Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0961

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-07-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
421040 / KG ZA 12-604
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen executoriaal beslag kan worden gelegd op de goederen van het COA, omdat deze bestemd zijn voor de openbare dienst (artikel 436 Rv). Dat het COA in de onderhavige situatie misbruik van recht maakt, waardoor het COA de bescherming van artikel 436 Rv niet zou kunnen inroepen, is (vooralsnog) niet gebleken. Nu mevrouw Albayrak geen executoriaal beslag zal kunnen leggen op voornoemde goederen en het COA heeft toegezegd (een) dwangsom(men) aan mevrouw Albayrak te voldoen wanneer de verschuldigdheid daarvan middels een bodemprocedure zal zijn vastgesteld, ontbreekt naar voorlopig oordeel het belang van het COA bij toewijzing van zijn vorderingen, zodat deze zullen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 421040 / KG ZA 12-604

Vonnis in kort geding van 2 juli 2012

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon, het zelfstandig bestuursorgaan

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,

eiser,

advocaat mr. H. Uhlenbroek te Amsterdam,

tegen:

[mevrouw Albayrak]

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

advocaat mr. A.P.J.M. Verbeek te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Albayrak' en 'het COA'.

1. Het procesverloop

1.1. Het COA heeft Albayrak op 15 juni 2012 doen dagvaarden om op 25 juni 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Albayrak heeft bij brief van 14 juni 2012 aan de voorzieningenrechter verzocht om de behandeling van deze zaak over te dragen aan een collega, omdat er sprake zou zijn van een schijn van belangenverstrengeling en derhalve van partijdigheid. Bij brief van 15 juni 2012 is namens de voorzieningenrechter aan Albayrak bericht, dat aan voornoemd verzoek geen gehoor zal worden gegeven, omdat de genoemde schijn van partijdigheid in de gegeven omstandigheden voorshands niet wordt aangenomen.

1.2. Albayrak heeft bij faxbrief met bijlagen van 19 juni 2012 aan de wrakingskamer van deze rechtbank een verzoek tot wraking van de voorzieningenrechter ingediend. Op 22 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter zijn schriftelijke reactie op voornoemd wrakingsverzoek aan de wrakingskamer doen toekomen. Het wrakingsverzoek van Albayrak is ter openbare zitting van de wrakingskamer op 25 juni 2012 om 9:00 uur behandeld. Na de behandeling heeft de wrakingskamer spoedshalve de beslissing ter zitting uitgesproken en is het wrakingsverzoek afgewezen.

1.3. Na de uitspraak van de wrakingskamer heeft de behandeling van het kort geding tussen het COA en Albayrak op 25 juni 2012 plaatsgevonden. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 juni 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Albayrak is vanaf 2001 werkzaam bij het COA, laatstelijk in de functie van Algemeen Directeur.

2.2. Bij brief van 27 september 2011 is door de Raad van Toezicht van het COA aan Albayrak meegedeeld dat zij per direct op non-actief wordt gesteld hangende het onderzoek naar salarisbetalingen en vergoedingen binnen het COA.

2.3. De heer G.B.M. Leers, minister voor Immigratie en Asiel (hierna: Minister Leers), heeft bij brief van 30 september 2011 aan de Tweede Kamer bericht dat er een onafhankelijk onderzoek naar het COA zal worden verricht.

2.4. Het COA heeft Albayrak op 11 oktober 2011 (opnieuw) bericht, dat zij op non-actief wordt gesteld in afwachting van de uitkomst van het onder 2.3 bedoelde onafhankelijk onderzoek.

