Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0718

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
09/754002-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Verdachte is schuldig bevonden aan twee mensenhandelfeiten: uitbuiting en werven voor de seksindustrie. Daarnaast zijn twee vermogensdelicten bewezen, een woninginbraak in vereniging en de verduistering in vereniging van een Mercedes. Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Zie ook LJN: BX0032, BX0393, BX0466 en BX1312 (medeverdachten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/754002-12

Datum uitspraak: 29 juni 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte (D)],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Dordrecht.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 april 2012, 13 juni 2012 en 15 juni 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T.N.M. Kamps en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De zaak tegen verdachte is (deels) gezamenlijk maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [A] (hier door de rechtbank kortheidshalve aangeduid als '[A]'), [C] (hierna: '[C]'), [B] (hierna: '[B]').

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

feit 1 (zaaksdossier [S2])

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 juni 2011 tot en met 17 juli 2011 te Den Haag en/of Alkmaar, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [S2] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld of één of meer feitelijkheden en/of door afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [S2] (in de prostitutie)

en/of

die [S2] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft/hebben

gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die [S2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [S2]

en/of

die [S2], (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [S2] met of voor een derde

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

* die [S2] als prostituee laten werken in Alkmaar en/of

* die [S2] verliefd op hem, verdachte, laten worden en/of

* die [S2] verteld dat haar kans om weg te komen uit de handen van haar toenmalige pooier was om met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) mee te gaan en/of

* die [S2] meermalen (althans eenmaal) geslagen en/of gestompt en/of

* die [S2] verteld dat als zij in de prostitutie zou gaan werken, zij

* een goed leven samen zouden krijgen en/of

* die [S2] (telkens) naar een prostitutiekamer (over)gebracht en/of laten overbrengen en/of

* die [S2] (voortdurend) onder toezicht en/of controle gehouden en/of

* die [S2] laten overnachten in de woning van verdachte en/of die van zijn mededader(s) en/of

* die [S2] instructies gegeven hoe zij zich achter het raam diende te gedragen en/of

* die [S2] gedwongen, althans bewogen, om (een groot deel van) de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte, en/of aan zijn mededader(s) af te staan en/of af te dragen.

feit 2 (zaaksdossier Werven)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2010 tot en met 19 maart 2011 te Den Haag, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[S4] en/of [S5] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld of één of meer feitelijkheden en/of door afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [S4] en/of die [S5] (in de prostitutie)

en/of

die [S4] en/of die [S5] (telkens) met één van de voornoemde middelen

heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die [S4] en/of die [S5] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

immers heeft verdachte

* het/de telefoonnummer(s) van die [S4] en/of die [S5] aan zijn mededader(s) gegeven en/of

* (telefonisch) contact met zijn mededader(s) over die [S4] en/of die [S5] en/of

* die [S4] gedreigd haar uit te woning te zetten en/of

* die [S4] gedreigd dat verdachte met haar af wilde rekenen en/of

* veelvuldig (telefonisch) contact met zijn mededader(s) over de wijze waarop

* verdachte [S4] het huis uit zou zetten en/of

* veelvuldig (telefonisch) contact over het tijdstip waarop zijn mededaders met die [S4] contact moeten opnemen en/of

* veelvuldig (telefonisch) contact met zijn mededader(s) over het tijdstip waarop zijn mededader(s) die [S4] moet(en) opvangen en/of onderdak aanbieden en/of

* veelvuldig (telefonisch) contact opgenomen en/of gezocht met die [S4]

* en/of die [S5] en/of

* met zijn mededader(s) contact over prostitutiewerkzaamheden.

feit 3 zaaksdossier Inbraak

hij in of omstreeks de periode van 18 juli 2011 tot en met 19 juli 2011 te Den Haag tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres] ([nummer 2]) heeft weggenomen diverse goederen, onder meer twee, althans een of meer (breedbeeld) televisie(s), twee, althans een of meer, DVD-speler(s) en een Playstation (serie 3), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [X] en/of [Y], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goederen) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door met een ladder/trap op het balkon van de genoemde woning te klimmen en/of (vervolgens) de sloten van de balkondeur van genoemde woning te verbreken/forceren en/of (vervolgens) die woning binnen te gaan en/of (vervolgens) de sloten van de voordeur aan de binnenzijde te verbreken/forceren;

feit 4 (zaaksdossier Mercedes)

hij op of omstreeks 22 december 2011 te [plaats], gemeente [gemeente] tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een (personen)auto (merk: Mercedes-Benz, type: C320 CDI, kleur: wit, kenteken: [kenteken]) en/of (twee) bijbehorende (handelaars)kentekenplaten (handelaarskenteken [handelaarskenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [autobedrijf] en/of [eigenaar autobedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten voor het maken van een proefrit, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3. Bewijsoverwegingen1

3.1 Zaaksdossier [S2]

3.1.1 Inleiding

Vast staat dat [S2] (verder: [S2]) in de periode gelegen voor de tenlastegelegde periode werkzaam was in de prostitutie in Den Haag. Ook staat vast dat ze op 21 juni 20112 na een langdurige relatie met [ex-vriend] deze man verlaten heeft en meegaat met [A], die ze nog van vroeger kent. Met [A] verblijft ze daarna enige tijd aan de [adres] [nummer 1] te Den Haag. Vanaf 4 juli 2011 werkt [S2] gedurende een aantal dagen in de raamprostitutie in Alkmaar.3 Op 17 juli 2011 verlaat [S2] de woning waar ze tot dan toe met [A] heeft verbleven, en duikt ze onder. Op 31 oktober 2011 doet [S2] aangifte van mensenhandel tegen [A]. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte zich, samen met anderen of alleen, schuldig heeft gemaakt aan (één of meer van de ten laste gelegde vormen van) mensenhandel.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen zal worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel in vereniging, en wel in alle ten laste gelegde varianten daarvan.

3.1.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft algehele vrijspraak van dit feit bepleit. Zijn standpunt is dat verdachte een zeer marginale rol had in dit zaaksdossier. Hij heeft slechts drie keer contact gehad met [S2], waaronder begrepen het eenmalig vervoeren van [S2] naar Alkmaar. [S2] heeft nimmer belastend verklaard over verdachte. Geen van de in sublid 1 van artikel 273 Wetboek van Strafrecht genoemde dwangmiddelen heeft verdachte jegens [S2] gebruikt en het oogmerk tot uitbuiting heeft bij hem niet bestaan. Er bestaat geen bewijs voor de verdenking dat verdachte enig voordeel uit de werkzaamheden van [S2] als prostituee heeft getrokken of dat hij haar zou hebben gedwongen of bewogen om hem te bevoordelen uit de opbrengsten van de seksuele handelingen als prostituee. Van medeplegen is evenmin sprake, nu uit niets blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere verdachten in dit zaaksdossier.

3.1.4 Het oordeel van de rechtbank

De redengevende feiten en omstandigheden

De aangifte

In haar aangifte vertelt [S2] dat zij de broers [A, B en C] al vanaf haar 15e levensjaar kent en dat [A] haar eerste vriendje was.4 De relatie met [ex-vriend] was omstreeks juni 2011 slecht. In die tijd werd ze regelmatig benaderd door [A]. Hij bleek veel over haar persoonlijke leven te weten, zoals waar ze haar boodschappen deed.5 Op enig moment vroeg hij haar of ze inmiddels niet lang genoeg in de prostitutie had gewerkt. Hij beloofde haar dat ze niet meer hoefde te werken als ze bij hem kwam. Hij vertelde dat hij veel geld had en voor haar kon zorgen. Hij sprak toen ook over vroeger, toen ze verkering hadden. Op 28 juli 2011 ging [A] de kamer van [S2] in de Doubletstraat binnen en zei hij dat ze met hem mee kon gaan. Zij zei meer tijd nodig te hebben omdat ze nog veel voor [ex-vriend] voelde. Toen belde [A] met zijn broer [B] en kreeg ze van [B] te horen dat ze moest kiezen, het was nu of nooit. Ze pakte huilend haar spullen, omdat ze geen afscheid van [ex-vriend] wilde nemen en ging met [A] mee.6 [A] heeft [S2] meegenomen naar de woning aan de [adres] [nummer 1] in Den Haag, waarvan ook zijn broer [C] wel gebruik maakte. In dit huis was geen licht en geen water. [A] beloofde haar een vakantie naar Turkije-een vakantie die nooit heeft plaatsgevonden. [S2] merkte dat zij het huis niet uit kon. Zij zat er opgesloten, er waren haken op de deuren, en ze mocht alleen samen met [A] naar buiten. [S2] raakte teleurgesteld in [A] en werd bang voor hem. Ze wist dat hij agressief kon worden en dan kon gaan slaan. Toen [A] op een gegeven moment tegen [S2] zei dat zij aangifte van gedwongen prostitutie moest doen tegen [ex-vriend] en zij dit weigerde, werd zij door [A] vol op haar neus geslagen. Ze heeft daar een week last van gehad. Ze is ook geslagen door [A] toen ze sms'jes van [ex-vriend] ontving.7 Na een gesprek met de buurvrouw heeft [A] haar telefoon uit het raam gegooid, want ze mocht van hem met niemand contact hebben. Hij heeft haar toen ook gedreigd dat hij haar de volgende keer verrot zou slaan. 8 Ongeveer een week na haar komst bij [A] was het geld van [A] op en hadden ze geen eten en sigaretten meer in huis. Toen zei [A] haar dat ze weer in de prostitutie moest gaan werken. Hij deed daarbij of dit een voorstel van [S2] zelf was. Hierna ging [S2] weer als raamprostituee werken, nu in Alkmaar. Ze heeft daar vier of vijf dagen gewerkt, waarbij ze ongeveer € 1.000,- tot € 1.500,- euro heeft verdiend. Dat geld is opgegaan aan eten, drinken en kleding voor [A]. Ook moest ze geld geven aan [B] en [C] omdat ze haar naar Alkmaar hadden gebracht. [B] en [C] pakten ook gewoon geld uit haar portemonnee voor benzine. De eerste dag was het verdachte die [S2] en [A] naar Alkmaar bracht, maar in de dagen erna deden [B] en [C] dit. Volgens [S2] heeft [A] haar gemanipuleerd, maar is haar feitelijke tewerkstelling in overleg met [B] en [C] gegaan. In opdracht van [A] heeft [S2] aan een bestaande tatoeage de letter "[..]" laten toevoegen.9 Ook heeft [A] haar gechanteerd nadat hij intieme foto's van haar had gemaakt. Toen haar moeder haar onverwachts opbelde en [S2] haar had verteld dat zij uit nood eten uit een supermarkt had gestolen, heeft ze haar moeder gevraagd haar te komen ophalen. Met de smoes dat haar moeder boodschappen kwam brengen en dat ze die beneden ging ophalen, wist [S2] de woning te verlaten.10

Tapgesprekken

Het dossier bevat behalve de aangifte een groot aantal tapgesprekken, waarvan de hieronder weergegeven gesprekken relevant zijn.

