Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0991

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
1105464/11-28279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling van een vaststellingsovereenkomst bij einde arbeidsovereenkomst. Gemachtigde van werknemer verwijt werkgever onder meer opzettelijk geklungel in de procedure en stelt dat werknemer een lange adem heeft nu hij een rechtsbijstandverzekering heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0648
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie 's-Gravenhage

MdL

Rolnr.: 1105464 RL EXPL 11-28279

6 juni 2012

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J. Roeloff (Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Braat Bouwstoffen van 1879 B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage, kantoorhoudende te Warmond,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" en "Braat".

Procedure

1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 27 september 2011;

- de conclusie van antwoord;

- de aantekeningen van de griffier van de op 26 januari 2012 gehouden comparitie van partijen, waarbij [eiser] vergezeld van zijn gemachtigde en [gemachtigde] namens Braat zijn verschenen;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;

- de akte uitlating producties zijdens [eiser].

Feiten

2.1 [eiser] is op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst op 5 september 1995 bij Braat in dienst getreden als commercieel directeur van de werkmaatschappij Norbouw B.V.

2.2 De arbeidsovereenkomst is bij schriftelijke overeenkomst van 29 mei 1997 gewijzigd in die zin dat [eiser] met ingang van 1 juni 1997 de functie kreeg van verkoopadviseur.

2.3 Het laatst genoten loon van [eiser] bedroeg € 3.036,77 per maand.

2.4 Op grond van de door partijen op 30 september 2010 gesloten vaststellingsovereenkomst is het dienstverband tussen partijen door middel van een formele ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2011 ten einde gekomen. In artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst staat:

"Ten titel van beëindigingsvergoeding zal werknemer van Braat Bouwstoffen tot 1 augustus 2011 een aanvulling op zijn werkloosheidsuitkering ontvangen tot 100% van zijn laatstverdiende bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag. Betaling van de bruto aanvulling zal maandelijks plaatsvinden en wel uiterlijk op de laatste dag van de maand. Werknemer zal werkgever steeds tijdig de informatie verschaffen waaruit het door hem (te) ontvangen bruto bedrag van de uitkering blijkt. Indien werknemer gedurende de looptijd van de aanvulling een andere baan vindt, zal zijn salaris in zijn nieuwe functie worden aangevuld tot 100% van zijn laatstverdiende bruto maandsalaris maar met als maximum het bedrag dat hij zou hebben ontvangen als hij zijn werkloosheidsuitkering zou hebben behouden. Voorts zal Braat Bouwstoffen de pensioenpremie blijven doorbetalen tot 1 augustus 2011."

2.5 Bij beschikking van 30 september 2010 van de kantonrechter te 's-Gravenhage, locatie Gouda, is naar aanleiding van de onder sub 2.4 genoemde vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2011 ontbonden. Met ingang van die datum is de bedrijfsvoering van Braat gestaakt.

Vordering

3.1 [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en na vermindering en vermeerdering van eis, veroordeling van Braat:

a. tot betaling van € 5.588,40 bruto ten titel van achterstallige suppletie over de periode 1 januari 2011 tot 1 augustus 2011 verminderd met € 7.059,76 als omschreven onder 10 conclusie van repliek;

b. tot betaling van € 3.630,16 ten titel van salariële tegenwaarde van 26 niet genoten vakantiedagen;

c. tot betaling van achterstallig vakantiegeld ad € 290,42;

d. tot betaling van de wettelijke verhoging over de onder b en c genoemde bedragen tot een maximum van 50 %;

e. tot betaling van de wettelijke rente over het totaal van de hiervoor genoemde bedragen vanaf 4 maart 2011;

f. tot betaling van € 60,00 + € 80,00 ten titel van schadevergoeding wegens niet nakomen van de verplichting uit artikel 7:626 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2011;

g. tot betaling van € 215,00 ten titel van schadevergoeding wegens niet terug kunnen krijgen van de bijdrage Zvw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2011;

