtig is bij zijn broer in [plaats], dat hij niet staat ingeschreven in de Gemeenschappelijke Basis Administratie, dat in België ([plaats]) familie van hem woont, namelijk zijn moeder, twee broers en een schoonzus, dat hij vanwege ruzie met zijn familie naar Nederland is gekomen om hier rust te vinden, dat dit de enige reden is dat hij naar Nederland is gekomen, dat hij geen werkzaamheden verricht in Nederland, dat als hij geld nodig heeft hij naar België gaat en daar zwart werkt, dat hij geen arbeidscontract heeft, dat hij niet in het bezit is van een ziektekostenverzekering, dat als hij naar de dokter moet hij dat doet in België, dat zijn broer dan met hem meegaat en zijn verzekering overlegt, dat hij lijdt aan diabetes, epilepsie en galstenen, dat hij daarvoor medicijnen gebruikt, dat zijn echtgenote en twee kinderen (van 18 en 20 jaar) nog in Roemenië wonen, dat hij in een echtscheidingsprocedure zit en dat hij in Roemenië geen problemen heeft. Het van het gehoor van 14 december 2011 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 14 december 2011 vermeldt dat verzoeker heeft verklaard dat hij in Nederland geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, dat hij ongeveer 6 zes jaar geleden naar Nederland is gekomen om te werken, dat hij niet in Nederland heeft gewerkt, maar wel zwart in België, dat hij rente heeft van gespaard geld en inkomsten heeft van familie, dat hij geen belangrijke familiaire- of relationele betrekkingen heeft in Nederland, dat hij twee à drie joints per dag gebruikt, dat het kunnen voorzien in de eerste levensbehoefte de reden is geweest waarom hij misdrijven heeft gepleegd, dat hij niets heeft ondernomen om zijn gedragspatroon te doorbreken, dat zijn echtgenote nog in Nederland is en evenmin een vaste woon- of verblijfplaats heeft, dat zijn twee kinderen in Roemenië wonen en dat hij op het punt staat om van zijn echtgenote te scheiden.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verblijfsrecht van verzoeker beëindigd en hem ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op grond van artikel 8:24, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft verweerder de vertrek termijn verkort tot nul uur.

8. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. Aangezien verzoeker thans in Nederland verblijft en het bestreden besluit dat verblijf strafbaar stelt en verweerder voornemens is verzoeker op 9 juni 2012 te verwijderen naar Roemenië, acht de voorzieningenrechter, anders dan door verweerder ter zitting bepleit, het belang van verzoeker bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening spoedeisend. Het belang van verzoekster bij het treffen van die voorziening dient in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure te worden afgewogen tegen het belang van verweerder. Dit vereist een meer inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit op basis van een voorlopige rechtmatigheidstoets. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele bodemprocedure.

10. Naar voorlopig oordeel bestaat geen aanknopingspunt voor de conclusie dat onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure niet het recht van verzoeker op effectieve rechterlijke bescherming waarborgt. Verweerder heeft weliswaar bepaald dat verzoeker ook de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag afwachten, maar het verzoek is op 8 juni 2012 ter zitting van de voorzieningenrechter behandeld en verzoeker heeft daar zijn argumenten tegen het bestreden besluit naar voren kunnen brengen.

11. Verzoeker heeft betoogd dat verweerder ten onrechte zijn verblijfsrecht heeft beëindigd en hem ten onrechte ongewenst heeft verklaard. Volgens verzoeker is geen sprake van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde of openbare veiligheid. Verzoeker heeft erop gewezen dat een aantal veroordelingen niet onherroepelijk is.

12. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan – kort gezegd – de vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan, in afwijking van artikel 8, de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben.

13. Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vb 2000 kan Onze Minister het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

14. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: richtlijn) kunnen, onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk, de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.

15. Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de richtlijn moeten de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.

16. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de richtlijn neemt een gastland, alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid te nemen, de duur van het verblijf van de betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong, in overweging.

17. Uit het hiervoor weergegeven nationale wettelijke kader en meer in het bijzonder uit het terzake geldende beleid A5/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, dat gaat over ongewenstverklaring en EU-onderdanen, volgt dat verweerder aan de ongewenstverklaring van een Unieburger dezelfde beoordeling ten grondslag legt als aan de beëindiging van het verblijf van een Unieburger. Verblijfsbeëindiging (en ongewenstverklaring) van een hier te lande verblijvende Unieburger is in beginsel pas mogelijk indien het gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

18. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het persoonlijke gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat verzoeker in de relatief korte tijd dat hij in Nederland verblijft (verweerder gaat ervan uit dat verzoeker pas sinds 2010 in Nederland verblijft) veelvuldig door de strafrechter is veroordeeld voor vermogensdelicten en dat na het plegen van die strafbare feiten geen verbetering van het gedrag van verzoeker is opgetreden. Verzoeker vertoont dus een neiging om dit gedrag in de toekomst voort te zetten. Hoewel elk door verzoeker gepleegd strafbaar feit op zich geen voldoende ernstige bedreiging lijkt te vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving, moet worden geoordeeld dat verweerder het gedrag van verzoeker, vooral gelet op aard (vermogensdelicten en geweldsdelicten) en de frequentie van de door hem gepleegde strafbare feiten, als een voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving heeft kunnen aanmerken. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat het gedrag van een veelpleger als verzoeker een negatieve invloed heeft op het algemene veiligheidsgevoel van de Nederlandse maatschappij en dat verzoeker die maatschappij in het algemeen en de slachtoffers van die strafbare feiten in het bijzonder financiële schade, veel ergernis en overlast toebrengt. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat ook de strafrechter in verband met de normhandhaving hoofdzakelijk gevangenisstraffen heeft opgelegd en dat de strafrechter blijkens de opgelegde gevangenisstraffen van 6 weken, 4 maanden en 4 maanden in het bijzonder de door eiser gepleegde diefstal (zakkenrollerij) en mishandeling, winkeldiefstal (gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken) en wederspannigheid en zedenzaken (feitelijke aanranding van de eerbaarheid) en mishandeling fors aanrekent. Dat een aantal veroordelingen nog niet onherroepelijk is, maakt het voorgaande niet anders.

19. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder in het bestreden besluit de duur van het verblijf van verzoeker in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in Nederland en de mate waarin hij bindingen heeft met Roemenië heeft betrokken in zijn beoordeling tot ongewenstverklaring en verblijfsbeëindiging. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van verzoeker om in Nederland te verblijven niet opwegen tegen het algemeen (Nederlands) belang dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Meer in het bijzonder heeft verweerder betekenis kunnen toekennen aan het feit dat verzoeker relatief kort in Nederland verblijft, hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en hij nimmer in Nederland heeft gewerkt. Verzoeker heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een sociale of economische binding heeft met Nederland, terwijl hij in Roemenië is geboren en getogen en daar het grootste gedeelte van zijn leven heeft doorgebracht. Aan de omstandigheden dat verzoeker de behandeling van nog lopende strafzaken in Nederland wil bijwonen en hij in Nederland aan zijn been wordt behandeld heeft verweerder geen beslissende betekenis hoeven toekennen. Voor zover de aanwezigheid van verzoeker ter zitting van de strafrechter nodig is, kan verzoeker verweerder vragen of hij voor de duur van de strafzaak in Nederland mag verblijven. Dat verzoeker voor de medische behandeling aan zijn been is aanwezen op Nederland heeft hij niet aannemelijk gemaakt.

20. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder verzoeker dus terecht ongewenst verklaard en diens verblijfsrecht terecht beëindigd. Het betoog van verzoeker slaagt dus niet.

21. Verzoeker heeft voorts betoogd dat verweerder de vertrektermijn ten onrechte heeft bepaald op nul uur. Dit betoog slaagt evenmin.

22. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 dient – voor zover hier van belang – de vreemdeling indien het een gemeenschapsonderdaan betreft nadat het rechtmatig verblijf van hem is geëindigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

23. Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan Onze Minister de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

24. Ingevolge artikel 8.24, derde lid, van het Vb 2000 kan Onze Minister de vertrektermijn, bedoeld in artikel 62, vierde lid, van de Wet slechts in naar behoren aangetoonde dringende gevallen verkorten tot minder dan vier weken.

25. Hoewel de verwijzing van artikel 8.24, derde lid, van het Vb 2000 naar artikel 62 van de Vw 2000 betrekking heeft op de oude tekst van artikel 62 (de nieuwe tekst kent geen vierde lid), is voldoende duidelijk dat verweerder de vertrektermijn in het belang van de openbare orde en dus op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 heeft verkort tot nul uur. In aanmerking genomen dat het persoonlijke gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving en in aanmerking genomen dat verzoeker geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de vertrektermijn niet heeft kunnen verkorten tot nul uur.

26. Verzoeker heeft tot slot nog aangevoerd dat hij, als hij wordt uitgezet naar Roemenië, naar zijn familie in België wil reizen. Om die reden heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd verweerder te gelasten af te zien van iedere vorm van signalering.

27. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 6 december 2010, LJN: BO7034) volgt dat de vaste gedragslijn dat signalering van een vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem (SIS) op een ongewenstverklaring volgt niet onredelijk is te achten. Verzoeker heeft geen bijzondere belangen aangevoerd die zich verzetten tegen signalering in het SIS conform deze gedragslijn. Voor zover verzoeker zijn familie in België wil bezoeken bestaat voor hem de mogelijkheid om de Belgische autoriteiten met het oog op dat bezoek ondanks de signalering in het SIS toegang tot het grondgebied te verzoeken.

28. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

29. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.E. Dijkstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

<b>Rechtsmiddel</b>

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.