Uit de tapverslagen van de telefoongesprekken van 15 juni 2011 om 19:24 uur11 en van 19 juni 2011 om 21:28 en 22:39 uur12 en ten slotte van 20 juni 2011 om 15:04 uur 13 tussen [A] en [S2] blijkt dat de door [S2] geschetste gang van zaken in haar aangifte voorafgaand aan haar komst naar [A]'s woning wordt bevestigd. Zo is vastgelegd, dat [A] zegt dat zij geen leven heeft bij haar pooier [ex-vriend], dat hij anders is dan vroeger, dat [S2] moet stoppen met haar werk, dat hij [S2] niet zou laten werken als ze met hem was, dat hij niet meer in "die" wereld zit en dat hij met zijn hele familie achter haar staat. Hij houdt haar voor dat ze de stap moet nemen, dat zij door met hem mee te gaan uit handen van haar pooier kan komen en zich onder bescherming van hem en zijn familieleden kan stellen, en dat ze gelijk op vakantie gaan naar Turkije. Voorts blijkt uit de taps dat [S2] aangeeft dat zij niet bij [ex-vriend] weg wil en dat [A] herhaaldelijk om een nieuwe kans vraagt om te bewijzen dat hij is veranderd. Opvallend is verder het gesprek van 20 juni 2011 om 15:48 uur14, waarin [S2] haar twijfels uit over de vraag of ze er beter van wordt als ze met [A] in zee gaat. Ze heeft gezien dat [A] [S3] heeft geslagen en is bang hetzelfde leven te krijgen als ze nu al heeft. [A] zegt dan: "Maar die leven heb jij niet. Ik ga toch niet zo maar dingen doen. Ik ben niet dom. Ik heb exen gehad." Verder zegt hij een huis, een auto, een vrouw en kinderen te willen en leuke dingen te willen doen. Uit een afgetapt telefoongesprek van 21 juni 2011 om 22:05 uur15 blijkt dat [S2] haar zus [zus] vertelt over de beloftes die [A] aan haar heeft gedaan en dat [A] op de achtergrond roept dat zij gaan trouwen.

Uit het tapverslag van het telefoongesprek van 18 juli 2011 te 11:05 uur tussen [A] en de moeder van [S2]16 blijkt dat [A] erkent dat hij [S2] heeft geslagen. In dat gesprek somt [A] verder op wat hij allemaal voor haar heeft gedaan: hij heeft haar weggehaald bij dat raam, hij heeft voor haar iemand gestoken en hij heeft voor haar een huis en een hond genomen.

De tapverslagen van de telefoongesprekken op 5 juli 2011 om 22:38 uur17 en 23:09 uur18 laten zien dat [A] aan [S2] instructies geeft hoe zij zich dient te gedragen om klanten te werven. Ze moet lachen en dansen en niet chagrijnig staan. Ze moet een oude man naar binnen lokken. [A] zegt tegen [S2] dat ze het allemaal doet voor "hun nieuwe huisje, voor ons kindje, alles."

Uit het tapverslag van het telefoongesprek van 18 juli 2011 om 11:05 uur tussen [A] en [S2]19 blijkt dat het geld dat [S2] heeft verdiend aan [A] is opgegaan, zoals ze in haar aangifte heeft verteld. Ook in het telefoongesprek tussen [C] en zijn moeder van 10 juli 2011 om 20.03 uur20 wordt erover gesproken dat [A] op 9 juli 2011 € 500,- ter beschikking had en dat dit bedrag geheel is opgegaan aan schoenen, shirts en broeken voor [A].

Dat [S2] en [A] de eerste dag naar Alkmaar zijn gebracht door verdachte blijkt uit het tapverslag van het telefoongesprek van 4 juli 2011 om 16:17 uur21 tussen [A] en [C]. In dat gesprek zegt [A] dat hij in Alkmaar is met [bijnaam] - uit het dossier blijkt dat dit de bijnaam is van verdachte - die "alles heeft voorgeschoten".

De verklaringen van de verdachten

Verdachte heeft - als aangever in de zaak Alkmaar - verklaard dat hij snorder is en dat hij [A] en de blonde prostituee van [A] tweemaal naar de raamprostitutiestraat in Alkmaar heeft vervoerd. Ook heeft hij [A] een bedrag van € 250,- voorgeschoten. [A] wilde dat geld hebben om de kamerhuur van zijn prostituee te kunnen betalen en om condooms en sigaretten te kopen.22

[A] heeft ontkend dat hij [S2] heeft uitgebuit, en heeft de afloop van hun relatie en [S2]'s vertrek verklaard door de omstandigheid dat hij was vreemdgegaan en niet omdat [S2] bang voor hem zou zijn.