h. tot betaling van de kosten van een door [eiser] aan te wijzen en in te schakelen deskundige ter vervaardiging van een bruto/netto berekening ter vaststelling van de hiervoor gevorderde betalingsverplichtingen;

i. tot afgifte van een jaaroverzicht binnen 8 dagen na vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Braat Bouwstoffen na betekening van het vonnis zulks nalaat;

j. de proceskosten, met vermeerdering van het salaris van de gemachtigde van [eiser] met een extra trede in de zin van het tarief te liquideren kosten wegens onbehoorlijke buitenprocessuele houding van Braat en meer in het bijzonder van haar medewerker [gemachtigde].

3.2 [eiser] heeft aan zijn vordering het navolgende ten grondslag gelegd. Ondanks de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst blijft Braat in gebreke om de ingevolge artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde suppletie aan [eiser] uit te keren. Daarnaast blijft Braat in gebreke met de eindafrekening van de arbeidsovereenkomst conform artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst, verstrekking van de jaaropgave 2010 en 2011 en de specificatie van de suppletie. Braat komt hierdoor haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst alsmede artikel 7:626 BW niet na zodat sprake is van wanprestatie. [eiser] vordert daardoor tevens wettelijke verhoging alsmede wettelijke rente. [eiser] wenst zelf de betrokken stukken door een deskundige op laten stellen en de kosten hiervan op grond van artikel 6:96 lid 2 danwel 6:87 BW op Braat verhalen. Nu Braat ondanks sommatie geen jaaropgave 2010 heeft afgegeven, heeft Bureau Finance Plus+ respectievelijk € 60,00 en € 80,00 bij [eiser] in rekening gebracht, zodat [eiser] deze bedragen op Braat wenst te verhalen. Daarnaast kon een bedrag van € 215,00 aan premie Zvw niet worden teruggekregen van de belastingdienst wegens het ontbreken van een jaaropgave, zodat [eiser] aanspraak maakt op vergoeding van dat bedrag.

Verweer

4. Braat heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.

Beoordeling

5.1 Met betrekking tot de gevorderde achterstallige suppletie, niet-genoten vakantiedagen en vakantiegeld over de periode januari tot 1 augustus 2011 overweegt de kantonrechter als volgt.

5.2 [eiser] heeft bij conclusie van repliek erkend dat hij het hierna onder 5.3 genoemde bedrag van € 3.864,87 heeft ontvangen. Hij voegde daaraan toe dat dat een netto bedrag betrof "dat krachtens de verplichtingen van Braat is gebruteerd naar € 7.059,76" en dat hij de eis met dat bedrag verminderd. De kantonrechter leest deze vermindering van eis aldus dat de vorderingen onder a t/m c wordt verminderd met een bedrag van € 7.059,76 bruto en stelt vast dat dat bedrag het eindbedrag is op de eindafrekening die door Braat als productie 6 bij conclusie van antwoord is overgelegd, waarmee [eiser] gezien het hiervoor weergegeven citaat instemt.

5.3 Braat heeft gesteld dat zij alle door haar aan [eiser] verschuldigde bedragen heeft voldaan. Braat heeft betaalbewijzen overgelegd van betalingen in de hiervoor genoemde periode, tot een totaal bedrag van € 2.121,10, alsmede van een na dagvaarding, te weten op 18 november 2011 gedane betaling van € 3.864,57. Laatgenoemd bedrag is het saldo van de slotafrekening, zoals vermeld op de laatste specificatie die in het geding is gebracht als productie 5 bij conclusie van antwoord. Braat heeft gesteld dat zij in januari 2011 is begonnen met het betalen van voorschotten in afwachting van de berekening van de juiste bedragen door een extern administratiekantoor, ingeschakeld omdat Braat geen administratief personeel meer had. Vanaf maart 2011 zijn, aldus Braat, de juiste bedragen berekend en betaald.