2.5. Albayrak heeft in een kortgedingprocedure gevorderd dat de op non-actiefstellingen van 27 september 2011 en 11 oktober 2011 worden opgeheven. Bij vonnis van 19 oktober 2011 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Albayrak afgewezen. Albayrak is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

2.6. Minister Leers heeft bij Instellingsbesluit commissie van onderzoek COA van 25 november 2011 de Commissie van onderzoek Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Commissie Scheltema) ingesteld. In voornoemd besluit is in artikel 2 opgenomen dat de Commissie Scheltema tot taak heeft om onderzoek te doen naar het functioneren van het COA gericht op het werkklimaat, de bestuursstructuur en de gang van zaken rondom de salariëring van de directieleden van het COA. Daarnaast heeft de Commissie Scheltema volgens dit artikel de taak om aanbevelingen te doen over maatregelen die genomen kunnen worden indien verbeteringen nodig en mogelijk zijn voor een optimaal functioneren van het COA als onderdeel van de vreemdelingenketen.

2.7. Bij arrest van 10 januari 2012 (hierna: het Arrest) heeft het gerechtshof 's-Gravenhage het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 19 oktober 2011 vernietigd en onder meer de op non-actiefstelling van 11 oktober 2011 opgeheven en het COA veroordeeld om Albayrak toe te laten tot haar gebruikelijke werkzaamheden met ingang van veertien dagen na betekening van dat arrest, maar in ieder geval niet eerder dan met ingang van 1 maart 2012 op straffe van een dwangsom. Albayrak heeft het Arrest op 9 februari 2012 aan het COA laten betekenen.

2.8. In opdracht van (de ondernemingsraad van) het COA is op 30 januari 2012 de "rapportage inzake een onderzoek naar sociaal en emotionele veiligheid op het werk" van Bezemer & Kuiper verschenen.

2.9. De Commissie Scheltema heeft het COA op 20 februari 2012 een aantal vragen voorgelegd die verband hielden met het (mogelijk) gebruik van de dienstauto van Albayrak voor privédoeleinden. Het COA heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) opdracht verleend onderzoek te doen om deze vragen van de Commissie Scheltema te beantwoorden.

2.10. Naar aanleiding van het Arrest zijn het COA en Albayrak met elkaar in overleg getreden. Dit overleg heeft erin geresulteerd dat partijen op 23 februari 2012 onder meer hebben afgesproken dat Albayrak haar werkzaamheden in afwachting van het rapport van de Commissie Scheltema tot 1 april 2012 zou opschorten en over de periode 1 maart 2012 tot 1 april 2012 geen aanspraak zou maken op dwangsommen op grond van het Arrest.

2.11. Hoffmann heeft op 8 maart 2012 haar conceptrapport aan het COA uitgebracht.

2.12. Albayrak heeft op 9 maart 2012, nadat zij en haar advocaten een geheimhoudingsverklaring hadden ondertekend, delen van het conceptrapport met de daarbij behorende bijlagen van de Commissie Scheltema ontvangen.

2.13. Albayrak heeft de Commissie Scheltema op 16 maart 2012 gedagvaard om in kort geding voor deze rechtbank te verschijnen en onder meer gevorderd dat alle aan het conceptrapport ten grondslag liggende informatie aan haar zal worden afgegeven en de publicatie van het conceptrapport zal worden verboden totdat aan Albayrak wederhoor is geboden en zij daartoe is overgegaan.

2.14. Het COA heeft Albayrak op 19 maart 2012 verzocht om verlenging van de op 23 februari 2012 tussen partijen gemaakte afspraken.

2.15. Bij vonnis van 26 maart 2012 zijn de onder 2.13 bedoelde door Albayrak ingestelde vorderingen afgewezen. Albayrak is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft voornoemd vonnis bij arrest van 4 april 2012 bekrachtigd.

2.16. Het COA heeft aan Albayrak bij brief van 27 maart 2012 bericht dat het voornemens is om Albayrak met ingang van 1 april 2012 voor de duur van twee weken op non-actief te stellen, tenzij Albayrak uiterlijk op 28 maart 2012 zou verklaren dat zij van werkhervatting en haar aanspraak op (een) dwangsom(men) ingevolge het Arrest af zou zien tot tien dagen nadat het rapport van de Commissie Scheltema aan het COA ter beschikking zou zijn gesteld en besluitvorming naar aanleiding van het rapport zou hebben plaatsgevonden.

