Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1242

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/2288
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser verzoekt verweerder om aansprakelijkheid te erkennen wegens opgelopen en nog te lijden schade. Er is voor de rechtbank geen aanleiding verweerder thans een termijn te stellen waarbinnen een beslissing moet worden genomen op de aanvraag. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2288

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: mr. P.M. Groenhart),

en

de minister van Defensie, verweerder,

(gemachtigde: mr. F.I. Monster).

Procesverloop

Bij brief van 15 maart 2012 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 21 november 2011, om aansprakelijkheid te erkennen wegens opgelopen en nog te lijden schade als gevolg van zijn uitzending met Dutchbatt III naar Srebrenica.

Bij brief van 28 maart 2012 heeft de rechtbank verweerder, onder andere, verzocht, binnen twee weken na de dagtekening van de brief, mede te delen of de termijn waarbinnen in deze procedures een besluit moet worden genomen is verstreken. Verweerder heeft hierop bij brieven van 11 en 20 april 2012 gereageerd.

Naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank om een reactie hierop, heeft eiseres bij brief van 29 mei 2012 gereageerd.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

3. Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden.

Ingevolge het tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het tweede lid, is de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan.

5. Verweerder heeft bij brief van 11 april 2012 aan de rechtbank meegedeeld dat hij naar aanleiding van de ingebrekestelling van 7 februari 2012 op 9 februari 2012 telefonisch contact heeft opgenomen met eiser. Tijdens dit gesprek heeft verweerder met eiser afgesproken dat de zaak voortvarend op zou worden gepakt en dat de beslistermijn zou worden opgeschort. Immers, was er aanvullende medische informatie nodig en diende het medisch advies te worden afgewacht. Dit gesprek heeft verweerder per e-mailbericht van

10 februari 2012 bevestigd aan eiser. Verweerder is dan ook van mening dat de beslistermijn niet is overschreden. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 20 april 2012 aan de rechtbank meegedeeld dat een aanvullend medisch advies wordt afgewacht alvorens een besluit zal worden genomen. Dit in overleg met eiser.

6. Eiser stel in zijn brief 29 mei 2012 dat hij, in verband met zijn door de militaire dienst ontstane psychiatrische aandoening, behoefte heeft aan een spoedige beslissing op zijn aanvraag. Eiser merkt daarbij op dat hij weliswaar afspraken heeft gemaakt met verweerder met betrekking tot het vergaren van aanvullende medische informatie, maar dat dit nogal lang op zich laat wachten. Tevens vreest eiser dat de zaak nog meer vertraging zal oplopen, nu verweerder in zijn brief van 20 april 2012 niet uitsluit dat op basis van voortschrijdend inzicht mogelijk nog meer aanvullende medische informatie dient te worden opgevraagd. Gelet hierop verzoekt eiser de rechtbank om verweerder op te dragen binnen een termijn van één maand een beslissing te nemen op de aanvraag.

7. De rechtbank is van oordeel dat thans nog geen twijfel bestaat aan de zorgvuldigheid van handelen van verweerder. Daarbij komt dat eiser inzake zijn bewijsvoeringslast voor aansprakelijkstelling door verweerder al in die zin tegemoet wordt gekomen, dat de kosten van deskundigenonderzoek voor rekening van verweerder blijven. Gelet op de gedingstukken en de aard van het verzoek kan vooralsnog niet worden gezegd dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat nader onderzoek is geboden alvorens een beslissing op de aanvraag te nemen. Hetgeen wat van de zijde van eiser is betoogd, biedt onvoldoende grond om daarover thans anders te oordelen. Er is voor de rechtbank geen aanleiding verweerder thans een termijn te stellen waarbinnen een beslissing moet worden genomen op de aanvraag.

8. Het beroep is derhalve ongegrond. Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

F.J. Leegstraten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord.