Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0861

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
09-900882-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot moord. Ontslag van alle rechtsvervolging. De rechtbank kan zich niet verenigen met het advies van de deskundigen dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zou moeten worden geplaatst en legt TBS met voorwaarden op. Verdachte is, terwijl hij in een psychose verkeerde, bij een ziekenhuis met een mes achter een ambulance aangelopen. Nadat de chauffeur de ambulance in de sluis had geparkeerd en was uitgestapt, is verdachte naar hem toegelopen en heeft hij hem zonder enige aanleiding meermalen (in de arm en linkerzij) gestoken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/900882-11

Datum uitspraak: 9 juli 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]),

adres: [adres],

thans preventief gehecht in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Scheveningen.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 30 maart 2012 en 25 juni 2012.

Bij tussenvonnis d.d. 6 april 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde zich nader te doen voorlichten omtrent een mogelijke invulling van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden, in de vorm van een maatregelrapport.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A. Willemse en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.J. van Duijne Strobosch, advocaat te 's-Gravenhage, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 oktober 2011, te [plaats], ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [X] van het leven te beroven, met dat opzet en/of al dan niet na rustig overleg en kalm beraad, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) gestoken in het lichaam en/of de arm van die [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 oktober 2011 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [X], opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, heeft hij, verdachte, met dat opzet en/of na rustig overleg en kalm beraad, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) gestoken in het lichaam en/of de arm van die [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 303 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Inleiding

Verdachte heeft bekend dat hij op 1 oktober 2011 een chauffeur van een ambulance meermalen met een mes heeft gestoken. Gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte niet strafbaar is.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan één van de ten laste gelegde feiten en, zo ja, of dit aan verdachte kan worden toegerekend. Indien een feit bewezen kan worden verklaard en dit niet aan verdachte kan worden toegerekend, dient de vraag te worden beantwoord of een maatregel dient te worden opgelegd en, zo ja, welke.

4. Bewijsoverwegingen

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Het primair ten laste gelegde kan niet bewezen worden verklaard, omdat bij verdachte de opzet op het doden van het slachtoffer heeft ontbroken. Het subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden verklaard, omdat het letsel gering was.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging1

Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 maart 2012 bekend dat hij op 1 oktober 2011 [X] in de ambulancesluis van het ziekenhuis te [plaats] met een mes te lijf is gegaan. Hij heeft verklaard dat hij rechtstreeks vanuit zijn huis naar het ziekenhuis is gelopen, dat hij naar die [X] is toegelopen, nadat deze uit de ambulance was gestapt, en dat hij een mes, dat hij van huis had meegenomen, uit zijn trui heeft gepakt en die [X] onderlangs ter hoogte van zijn maag heeft gestoken.2

Een verbalisant heeft [X] korte tijd na het incident op 1 oktober 2011 gesproken. [X] heeft toen verklaard dat hij bij het binnenrijden van de ambulance zag dat een man de ambulancesluis binnenging. Deze man kwam direct op hem aflopen en haalde een groot mes uit zijn binnenzak. Vervolgens werd [X] door deze man in zijn arm en zij gestoken. Hierna werd deze man door [X] en de beveiliging overmeesterd.3

Het door verdachte gebruikte mes heeft een lemmet van ongeveer 175 mm.4

Een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft de verwondingen van [X] en het door verdachte gebruikte mes onderzocht en heeft het volgende bevonden. Het letsel in de linkerflank van [X] kan zeer wel zijn veroorzaakt door een langs de linkerflank schampende inwerking van een puntig voorwerp, zoals bijvoorbeeld het door verdachte gebruikte mes. Het steken in de linkerflank, zoals waargenomen bij [X], met een scherprandig voorwerp, zoals het door verdachte gebruikte mes, afhankelijk van de richting en de diepte van het dan opgeleverde letsel, kan leiden tot meer of minder acuut levensbedreigende letsels door schade aan vitale structuren en organen en/of acuut bloedverlies. Daarnaast zouden, indien de (steriele) buikholte, borstholte en/of de ruimte achter de buikholte met een dergelijk scherprandig voorwerp zouden worden geperforeerd, op iets langere termijn ernstige en potentieel levensbedreigende complicaties kunnen optreden op basis van besmetting met micro-organismen.5

Opzet

Verdachte heeft een groot mes in zijn hand genomen en heeft daarmee op korte afstand meermalen gestoken in de richting van [X]. Hij heeft [X] daarbij ook daadwerkelijk meermalen geraakt. De deskundige van het NFI heeft in zijn rapport aangegeven dat het steken onder de gegeven omstandigheden kan leiden tot meer of minder acuut levensbedreigende letsels door schade aan vitale structuren en organen of acuut bloedverlies. Hieruit volgt dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door te steken [X] op een vitale plaats zou raken. De rechtbank verwerpt dus het verweer van de raadsman en acht bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van [X].