2.17. Het COA heeft Albayrak bij brief van 29 maart 2012 bericht dat zij met ingang van 1 april 2012 voor de duur van twee weken op non-actief wordt gesteld.

2.18. Bij exploot van 4 april 2012 heeft Albayrak, daarbij woonplaats kiezende te Amsterdam aan het adres van Swier c.s. Gerechtsdeurwaarders, aan het COA aangezegd dat zij vanaf 1 april 2012 aanspraak maakt op de door het COA ingevolge het Arrest verbeurde dwangsommen. Verder heeft Albayrak middels dit exploot aan het COA bevel laten doen om binnen twee dagen een bedrag van € 23.197,45 aan haar te betalen.

2.19. Begin april 2012 heeft Hoffmann zijn eindrapport aan het COA doen toekomen.

2.20. Het COA heeft aan Albayrak bij brief van 11 april 2012 kenbaar gemaakt dat de opgelegde non-activiteit met ingang van 15 april 2012 zal worden verlengd voor de duur van twee weken, tenzij Albayrak uiterlijk op 12 april 2012 zou verklaren van werkhervatting en haar aanspraak op (een) dwangsom(men) ingevolge het Arrest af te zien tot tien dagen nadat het rapport van de Commissie Scheltema aan het COA ter beschikking zou zijn gesteld en besluitvorming naar aanleiding van het rapport zou hebben plaatsgevonden.

2.21. Bij brief van 13 april 2012 heeft het COA aan Albayrak bericht dat de aan haar opgelegde non-activiteit met ingang van 15 april 2012 voor de duur van twee weken wordt verlengd.

2.22. Albayrak heeft bij exploot van 16 april 2012, daarbij woonplaats kiezende te Amsterdam aan het adres van Swier c.s. Gerechtsdeurwaarders, aan het COA aangezegd dat zij vanaf 1 april 2012 aanspraak maakt op de door het COA ingevolge het Arrest verbeurde dwangsommen. Verder heeft Albayrak middels dit exploot aan het COA bevel laten doen om binnen twee dagen een bedrag van € 83.293,02 aan haar te betalen.

2.23. Op 17 april 2012 heeft de Commissie Scheltema haar definitieve bevindingen aan Minister Leers gerapporteerd. Het COA heeft op 18 april 2012 kennis genomen van deze bevindingen.

2.24. Het COA heeft bij brief van 18 april 2012 het volgende - voor zover hier van belang - aan Albayrak bericht:

"(...)

5.1. Voor u geldt een opzegtermijn van drie maanden. Het COA is voornemens het dienstverband met ingang van 23 april 2012 op te zeggen, onder uitbetaling van het volledige salaris dat u bij voortzetting van het dienstverband zou hebben genoten, indien het dienstverband zou zijn opgezegd met ingang van 1 augustus 2012. Het daarmee gemoeide bedrag wordt u deze maand uitgekeerd.

5.2. In plaats van de onder 5.1 bedoelde opzegging is het COA bereid het dienstverband op te zeggen met ingang van 1 augustus 2012, mits u uiterlijk op 20 april 2012 te 12.00 uur schriftelijk heeft verklaard vanaf 1 april 2012 af te zien van uw eventuele aanspraak op werkhervatting en daarmee van (een) dwangsom(men) ingevolge het arrest van het Hof Den Haag van 10 januari 2012.

Het COA stelt u hierbij in de gelegenheid uw zienswijze met betrekking tot dit voornemen te geven en nodigt u daartoe uit voor een gesprek met mevrouw Kalsbeek op 19 april 2012, te 16.00 uur. (...)"

