Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0990

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
09/647641-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 37 Sr biedt geen mogelijkheid tot voorwaardelijke plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verklaart wettig en overrtuigend bewezen bedreiging tegen het leven gericht en handelen in strijd met de WWM. Gelet op rapportages van deskundigen is de rechtbank van oordeel dat het in onderhavige situatie oneigenlijk is om aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen. Ten slotte verenigt de rechtbank zich met de conclusie van de deskundigen dat de oplegging van TBS met voorwaarden niet gewenst is. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank aan verdachte geen straf of maatregel zal opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/647641-11

Datum uitspraak: 26 juni 2012

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

wonende te [adres verdachte],

geboren op [datum] 1965.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 januari 2012 en ter terechtzitting van 26 juni 2012.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.M. van der Linden, advocaat te Waddinxveen, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. N. Coenen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en ten aanzien van het hem bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage I aan dit vonnis is gehecht) onder 1 en 2 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat het onder 3 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 februari 2011 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een geheven bijl (met volle kracht) een hakkende/neerwaartse beweging in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 287 Wetboek van Strafrecht

art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 februari 2011 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een geheven bijl (met volle kracht) een hakkende/neerwaartse beweging in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] gemaakt, althans die bijl boven/in de nabijheid van het hoofd van die [slachtoffer] gehouden;

art. 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 20 februari 2011 te Alphen aan den Rijn, (een) wapen(s) van categorie IV heeft gedragen, te weten een bijl en/of een keukenmes, in elk geval (een) voorwerp(en), waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat/die voorwerp(en) werd(en) aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat/die voor geen ander doel was/waren bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat/die niet onder een van de andere categorieën viel(en);

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daarin in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art. 27 lid 1 Wet wapens en munitie

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat:

1 subsidiair.

hij op 20 februari 2011 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een bijl boven het hoofd van die [slachtoffer] gehouden;

2.

hij op 20 februari 2011 te Alphen aan den Rijn, wapens van categorie IV heeft gedragen, te weten een bijl en een keukenmes.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

Strafbaarheid van verdachte.

Verdachte heeft op 20 februari 2011 in ernstig verwarde toestand, met een hakbijl in zijn hand en keukenmes in zijn zak, zijn woning verlaten. Verdachte is vervolgens naar de woning van een (willekeurige) buurtbewoner, die op dat moment zijn deur opende, gerend en heeft daar de hakbijl in de nabijheid van het hoofd van deze buurtbewoner gehouden. Deze buurtbewoner heeft door zeer adequaat optreden een ernstige afloop van het handelen van verdachte weten te voorkomen. Verdachte heeft over zijn handelen verklaard dat hij niet de bedoeling heeft gehad om de bijl te gebruiken of te dreigen, maar slechts zichzelf wilde verdedigen tegen de politie. Verdachte zou naar de woning van de buurtbewoner zijn gerend, omdat hij zichzelf daar in veiligheid wilde stellen voor de politie.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 december 2011, waaruit blijkt dat verdachte in juni 2006 door de politierechter voor soortgelijke feiten als de onderhavige is ontslagen van alle rechtsvervolging en aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

De rechtbank heeft kennis genomen van de gedragsrapportages die over verdachte zijn uitgebracht van psycholoog W.J.L. Lander, van 22 mei 2012, en van psychiater B.J.H. van der Hoeven en psychiater i.o. J. Looijestijn, van 10 mei 2012.

Psychiater Van der Hoeven en psychiater i.o. Looijestijn concluderen in hun rapport dat er verdachte lijdt aan schizofrenie van het paranoïde type. Daarnaast is sprake van misbruik van cannabis. Ten tijde van het ten laste gelegd was er bij verdachte sprake van paranoïde wanen, grootheidswanen, versneld denken en een labiel en inadequaat affect, hetgeen duidt op een manisch-psychotisch toestandsbeeld. De bijpassende ontremming van het denken en gevoelsleven kan het expansieve en gevaarlijke gedrag van verdachte goed verklaren. Het ten laste gelegde betreft een gedraging die verdachte niet zou vertonen in zijn gezonde toestand. De gedraging kwam voort uit het feit dat hij zich ernstig bedreigd voelde ten gevolge van paranoïde wanen en zijn gedrag en emoties ontregeld waren door de aanwezige manische psychose. Zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde kunnen volledig vanuit de ziekelijke stoornis verklaard worden. Geadviseerd wordt dan ook om verdachte voor het hem ten laste gelegde ontoerekeningsvatbaar te achten.

Psycholoog Lander concludeert in zijn rapport dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld in het kader van paranoïde schizofrenie. Daarnaast is sprake van misbruik van cannabis. Ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld, waardoor de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte zijn beïnvloed. Verdachte heeft zijn wil en gedrag niet in vrijheid kunnen bepalen en dient dan ook als ontoerekeningsvatbaar ten aanzien van het ten laste gelegde te worden beschouwd.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusies. Zij is van oordeel dat op grond van de voornoemde rapporten, het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting, voldoende is komen vast te staan dat de bewezen verklaarde feiten verdachte wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet zijn toe te rekenen en verdachte derhalve niet strafbaar is. Verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Opleggen van een maatregel?

Uit de rapportages maakt de rechtbank voorts het volgende op.