Voorbedachte raad

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met een groot mes op zak rechtstreeks van zijn huis naar het ziekenhuis is gelopen en dat hij [X] direct na het arriveren van de ambulance bij het ziekenhuis meermalen heeft gestoken. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De besluitvorming en uitvoering hebben niet in plotselinge hevige drift plaatsgevonden. Verdachte heeft zich gedurende meerdere momenten kunnen beraden en heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte heeft aldus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord.

Onderzoekswensen verdediging

Ter terechtzitting van 30 maart 2012 heeft de raadsman gepersisteerd bij twee onderzoekswensen, die ter terechtzitting van 10 januari 2012 waren afgewezen. Nu zich na de terechtzitting van 10 januari 2012 geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die nopen tot een andere beslissing, handhaaft de rechtbank, mede gelet op artikel 322, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, haar eerdere afwijzing van dit verzoek onder verwijzing naar de motivering in het proces-verbaal ter terechtzitting van 10 januari 2012.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op 1 oktober 2011 te [plaats], ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [X] van het leven te beroven, met dat opzet en na rustig overleg en kalm beraad, met een mes meermalen heeft gestoken in het lichaam en de arm van die [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op dit punt aangesloten bij de officier van justitie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapporten van drs. B.E.A. van der Hoorn, psychiater, en van M.H. de Groot, GZ-psycholoog, van 17 december 2011.

Beide gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens in de vorm van een schizofreniforme stoornis en voorts dat sprake is van cannabisafhankelijkheid en van misbruik van alcohol. De deskundigen concluderen dat hiervan tevens sprake was ten tijde van het ten laste gelegde. De Groot licht toe dat vanwege de schizofreniforme stoornis zich paranoïde symptomatologie ontwikkelde, waarbij het gebruik van cannabis de psychotische symptomen mogelijk heeft versterkt. Verdachte had geen goed besef meer van de werkelijkheid en voelde zich niet veilig. Van der Hoorn onderschrijft dit. Verdachte dient volgens beide deskundigen als volledig ontoerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

De rechtbank volgt de conclusies van de gedragsdeskundigen op dit punt en maakt deze tot de hare.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bewezen verklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Verdachte zal op grond daarvan worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. De op te leggen maatregel

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij nader requisitoir ter terechtzitting van 25 juni 2012 gevorderd dat aan verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden wordt opgelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de rechtbank het advies van de psychiater en psycholoog overneemt, te weten dat verdachte zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Op zaterdag 1 oktober 2011 is verdachte bij een ziekenhuis met een mes achter een ambulance aangelopen. Nadat de chauffeur de ambulance in de sluis had geparkeerd en was uitgestapt, is verdachte naar hem toegelopen en heeft hij hem zonder enige aanleiding meermalen (in de arm en linkerzij) gestoken.

Het slachtoffer kon, toen verdachte met zijn mes op hem kwam aflopen, geen kant op. Hij was in de ambulancesluis ingesloten tussen de ambulance en een muur en vreesde voor zijn leven in deze door hem als veilig beschouwde omgeving. Hij is door dit gewelddadige incident een aantal maanden (gedeeltelijk) uit de running geweest en is voor het verwerken hiervan bij een psycholoog in therapie geweest.

Geweld tegen personen die zich beroepshalve in dienst stellen van mensen die zorg nodig hebben, onder wie verdachte zelf, dient scherp te worden veroordeeld. Dit soort feiten belemmert hulpverleners in de uitoefening van hun werk. Zij zullen zoals de ervaring leert, nog lang de emotionele gevolgen kunnen ondervinden.