5.4 [eiser] heeft niet, althans onvoldoende betwist dat Braat geen andere keuze had dan eerst over enkele maanden voorschotten te betalen omdat de betalingsverplichting over die maanden nog niet te bepalen was. Gelet op de door Braat gedane betalingen en overgelegde specificaties en mede gezien de vermindering van eis is - ondanks de vele verwijten die [eiser] Braat terzake maakt - geen andere conclusie mogelijk dan dat niet is komen vast te staan dat [eiser] uit dien hoofde nog enig bedrag van Braat tegoed heeft. De onderdelen a, b en c van de vordering zullen derhalve worden afgewezen.

5.5 Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst dient de betaling van de suppletie maandelijks plaats te vinden en wel uiterlijk op de laatste dag van de maand. Uit het overgelegde overzicht van betalingen blijkt dat Braat twee keer (betreffende januari en juni 2011) later betaalde dan op de laatste dag van de betreffende maand. Over die betalingen zal wettelijke rente worden toegewezen vanaf de laatste dag van de betreffende maand tot de dag der betaling. De slotbetaling die plaatsvond op 18 november 2011 ziet, zoals hiervoor overwogen op de niet-genoten vakantiedagen. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt een redelijke uitleg van artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst (waar wordt gesproken over na het einde van de arbeidsovereenkomst en het uitkeren van de niet-genoten vakantiedagen) met zich mee dat die slotbetaling uiterlijk op 1 augustus 2011 (einddatum suppletieregeling) had moeten plaatsvinden. Over het bedrag van € 3.864,57 zal wettelijke rente worden toegewezen vanaf 2 augustus 2011 tot de dag der voldoening.

5.6 Gezien de wijziging van eis wordt de wettelijke verhoging nog gevorderd over het bedrag betreffende de niet-genoten vakantiedagen en het gestelde achterstallig vakantiegeld. Uit hetgeen hiervoor onder 5.4 en 5.5 is overwogen volgt dat de gevorderde wettelijke verhoging alleen zal worden toegewezen voorzover het het bedrag van € 3.864,57 betreffende niet-genoten vakantiedagen betreft, met dien verstande dat een verhoging zal worden toegewezen tot het onder de omstandigheden van het geval redelijk te achten percentage van 10%.

5.7 [eiser] vordert onder f en h betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 60,- en € 80,- wegens niet nakoming door Braat van de verplichting tot afgifte van de jaaropgave 2010 en het maken van extra berekeningen in verband met een door Braat aangeleverde onjuiste autobijtelling, alsmede betaling van de kosten van een in te schakelen deskundige voor het maken van berekeningen ter vaststelling van de gevorderde betalingsverplichtingen. Braat heeft ten verwere onder meer aangevoerd dat zij - omdat Braat sinds 1 januari 2011 niet meer over personeel beschikte - de salarisspecificaties over de in het geding zijnde periode vanaf maart 2011 met inschakeling van een extern administratiekantoor heeft laten opstellen en verzenden aan [eiser] en dat [eiser] het jaaroverzicht 2010 eenvoudig zelf had kunnen maken door optelling van de bedragen op de maandopgaves. Voorts heeft Braat gesteld dat zij, zo er correcties nodig zouden zijn, niet de gelegenheid krijgt om die aan te brengen. Hoewel [eiser] een grote hoeveelheid cijfers aan het papier heeft toevertrouwd en in diverse brieven aan Braat zijn standpunt omtrent het gestelde tekortschieten van Braat Bouwstoffen uitvoerig uit de doeken heeft gedaan, heeft [eiser] - in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door Braat - niet aannemelijk gemaakt dat Braat heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:626 BW en een redelijke uitleg van de vaststellingsovereenkomst én dat haar daarvan onder de bijzondere omstandigheden van het geval, te weten beëindiging van de bedrijfsactiviteiten per 1 januari 2011, een verwijt kan worden gemaakt. Daaruit volgt dat niet is komen vast te staan dat de hem toegezonden salarisspecificaties onjuist of verwijtbaar ontijdig waren en dat het verrichten van werkzaamheden waarvoor [eiser] een derde heeft ingeschakeld noodzakelijk was als gevolg van tekortschieten van Braat. Daarbij is ook van belang dat [eiser] niet heeft betwist dat hij Braat niet in de gelegenheid wenst(e) te stellen om eventueel noodzakelijke correcties zelf te (doen) aanbrengen. Ook deze onderdelen van de vordering zullen derhalve worden afgewezen.