2.25. Het COA heeft bij brief van 20 april 2012 het dienstverband met Albayrak opgezegd met ingang van 23 april 2012.

2.26. Albayrak heeft bij exploot van 15 mei 2012, daarbij woonplaats kiezende te Amsterdam aan het adres van Swier c.s. Gerechtsdeurwaarders, aan het COA aangezegd dat zij vanaf 1 april 2012 aanspraak maakt op de door het COA ingevolge het Arrest verbeurde dwangsommen. Verder heeft Albayrak middels dit exploot aan het COA bevel laten doen om binnen twee dagen een bedrag van € 228.388,59 aan haar te betalen.

2.27. Albayrak heeft bij exploot van 4 juni 2012, daarbij woonplaats kiezende te 's-Gravenhage aan het adres van gerechtsdeurwaarder mr. J.A. de Swart, aan het COA aangezegd dat zij vanaf 1 april 2012 aanspraak maakt op de door het COA ingevolge het Arrest verbeurde dwangsommen. Verder heeft Albayrak middels dit exploot aan het COA bevel laten doen om binnen twee dagen een bedrag van € 325.459,02 aan haar te betalen.

3. Het geschil

3.1. Het COA vordert - zakelijk weergegeven - dat Albayrak:

primair: wordt verboden om onmiddellijk na betekening van dit vonnis verdere executiemaatregelen te nemen naar aanleiding van het Arrest;

subsidiair: wordt toegestaan het Arrest slechts te executeren onder de voorwaarde dat zij een bankgarantie stelt ten behoeve van het COA voor het te executeren bedrag en het te executeren bedrag te maximeren op een bedrag van € 110.000,--.

3.2. Daartoe stelt het COA - samengevat - het volgende. Na het Arrest hebben zich nieuwe feiten voorgedaan waardoor Albayrak, mede gelet op de op non-actiefstelling van 29 maart 2012 en de verlenging daarvan op 13 april 2012, geen rechten meer aan het Arrest kan ontlenen. Zo is na het Arrest het onderzoek van Bezemer & Kuiper naar de sociaal emotionele veiligheid binnen het COA gereed gekomen. Dit onderzoek gaf vooralsnog aanleiding om te veronderstellen dat een terugkeer van Albayrak bij het COA voor veel onrust zou zorgen onder het personeel. Vervolgens gaf het eindrapport van Hoffmann begin april 2012 gegronde reden om de integriteit van Albayrak in twijfel te trekken. Daarnaast liep het onderzoek dat werd uitgevoerd door de Commissie Scheltema vertraging op doordat deze commissie door Albayrak in een kortgedingprocedure werd betrokken. Dientengevolge heeft Albayrak in strijd met de jegens het COA te betrachten redelijkheid en billijkheid gehandeld door de tussen partijen op 23 februari 2012 gemaakte afspraken niet te willen verlengen totdat de Commissie Scheltema haar rapport openbaar had gemaakt en besluitvorming naar aanleiding van dit rapport had kunnen plaatsvinden. In het bijzonder deze nieuwe feiten maken de terugkeer van Albayrak in een functie bij het COA onaanvaardbaar. Het COA zag zich door een en ander genoodzaakt Albayrak opnieuw op non-actief te stellen en uiteindelijk het dienstverband met ingang van 23 april 2012 te beëindigen. De in het Arrest opgelegde dwangsommen zijn gelet op het vorenstaande niet door het COA verbeurd.