Persoon en persoonlijkheid van verdachte

In eerder genoemd psychiatrisch rapport heeft Van der Hoorn geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een paranoïde psychotisch beeld, dat het gebruik van cannabis (in zijn algemeenheid, maar ook bij verdachte) een paranoïde psychose kan luxeren en dat verdachte geen ziektebesef heeft. Van der Hoorn acht het risico op agressief gedrag vanuit paranoïde wanen hoog en acht het noodzakelijk dat verdachte na zijn detentie een klinische psychiatrische behandeling ondergaat en wordt ingesteld op antipsychotische medicatie.

De Groot heeft in zijn psychologisch rapport deze conclusie onderschreven. Ook hij acht de kans op recidive groot indien verdachte niet adequaat wordt behandeld vanwege de psychotische symptomatologie.

Beide deskundigen hebben geadviseerd dat verdachte wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis voor een periode van maximaal één jaar, welke opname het beste kan plaatsvinden in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK).

Naar aanleiding van deze conclusies en aanbevelingen heeft de officier van justitie per brief van 5 maart 2012 aanvullende vragen aan de gedragsdeskundigen gesteld. De officier van justitie heeft onder meer gevraagd of TBS met voorwaarden geen betere (langdurigere) bescherming biedt van de samenleving tegen verdachte dan de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar en of het mogelijk is een invulling te geven aan een TBS met voorwaarden.

De psychiater Van der Hoorn heeft per faxbericht van 15 maart 2012 geantwoord dat hij de maatregel van terbeschikkingstelling wel heeft overwogen, maar dat hij deze maatregel ziet als een laatste redmiddel. Hij schat in dat het bereiken van een stabiel psychiatrisch beeld goed mogelijk is binnen de duur van de door hem geadviseerde maatregel. Het risico op een ernstig agressie-incident hangt af van de psychiatrische toestand van verdachte. Als hij paranoïde psychotisch is, is het risico op een agressie-incident groot. De wisselende therapietrouw is bij verdachte evident, maar is in de afgelopen maanden wel verbeterd. Uit de behandeling van verdachte de afgelopen maanden is duidelijk geworden dat het risico voor de samenleving goed is af te wenden wanneer verdachte is ingesteld op een adequate dosering van een antipsychotisch medicament. In de visie van Van der Hoorn is TBS met voorwaarden als zware maatregel niet noodzakelijk om het gevaar af te wenden. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is afdoende, na afloop waarvan zo nodig - bij aanhoudend gevaar - een civielrechtelijke machtiging (BOPZ) kan worden aangevraagd. Het voorgestelde zorgtraject kan overigens ook worden vormgegeven binnen een TBS met voorwaarden, aldus Van der Hoorn.

Psycholoog De Groot heeft op de nadere vragen in vergelijkbare zin geantwoord in zijn faxbericht van 26 maart 2012. Daarbij maakt hij wel de kanttekening dat de resultaten van de behandeling van verdachte tegenvallen en dat het zorgelijk is dat verdachte onlangs zijn medicatie is gaan weigeren. Hoewel een rechterlijke machtiging de samenleving voldoende bescherming biedt, is het geen garantie tegen terugval na afloop van een gedwongen plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis. In de visie van De Groot biedt een TBS met voorwaarden een betere bescherming van de maatschappij ten opzichte van een maatregel ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.

Reclassering Nederland heeft twee adviezen (van 20 december 2011 en 19 juni 2012) uitgebracht. In het laatste advies zijn de mogelijkheden van een TBS met voorwaarden onderzocht en uitgewerkt.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van verdachte, gedateerd 3 oktober 2011, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke geweldmisdrijven is veroordeeld.

Maatregel

De rechtbank kan zich niet verenigen met het advies van de deskundigen dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zou moeten worden geplaatst. Zij overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft het feit gepleegd op 1 oktober 2011. Hiervoor was er bij verdachte geen enkele ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens geconstateerd en was hij onbekend bij de psychiatrische hulpverlening. Uit de inhoud van het dossier blijkt echter dat zowel zijn gezin als zijn voormalige collega's bij de brandweer gedragsveranderingen bij verdachte hadden geconstateerd en zich grote zorgen over hem maakten. Verdachte heeft zelf verklaard dat zijn gebruik van cannabis in de maanden voorafgaand aan 1 oktober 2011 fors toenam en dat hij van het gebruik van cannabis onrustig wordt. De deskundigen hebben geconcludeerd dat het blowgedrag van verdachte een psychose kan veroorzaken en verergeren.