Psychiater Van der Hoeven en psychiater i.o. Looijestijn merken op dat het met het oog op recidive van belang is dat verdachte zich niet onttrekt aan zijn behandeling. Zij achten de kans op een nieuwe psychotische decompensatie zeer klein, indien verdachte zijn voorgeschreven medicatie blijft gebruiken. 'Een stok achter de deur' zou voor verdachte nodig zijn om te garanderen dat hij behandeltrouw blijft, hetgeen gerealiseerd zou kunnen worden door de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarop kort na de plaatsing een voorwaardelijk ontslag zou moeten volgen.

Psycholoog Lander beschrijft dat verdachtes psychiatrische stoornis chronisch van aard is en zeer langdurige behandeling en begeleiding behoeft. Verdachte toont zich gemotiveerd voor behandeling en begeleiding. Bij de psychiatrische stoornis van verdachte is passend het gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht. Hierdoor bestaat de kans dat verdachte niet (meer) gemotiveerd is voor een psychiatrische behandeling, stopt met zijn antipsychotische medicatie en het huidige contact met GGZ Rijnstreek verbreekt. Om de kans op recidive te verminderen, is het van belang dat verdachte zich niet kan onttrekken aan behandeling. Behandeling dient dan ook in een verplicht juridisch kader plaats te vinden. Gelet op het voorgaande, kan de maatregel van TBS met voorwaarden overwogen worden, waarbij als één van de voorwaarden geldt dat verdachte zich houdt aan de behandel- en begeleidingsafspraken met GGZ Rijnstreek. De reclassering heeft echter aangegeven dat verdachte zich naar alle waarschijnlijkheid niet zal kunnen houden aan de abstinentie van cannabis, hetgeen als basisvoorwaarde bij deze maatregel is vastgesteld. Bij overtreding van deze basisvoorwaarde zou verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging opgelegd krijgen, hetgeen naar de mening van de psycholoog niet noodzakelijk is. Om een langdurige behandeling te waarborgen, kan als alternatief de maatregel van artikel 37 Sr worden overwogen.

Voorts is er door de reclassering een voorlichtingsrapport d.d. 21 mei 2012 over verdachte opgemaakt. In dit rapport geeft [...], reclasseringwerker, aan dat verdachte na het plegen van het ten laste gelegde in februari 2011 gedwongen is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis met een inbewaringstelling en vervolgens een rechterlijke machtiging. Verdachte heeft zich sinds die tijd coöperatief opgesteld en functioneert thans op redelijk niveau. Verdachte toont inzicht in zijn ziektebeeld en begrijpt dat medicatie noodzakelijk is om op een redelijke manier te functioneren. Verdachte is begin dit jaar vrijwillig twee maanden opgenomen geweest om goed ingesteld te worden op medicatie. Verdachte ontvangt momenteel een poliklinische behandeling en medicatieafstemming bij GGZ Rijnaarde, alsmede ambulante begeleiding thuis.

Gezien het ziektebeeld van verdachte is gebleken dat het noodzakelijk is dat verdachte in beeld blijft bij de GGZ en zijn medicatie blijft innemen. Direct na het plegen van ten laste gelegde op 20 februari 2011 zou het meest passende advies een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr zijn geweest. De opname van verdachte is echter thans al achter de rug, verdachte is inmiddels thuis en functioneert goed. Het opleggen van TBS met voorwaarden heeft geen toegevoegde waarde. Daarbij zal het voor verdachte, gelet op zijn cannabisgebruik, zeer moeilijk worden zich aan de voorwaarden te houden.

Gelet op de door de psychiater en psycholoog vastgestelde ontoerekeningsvatbaarheid ten tijde van het ten laste gelegde sluit de reclassering zich aan bij het advies om de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr op te leggen.

De rechtbank leidt uit de hiervoor genoemde rapportages af dat het noodzakelijk noch gewenst is dat verdachte thans opnieuw klinisch wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Verdachte functioneert thuis naar behoren en is stevig ingebed in de zorg.

De rechtbank begrijpt voormelde adviezen aldus dat een voorwaardelijke plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gewenst is. Daarvoor biedt het strafrecht - in tegenstelling tot het civiele recht - evenwel geen basis. De strafrechter kan evenmin in het vonnis bepalen dat - zoals door de psychiater wordt voorgestaan - na een korte opname in een psychiatrisch ziekenhuis een voorwaardelijk ontslag moet volgen. De maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis geldt gelet op het bepaalde in artikel 37 Sr voor een termijn van één jaar; slechts de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis is ingevolge artikelen 48 en 49 van de Wet BOPZ bevoegd tot voorwaardelijk ontslag uit de kliniek. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in onderhavige situatie oneigenlijk is om aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen. Ten slotte verenigt de rechtbank zich met de conclusie van de deskundigen dat de oplegging van TBS met voorwaarden niet gewenst is.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank aan verdachte geen straf of maatregel zal opleggen.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen (te weten: bijl en mes) onttrekken aan het verkeer.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is vastgesteld dat strafbare feiten zijn begaan, welke feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

De rechtbank heeft geen kennisgeving van inbeslagneming aangetroffen betreffende de op de beslaglijst onder 3 genoemde muts. Zij gaat er daarom vanuit dat dit voorwerp per abuis op de beslaglijst van verdachte is vermeld.

De toepasselijke wetsartikelen.

36b, 36c, 62 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

27, 54 Wet Wapens en Munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart verdachte voor deze feiten niet strafbaar;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten: bijl en mes.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J.J.M. Weijnen, voorzitter,

mrs. R. Elkerbout en G.M.G. Hink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.I. Hendricks, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2012.