Het COA is een publiekrechtelijk lichaam met op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COA) aan hem opgedragen publiekrechtelijke taken. Om deze taken te kunnen uitvoeren krijgt het COA subsidie die ten laste komt van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Alle goederen van het COA, waaronder zijn banktegoeden, zijn bestemd voor de uitoefening van de aan hem opgedragen taken (samengevat: de opvang van asielzoekers) en daarmee bestemd voor de openbare dienst. Dit geldt voor onder meer de gebouwen die het COA gebruikt voor huisvesting van zijn centraal bureau en voor de opvang van asielzoekers, de inboedel van deze gebouwen en zijn banktegoeden. Laatstgenoemde banktegoeden zijn bedoeld om de financiële verplichtingen na te komen die het COA op grond van zijn wettelijke taken is aangegaan. De hiervoor bedoelde goederen zijn derhalve alle bestemd voor de openbare dienst, zodat het voor Albayrak ingevolge artikel 436 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) niet is toegestaan om hierop executoriaal beslag te laten leggen. Indien executoriale beslaglegging op voornoemde goederen zou plaatsvinden, zou het COA ernstig in de uitoefening van zijn taken worden belemmerd.

Over de al dan niet verschuldigdheid van de in het Arrest opgelegde dwangsommen zal pas duidelijkheid bestaan als de rechter in een bodemprocedure daarover heeft geoordeeld. Het COA zal hiertoe een procedure entameren. Als het COA in deze procedure wordt veroordeeld tot betaling, dan zal het aan die veroordeling vanzelfsprekend gehoor geven. Als publiekrechtelijk lichaam is het COA hiertoe ook in staat. Het COA heeft in ieder geval - voor zover het al tot betaling van (een) dwangsom(men) gehouden zou zijn - na beëindiging van het dienstverband van Albayrak per 23 april 2012 geen dwangsommen meer verbeurd.

3.3. Albayrak voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Albayrak heeft voor alle weren betoogd dat het COA het executiegeschil niet bij de voorzieningenrechter te 's-Gravenhage, maar bij de voorzieningenrechter te Rotterdam aanhangig had moeten maken. Daartoe voert zij aan dat artikel 439 lid 3 Rv weliswaar bepaalt dat een executant tot het einde van de executie woonplaats moet kiezen ten kantore van de deurwaarder, maar dat deze verplichte woonplaatskeuze geen invloed heeft op de competentie van de rechter en geen woonplaats in de zin van artikel 99 Rv behelst. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 99 Rv is de voorzieningenrechter te Rotterdam, alwaar de woonplaats van Albayrak is gelegen, bevoegd om van de vorderingen van het COA kennis te nemen. Het COA dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard (de voorzieningenrechter begrijpt: de voorzieningenrechter te 's-Gravenhage is relatief onbevoegd om van de vorderingen van het COA kennis te nemen), aldus Albayrak.

4.2. Vooropgesteld wordt dat overeenkomstig de hoofdregel van artikel 99 Rv de voorzieningenrechter van de woonplaats van de gedaagde (Albayrak) bevoegd is om van de vorderingen van de eiser (het COA) kennis te nemen. De in dit artikel bedoelde woonplaats dient te worden bepaald aan de hand van hetgeen daarover is opgenomen in de artikelen 1:10 tot en met 1:15 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens laatstgenoemd artikel kan een persoon een andere woonplaats dan zijn werkelijke slechts kiezen (onder meer) wanneer de wet hem daartoe verplicht. Een dergelijke wettelijke verplichting is opgenomen in artikel 439 lid 3 Rv. Dat artikellid bepaalt immers dat een executant (Albayrak) bij bevel of betekening tot het uiteinde van de executie woonplaats moet kiezen op het kantoor van de deurwaarder, zulks op straffe van nietigheid van het exploot. Albayrak heeft in het laatste namens haar jegens het COA uitgebrachte exploot van 4 juni 2012 (zie onder 2.27) woonplaats gekozen bij een deurwaarder te 's-Gravenhage. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van deze rechtbank (relatief) bevoegd om van de bij dagvaarding van 15 juni 2012 ingestelde vorderingen van het COA kennis te nemen, zodat het verweer van Albayrak op dit punt niet opgaat.