Op 1 oktober 2011 heeft verdachte een zeer ernstig feit gepleegd, terwijl hij in een psychose verkeerde. Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 maart 2012 verklaard dat hij geen besef heeft van die bewuste 1 oktober 2011. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat er zes jaar geleden een incident zou hebben plaatsgevonden waardoor verdachte een wrok zou hebben gehad tegen ambulancepersoneel, maar wat nu precies de (directe) aanleiding is geweest voor verdachte om die bewuste zaterdag met een mes naar de ambulancesluis te gaan, blijft onduidelijk.

Verdachte maakte na aanvang van zijn detentie op 1 oktober 2011 een verwarde indruk en werd om die reden op antipsychotische medicatie ingesteld, aanvankelijk met goed effect. Echter, verdachte heeft op een gegeven moment medicatie geweigerd, waardoor zijn achterdocht toenam en hij geladen, oninvoelbaar, dreigend en zelfs fysiek agressief werd. Als gevolg hiervan heeft verdachte langdurig in isoleerruimtes verbleven, is hij naar een hoog gestructureerde, psychiatrisch gespecialiseerde afdeling van de FOBA overgeplaatst (waar hij ook nauwelijks te handhaven was) en heeft hij meermalen ter waarborging van de veiligheid per injectie noodmedicatie toegediend gekregen. Pas toen verdachte half december 2011 weer medicatie accepteerde, was hij weer goed handelbaar. Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 maart 2012 verklaard dat hij wederom op eigen initiatief was gestopt met het nemen van medicatie, maar dat hij wel bereid was medicatie te nemen indien hij psychisch achteruit zou gaan. Op de vraag hoe hij zich voelde, heeft verdachte vervolgens geantwoord dat hij zich op het ene moment goed voelde en dat het op het andere moment ineens uit het niets slecht met hem kon gaan.

Beide deskundigen hebben geconcludeerd dat het bij verdachte aan ziektebesef ontbreekt. Zo heeft Van der Hoorn gerelateerd dat verdachte bij voortduring zijn uiterste best heeft gedaan hem ervan te overtuigen dat hij geen psychiatrische klachten heeft. Ook ter terechtzitting van 30 maart 2012 heeft verdachte verklaard dat hij zich niet kan voorstellen dat hij aan een schizofreniforme stoornis lijdt.

Een juiste dosering van antipsychotische medicatie en therapietrouw zijn volgens de deskundigen essentieel voor het afwenden van het recidiverisico.

De mededelingen van verdachte en de omstandigheid dat hij tegen het advies van zijn behandelaren in zelfstandig heeft besloten te stoppen met zijn medicatie acht de rechtbank, gelet op hetgeen de deskundigen hierover hebben geconcludeerd, zeer zorgelijk en risicoverhogend. Dat het nu schijnbaar goed gaat met verdachte is weliswaar een positieve ontwikkeling, maar doet daaraan niets af.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 maart 2012 weliswaar verklaard dat hij nu niet meer blowt, maar dit geeft de rechtbank geen zekerheid omtrent het cannabisgebruik van verdachte op de lange termijn. Dat geldt des te meer voor de periode na zijn detentie. De rechtbank ziet ook deze onzekerheid, gelet op hetgeen de deskundigen over het ziektebeeld van verdachte (met name in stresssituaties) en zijn voormalig gebruik van cannabis hebben geconcludeerd, als een zorgelijke en risicoverhogende omstandigheid.

Dit alles overwegende deelt rechtbank de slotsom van psycholoog De Groot dat in de gegeven omstandigheden een TBS met voorwaarden een betere bescherming van de maatschappij biedt dan het plaatsen van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook psychiater Van der Hoorn in zijn rapport d.d. 17 december 2011 heeft geconcludeerd dat te verwachten valt dat de duur van de stoornis de looptijd van de maatregel ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht zal overtreffen.

