Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1245

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/11697
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden als toetsingskader artikel 29, in combinatie met artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd ondanks dat Malta akkoord is gegaan met overname van eiser op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Weliswaar bestaat met artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn een artikel dat specifiek ziet op de terugkeer van een vreemdeling die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning en is de Terugkeerrichtlijn blijkens artikel 21 in de plaats gekomen van de voorschriften van de artikelen 23 en 24 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, welke bepalingen voorheen in een dergelijke situatie werden gebruikt om de overdracht op te baseren, maar dit laat onverlet dat artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn geen verdragsverplichting is als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, zodat laatstgenoemd artikel niet de grondslag kan zijn voor de afwijzing van eisers asielaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/11697

uitspraak ingevolge artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaken tussen

[eiser], V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. R.J. Portegies, advocaat te Amsterdam),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Bosch).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1985 en de Somalische nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft tegen dit besluit op 6 april 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2012. Eiser is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Ware, tolk Somalisch.

Overwegingen

1 Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Schengen uitvoeringsovereenkomst dient de vreemdeling, wanneer hij over een geldige verblijfstitel of tijdelijke verblijfsinstemming van een andere Overeenkomstsluitende partij beschikt, zich onverwijld naar het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij te begeven.

Ingevolge het derde lid van dat artikel dient de vreemdeling, indien onder meer het vrijwillige vertrek niet plaatsvindt, overeenkomstig de in de nationale wetgeving van die Partij neergelegde voorwaarden te worden verwijderd van het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij werd aangehouden.

Ingevolge artikel 21 van de richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) komt deze richtlijn in de plaats van de voorschriften van de artikelen 23 en 24 van de Schengen uitvoeringsovereenkomst.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt de onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar, of

e. die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend;

f. die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling, die dezelfde nationaliteit heeft als deze vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien:

a. een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag;

b. de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e of l;

c. de vreemdeling eerder een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist en hij op grond van die aanvraag rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 onder f, g en h, of

d. de vreemdeling op grond van een verdragsverplichting tussen Nederland en een ander land zal worden overgedragen aan dat land van eerder verblijf, terwijl dat land partij is bij het Vluchtelingenverdrag, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154) en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Trb. 1985, 69), dan wel zich anderszins heeft verplicht artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, na te leven.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 worden bij het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 mede betrokken de omstandigheid dat:

(...)

g. de vreemdeling afkomstig is uit een land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de andere in artikel 30, onder d, bedoelde verdragen en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt;

h. de vreemdeling heeft verbleven in een derde land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de in artikel 30, onder d, bedoelde verdragen en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt;

i. de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden;

j. de vreemdeling elders een verblijfsalternatief heeft omdat hij voorafgaand aan zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een ander land dan het land van herkomst;

k. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

l. de vreemdeling afkomstig is uit een land dat ingevolge artikel 29 van de richtlijn asielprocedures door de Raad is opgenomen in de in dat artikel bedoelde gemeenschappelijke minimumlijst van derde landen die als veilig land van herkomst worden beschouwd.

2 Op 19 december 2011 heeft verweerder de Maltese autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EG) 343/2003 (Vo 343/2003), nadat uit onderzoek in Eurodac was gebleken dat eiser vóór zijn komst naar Nederland in Malta, Zweden en Finland een asielaanvraag heeft ingediend. De Maltese autoriteiten hebben op 6 januari 2012 medegedeeld eiser te willen terugnemen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn.

3 Verweerder heeft ter zitting betoogd dat Malta het terugnameverzoek betreffende eiser heeft geaccordeerd op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn aangezien eiser in Malta een verblijfsrecht heeft. Vóór de implementatie van de Terugkeerrichtlijn werd in gevallen van rechtmatig verblijf op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij gebruik gemaakt van artikel 23 en 24 van de Schengen uitvoeringsovereenkomst in samenhang bezien met artikel 30, aanhef en onder a, of d, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 21 van de Terugkeerrichtlijn is de Terugkeerrichtlijn (in dit geval artikel 6, tweede lid) in de plaats gekomen van artikel 23 en 24 van de Schengen uitvoeringsovereenkomst. Nu de Terugkeerrichtlijn, anders dan de Schengen uitvoeringsovereenkomst, geen verdrag is maar een richtlijn kan verweerder artikel 30, aanhef en onder a, en d, niet langer gebruiken als grondslag voor de terugkeer van een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij. Immers is ingevolge artikel 30, aanhef en onder a, of d, van de Vw 2000 vereist dat er sprake is van een verdragsrechtelijke bepaling waaruit blijkt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is. Daarnaast heeft verweerder aangevoerd dat ook het Verdrag van Straatsburg (Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen; Trb 1981, 259) niet op eiser van toepassing is, nu Malta het verdrag niet heeft geratificeerd.