4.3. Vervolgens geldt dat het belang van het COA bij het instellen van zijn vorderingen in beginsel voldoende aannemelijk is gemaakt, nu Albayrak ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat zij het executoriaal beslag, dat zij voornemens was op grond van het Arrest ten laste van het COA op diens banktegoeden te laten leggen, heeft opgeschort in afwachting van de uitkomst van deze kortgedingprocedure. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het hiervoor bedoelde (executoriaal) beslag echter niet gelegd zal kunnen worden op de goederen van het COA, omdat deze bestemd zijn voor de openbare dienst (artikel 436 Rv). Daartoe is het volgende redengevend. Het COA is een zelfstandig bestuursorgaan dat op grond van artikel 3 lid 1 van de Wet COA is belast met - samengevat - de opvang van asielzoekers. Ter uitvoering van zijn taken ontvangt het COA subsidie, die hem feitelijk ter beschikking wordt gesteld door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (artikel 16 Wet COA). Albayrak heeft niet weersproken dat het COA geen andere (financiële) middelen tot zijn beschikking heeft staan en vaststaat voorts dat het COA geen andere activiteiten verricht dan aan hem is opgedragen bij de Wet COA. Evenmin is door Albayrak betwist dat alle goederen die eigendom zijn van het COA, waaronder diens banktegoeden, ingezet worden voor de uitoefening van deze wettelijke taken en daarmee bestemd zijn voor de openbare dienst. Zoals hiervoor al weergegeven bepaalt artikel 436 Rv dat beslag niet mag worden gelegd op goederen bestemd voor de openbare dienst, waardoor het door Albayrak voorgenomen executoriaal beslag in beginsel niet rechtsgeldig zal kunnen worden gelegd.

4.4. Albayrak heeft in dit kader nog verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 27 mei 2009, LJN BI5222. Die verwijzing gaat in dit geval echter niet op. In voornoemde uitspraak heeft de hiervoor bedoelde voorzieningenrechter namelijk vooropgesteld dat er sprake was van goederen die bestemd waren voor de openbare dienst als bedoeld in artikel 436 Rv zodat daarop geen beslag kon worden gelegd, maar naar voorlopig oordeel kwam de gemeente Sneek geen beroep toe op de beschermende werking van dat artikel, omdat er sprake was van betalingsonwil van de zijde van deze gemeente. De gemeente Sneek was bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard scheidsrechterlijk vonnis, dat inmiddels kennelijk onherroepelijk was en waarop een exequatur was verleend, tot betaling veroordeeld. Desalniettemin weigerde de gemeente Sneek tot betaling over te gaan. Voornoemde voorzieningenrechter heeft in dat verband vervolgens geoordeeld dat de bescherming van artikel 436 Rv door de gemeente Sneek enkel werd ingeroepen ter afwending van de nakoming van haar betalingsverplichtingen waardoor zij misbruik van recht maakte. Het COA heeft in deze procedure (onweersproken) herhaaldelijk betoogd, dat als in de bodemprocedure, die door hem aanhangig zal worden gemaakt, zal worden geoordeeld dat het (een) dwangsom(men) verbeurd heeft en daarom tot betaling zal worden veroordeeld, het die veroordeling zal en kan nakomen. Dat het COA in de onderhavige situatie misbruik van recht maakt, waardoor het COA de bescherming van artikel 436 Rv niet zou kunnen inroepen, is dan ook (vooralsnog) niet gebleken.

4.5. Nu Albayrak geen executoriaal beslag zal kunnen leggen op de goederen van het COA (artikel 436 Rv) en het COA heeft toegezegd (een) dwangsom(men) aan Albayrak te voldoen wanneer de verschuldigdheid daarvan middels een bodemprocedure zal zijn vastgesteld, ontbreekt naar voorlopig oordeel het belang van het COA bij toewijzing van zijn vorderingen, zodat deze zullen worden afgewezen. Gelet op dit oordeel behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer.

4.6. Het COA zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt het COA in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Albayrak begroot op € 1.083,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 267,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2012.