De rechtbank merkt hierbij op dat zowel een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als een TBS met voorwaarden tot gevolg zal hebben dat verdachte wordt opgenomen in de FPK in Amsterdam. In zoverre is een TBS met voorwaarden geen zwaardere maatregel voor verdachte. Het enige - en in dit geval door de rechtbank noodzakelijk geachte - verschil is de langere duur van de TBS met voorwaarden. Deze maatregel zal echter naar verwachting, indien de positieve ontwikkeling van verdachte zal continueren, ook op langere termijn geen zwaardere belasting voor hem opleveren ten opzichte van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting van 25 juni 2012 bereid verklaard tot naleving van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Concluderend

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de TBS opleggen, nu het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis bestond en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van deze maatregel eist.

Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zal de rechtbank voorwaarden stellen betreffende het gedrag van verdachte.

De rechtbank acht termen aanwezig toepassing te geven aan de in artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht gegeven mogelijkheid te bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

8. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[X] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.198,99.

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 maart 2012 geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Tevens heeft de officier van justitie verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2 Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft aangegeven dat hij de vordering van de benadeelde partij wil voldoen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij is door of namens verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering integraal toewijzen.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Oplegging van de schadevoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is niet mogelijk, nu het bewezen verklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend en verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging (vgl. HR 12 oktober 2004, LJN AO3233).

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

poging tot moord;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

verklaart de verdachte niet strafbaar;

ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;

gelast dat verdachte wegens het bewezen verklaarde ter beschikking wordt gesteld en stelt de bijzondere voorwaarden, dat:

1. verdachte zal verblijven op de FPK Inforsa te Amsterdam, Duivenrechtsekade 55, zich zal houden aan de daar geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die daar aan hem worden gesteld en zich begeleidbaar zal opstellen;

2. verdachte, indien uit onderzoek tijdens de behandeling op de FPK te Amsterdam en/of in een eventueel daaropvolgende behandeling blijkt dat medicatie gewenst is, de door de behandelaar(s) voorgeschreven medicatie op de juiste wijze zal gebruiken;

3. verdachte niet van verblijfplaats zal veranderen zonder overleg met zijn behandelaar(s) en de reclassering;

4. verdachte geen omgang zal hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen, zich opstelt inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en geen bezwaar heeft dat deze op gepaste en discrete wijze door de reclassering worden gescreend;

5. verdachte zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door GGZ Reclassering Palier;

6. verdachte zich zal conformeren aan de behandeling van de FPK Inforsa te Amsterdam;

7. verdachte zich zal onthouden van alcohol- en drugsgebruik en zich niet zal onttrekken aan controles hierop;

8. verdachte inzicht zal geven in zijn financiën als daarom wordt verzocht en hiervoor begeleiding zal accepteren van de MJD van Palier;

9. verdachte ervoor zal zorgdragen dat hij altijd bereikbaar is voor zijn begeleider(s) en behandelaar(s);

10. verdachte, in geval van een door de reclassering en behandelaar(s) geïndiceerde crisissituatie, zal meewerken aan een tijdelijke terugplaatsing in de gesloten unit van de FPA;

en de algemene voorwaarden, dat:

11. verdachte geen strafbare feiten zal plegen;

12. verdachte ter vaststelling van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

13. verdachte toestemming zal verlenen aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die de reclassering relevant acht en van belang zijn voor een goede behandeling c.q. begeleiding;

14. verdachte in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovenvoormelde voorwaarden toestemming zal geven aan de reclassering en aan zijn begeleiders voor het melden van deze informatie aan alle betrokken partijen;

15. verdachte zich niet buiten Nederland zal begeven;

bepaalt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [X], een bedrag van € 2.198,99;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mrs. S.M. Krans en M.L. Harmsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.N. Schuurmans-van Erkel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2012.

Mr. Harmsen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL1581 2011207489, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 140) en het vervolg proces-verbaal met het nummer PL1581 2011207489-A, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 141 t/m171).

2 Proces-verbaal ter terechtzitting van 30 maart 2012, blz. 2 onderaan en blz. 3 bovenaan

3 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 oktober 2011, blz. 38 bovenaan

4 Los proces-verbaal van bevindingen, zaaknummer 2011-207489, d.d. 26 november 2011, met bijlagen, blz. 5 bovenaan en foto's blz. 19 + 20

5 Deskundigenrapport van het NFI, zaaknummer 2011.10.07.083, d.d. 10 februari 2012, blz. 8 boven en midden