Verweerder heeft derhalve de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 29 in combinatie met artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, uitgaande van terugkeer naar Malta, nu geen van de situaties als bedoeld in artikel 30, eerste lid, en artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 zich in eisers geval voordoen.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat is gebleken dat eiser van de Maltese autoriteiten bescherming heeft gekregen in de vorm van een aan hem verleende verblijfsvergunning. Eiser heeft derhalve bescherming op Malta, daarom bestaat geen noodzaak om hem in Nederland bescherming te bieden. De door eiser aangevoerde problemen hebben te maken met de situatie op Malta en kunnen door hem bij de Maltese autoriteiten worden aangekaart. Niet is gebleken dat de Maltese autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen. Nu niet is gebleken dat eiser zich tot de Maltese autoriteiten, danwel tot andere organisaties of instanties op Malta heeft gewend teneinde een oplossing te zoeken voor zijn problemen bestaande uit de gestelde slechte leefomstandigheden, waaronder de onmogelijkheid om een baan of scholing te krijgen, is niet aannemelijk geworden dat een beroep op de Maltese autoriteiten bij voorbaat kansloos is. Malta maakt onderdeel uit van de Europese Unie. Ten opzichte van Malta wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Niet is door eiser aannemelijk gemaakt dat de Maltese autoriteiten hun verdragsverplichtingen niet zouden nakomen. De door eiser overgelegde rapporten van Thomas Hammarberg van 9 juni 2011 en Amnesty International van

14 december 2010 zijn van algemene aard en hebben geen betrekking op de persoonlijke situatie van eiser. Hieruit blijkt niet dat de Maltese autoriteiten de op hen rustende verplichtingen jegens eiser niet nakomen. Niet is derhalve aannemelijk gemaakt dat eiser ten overstaan van de Maltese autoriteiten als vluchteling moet worden aangemerkt dan wel dat hij op Malta risico loopt op schending van het bepaalde in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4 In beroep heeft eiser het volgende aangevoerd.

Eiser is beide malen dat hij op Malta is geweest zodanig slecht behandeld dat het in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiser wijst ter vergelijking op de Griekse situatie, waar ook geen vreemdelingen meer naar teruggestuurd worden. Binnenkort zal een zodanige situatie zich ook bij Malta voordoen.

5 De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden als toetsingskader artikel 29, in combinatie met artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd ondanks dat Malta akkoord is gegaan met overname van eiser op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Weliswaar bestaat met artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn een artikel dat specifiek ziet op de terugkeer van een vreemdeling die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning en is de Terugkeerrichtlijn blijkens artikel 21 in de plaats gekomen van de voorschriften van de artikelen 23 en 24 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, welke bepalingen voorheen in een dergelijke situatie werden gebruikt om de overdracht op te baseren, maar dit laat onverlet dat artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn geen verdragsverplichting is als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, zodat laatstgenoemd artikel niet de grondslag kan zijn voor de afwijzing van eisers asielaanvraag.

6 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vrees heeft voor vervolging dan wel dat hij bij terugkeer naar Malta een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Malta is partij bij het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. De rechtbank overweegt dat in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor twijfel omtrent de vraag of Malta zijn verplichtingen op grond van de genoemde verdragen jegens eiser zal naleven. Eiser heeft zijn verklaringen in dit verband onvoldoende onderbouwd, terwijl voorts niet gebleken is van het onthouden van enige vorm van hulp door de Maltese autoriteiten. Het rapport van Hammarberg betreft de (procedures rondom) de ontvangst/ binnenkomst van migranten (met inbegrip van asielzoekers) op Malta, de toegang tot internationale bescherming en het toekomstperspectief van migranten op Malta. Het rapport biedt onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de stelling dat in het specifieke geval van eiser sprake zal zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM, en daarbij komt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) recentelijk heeft geoordeeld in de uitspraak van 2 februari 2012 (201111099/1) dat de leefomstandigheden zoals geschetst in het rapport niet van dien aard zijn dat daaruit zonder meer een schending van deze bepaling dan wel artikel 13 van het EVRM voortvloeit indien de betrokkene dient terug te keren naar Malta. Hetzelfde geldt voor het rapport van Amnesty International, nu de informatie die in dit rapport is opgesteld, van dezelfde strekking is als die in het rapport van Hammarberg. Indien eiser van mening is dat Malta in strijd handelt met de Europese richtlijnen, overweegt de rechtbank dat eiser hieromtrent dient te klagen bij de Maltese autoriteiten. Niet gebleken is dat hiertoe voor eiser geen mogelijkheid zou bestaan, dan wel dat in Malta in het algemeen geen effectieve rechtsmiddelen tegen een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM kunnen worden aangewend.

7 Verweerder heeft gelet op het voorgaande de aanvraag op goede gronden afgewezen.

8 Het beroep is ongegrond.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient, gelet op het bepaalde in artikel 85 van de Vw 2000, een of meer grieven tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl).

Datum Uitspraak: 29-6-2012 Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage Zaaknummer: AWB-12_11697

Datum Opslag: 29-6-2012 Sector: VK Concipiënt: Badermann

Opmerking(en): aa-procedure

zaaknummer: AWB 12/11697

6

Datum Uitspraak: 29-6-2012 Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage Zaaknummer: AWB-12_11697

Datum Opslag: 29-6-2012 Sector: VK Concipiënt: Badermann

Opmerking(en): aa-procedure

uitspraak