5.8 Het onder g gevorderde bedrag van € 215,- heeft betrekking op de bijdrage Zorgverzekeringswet die [eiser] stelt niet te kunnen terugkrijgen en waarvoor hij Braat aansprakelijk houdt stellend dat dit een gevolg is van het ontbreken van een jaaropgave. Uit de overgelegde mededeling van de Belastingdienst d.d. 30 juni 2011 blijkt evenwel dat teveel bij Braat werd ingehouden en dat datzelfde gebeurde bij een andere werkgever waar [eiser] in 2010 kennelijk werkzaam was. Uit deze mededeling blijkt tevens dat aan Braat een bedrag van € 180,- werd terugbetaald. In de aanhef van de mededeling is vermeld dat de werkgever in een geval als het onderhavige (een deel van) de teruggaaf aan [eiser] moet betalen. Waar Braat haar verplichting om laatstgenoemd bedrag aan [eiser] te betalen niet heeft bestreden, zal dit onderdeel van de vordering tot een bedrag van € 180,- worden toegewezen. Nu tegen de gevorderde rente daarover geen zelfstandig verweer is gevoerd, zal ook die worden toegewezen als hierna vermeld.

5.9 Onderdeel i van de vordering ziet op gevorderde afgifte van een jaaroverzicht. Dit onderdeel van de vordering (waarbij geen jaartal is vermeld) is toegevoegd bij conclusie van repliek en ziet, zo blijkt uit punt 5 van die conclusie, op het jaar 2011. [eiser] heeft bij akte uitlating producties erkend dat hij de jaaropgave 2011 heeft ontvangen. Derhalve heeft [eiser] geen belang meer bij dit onderdeel van de vordering en zal dit worden afgewezen.

5.10 Nu beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.11 De kantonrechter overweegt tenslotte het navolgende. Als een veroordeling van Braat in de proceskosten al aan de orde zou zijn geweest, dan zou er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding zijn geweest tot toekenning van extra salaris "wegens de onbehoorlijke buitenprocessuele houding van Braat Bouwstoffen en meer in het bijzonder haar medewerker [gemachtigde]". De door Braat gekozen toonzetting staat immers in schril contrast tot die van de gemachtigde van [eiser], die Braat beschuldigt van een "opzettelijke klungel-strategie" en "frommelstrategie" en zich bediende van de passages als "Het laat zich aanzien dat uw strategie uiteindelijk u meer geld zal kosten dan nodig is. Cliënt beschikt over een rechtsbijstandsverzekering en dus een lange adem", zijnde teksten die doorgaans niet bijdragen aan het vinden van een oplossing voor hetgeen partijen verdeeld houdt.

5.12 In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Braat tot betaling aan [eiser] van:

- de wettelijke verhoging van 10% over het bedrag van € 3.864,57;

- de wettelijke rente over het bedrag € 500,- over de periode 1 februari 2011 tot 11 februari 2011, alsmede de wettelijke rente over het bedrag van € 637,- over de periode 1 juli 2011 tot 3 juli 2011, alsmede de wettelijke rente over het bedrag van € 3.864,57 vanaf 2 augustus 2011 tot 18 november 2011;

- een bedrag van € 180,- betreffende teruggaaf Bijdrage Zorgverzekeringswet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2011 tot de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. de Leeuw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2012.