Conclusies van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

De inhoud van de hierboven weergegeven taps ondersteunt de aangifte op belangrijke punten. Dit maakt, dat de rechtbank de aangifte van [S2] als voldoende betrouwbaar en bruikbaar zal aanmerken en zal gebruiken voor het bewijs. Daarmee staat vast dat [S2], toen ze nog met [ex-vriend] was, is benaderd door [A], dat deze haar beloften heeft gedaan over een nieuw leven waarin zij niet meer hoefde te werken, met hem zou trouwen, kinderen zou krijgen en samen met hem op vakantie zou gaan. Ook heeft hij gezegd dat hij veranderd was in vergelijking met vroeger. Verder staat vast dat zij door [A] is gehuisvest, dat zij niet of nauwelijks te eten had, dat zij met [A] naar Alkmaar is geweest en dat ze daar in de raamprostitutie heeft gewerkt, waarbij zij instructies van hem kreeg over hoe ze zich moest gedragen. Ook blijkt dat het door [S2] verdiende geld door [A] is opgemaakt.

Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat - in elk geval - [A] [S2] heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f Wetboek van Strafrecht, eerste lid, aanhef en onder 1). [A] heeft daarbij gebruik gemaakt van de middelen geweld (slaan), misleiding (het voorwenden van verliefdheid op [S2]), misbruik van een kwetsbare positie en andere feitelijkheden (het afpakken en weggooien van de mobiele telefoon van [S2], het afnemen van het verdiende geld van [S2] en het verbod om met de buurvrouw te praten, kennelijk met de bedoeling haar in een isolement te brengen) en het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht (het verliefd laten worden van [S2], verbieden het huis zonder hem te verlaten, het laten ontstaan van geldgebrek en het afpakken van het verdiende geld van [S2], waardoor verdachte haar feitelijk geen andere keuze liet dan (door) te werken in de prostitutie).

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van [A]. Uit het al aangehaalde tapgesprek tussen [A] en [C] blijkt van de aanwezigheid van verdachte met [A] in Alkmaar, en daarnaast (en meer belastend) heeft verdachte in zaaksdossier Alkmaar zelf verklaard over het meermalen vervoeren naar Alkmaar en het voorschieten van het benodigde geld voor de kamerhuur en condooms.

Dit meermalen vervoeren naar een prostitutiestraat en verschaffen van geld, wetende wat de bestemming daarvan zal zijn, acht rechtbank voldoende substantieel om daaruit de voor medeplegen benodigde nauwe, volledige en bewuste samenwerking te kunnen destilleren. Dit geldt temeer, nu de kernactiviteit van verdachte in deze zaak, het vervoeren, anders dan bij veel andere strafbaarstellingen waarbij de 'vervoerder' doorgaans een aandeel heeft dat enigszins verwijderd is van de kern van het delict - hetgeen zich kan vertalen in bewezenverklaring van 'slechts' de medeplichtigheid bij dat delict - juist een wezenlijk onderdeel vormt van de delictsomschrijving.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande voorts bewezen dat (behalve [A] ook) verdachte hierbij gebruik heeft gemaakt van het middel misbruik van een kwetsbare positie, nu verdachte al jarenlang met [A] omgaat in de omgeving van de prostitutiestraten van Den Haag en hij daarom van de reputatie van [A] als pooier op de hoogte was.

Het bewijs dat behalve bij [A] ook bij verdachte het oogmerk van uitbuiting aanwezig was, vindt de rechtbank in diens eigen verklaring, inhoudende dat hij al langere tijd als snorder werkzaam is in de Haagse prostitutiestraten en in de omstandigheid dat hij in het zaaksdossier Werven schuldig wordt bevonden aan het medeplegen - samen met [C] - van het werven van twee vrouwen in een periode die ligt kort voor de periode waarin dit feit zich heeft afgespeeld. Hieruit blijkt dat verdachte - in het stadium dat voorafgaat aan de fysieke uitbuiting, het stadium dat met een Engelse term ook wel "grooming" wordt genoemd - een groter aandeel heeft in de uitbuiting van vrouwen dan het enkele vervoeren.

De rechtbank komt dan ook ten aanzien van de tenlastegelegde overtreding van art 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht tot bewijs van medeplegen van dit misdrijf door verdachte samen met [A].

De overige aan verdachte tenlastegelegde onderdelen van artikel 273f Wetboek van Strafrecht kunnen bij gebrek aan wettig bewijs niet worden bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.2 Zaaksdossier Werven

3.2.1 Inleiding

Dit verwijt betreft het onderdeel werven van art 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, te weten het werven van vrouwen met het oogmerk van uitbuiting (in deze zaak door tewerkstelling in de prostitutie), waarbij gebruik zou zijn gemaakt van een of meer van de in dat lid genoemde middelen.

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

In de periode van 22 december 2010 tot 2 augustus 2011 is van de telefoonnummers in gebruik bij [C], [A], [B] en [verdachte] een hoeveelheid gespreksgegevens en sms-berichten opgenomen, bekeken en uitgeluisterd, waarvan zowel de gesprekken (en sms-berichten) die plaatsvonden tussen de verdachten onderling als die met de telefoonnummers van de vrouwen die in het zaaksdossier Werven als getuigen zijn aangemerkt, relevant zijn. Het betreft hierbij telkens vrouwen die de verdachten niet of nauwelijks kenden.

3.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd, dat het medeplegen van werven (eerste sublid) van [S4] en [S5] bewezen wordt, aangezien verdachte deze vrouwen heeft overgedragen aan [C], die de bedoeling had hen in de prostitutie te krijgen.

3.2.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat, nu niet is bewezen dat [S4] en [S5] zich beschikbaar gesteld hebben voor de prostitutie voor verdachte of zijn medeverdachten, dit feit in de variant van het eerste sublid niet bewijsbaar is. Nu voorts niet blijkt dat de beide vrouwen door toedoen van verdachte objectief gezien in hun keuzevrijheid zijn beperkt, kan het delict mensenhandel ook in de variant van het vierde sublid niet bewezen worden.

3.2.4 Het oordeel van de rechtbank

3.2.4.1 [S4]

Redengevende feiten en omstandigheden

Uit afgetapte telefoongesprekken en onderschepte sms-berichten uit de periode van 26 december 2010 tot en met 31 december 2010 blijkt het volgende. Op 26 december 2010 maken [C] en [verdachte] een afspraak om elkaar te ontmoeten.23 Even later laat [C] aan [B] het volgende weten: "Die heeft twee gegeven, [S4] en één van zeventien jaar. Ja, die geeft he! Ik ga hier dingesen! Ik haal mijn geld eruit...en elke maand duizend lira, [B]!".24 Direct hierna stuurt [C] een eerste sms-bericht naar [S4] ("Hey [S4], alles goed met jou? Laat wat van je hooren xx"), waarop [S4] terugsms't: "Wie ben jij?". [C] antwoordt dan "[bijnaam], weet je niet meer, bel me eens op?" Nog diezelfde avond hebben [C] en [S4] het eerste telefoongesprek.25 Op 27 december 2010 spreken [C] en [verdachte] over [S4]. [verdachte] vraagt: "Heb je zaken kunnen regelen met die, komt die naar je toe?" en "Ik zeg, komt [S4]?". Hierop zegt [C]: "Ik weet niet, ik moet even praten". Hierop antwoordt [verdachte]: "Ik heb dat meisje uit haar huis gejaagd, jij moet pakken gozer".26 Diezelfde dag belt [S4] [C] en vertelt hem dat die Turk naar haar woning gekomen was en dat hij met haar wilde afrekenen.27 Twee dagen later - het is dan 29 december, 19:22 uur - zegt [S4] tegen [C] dat die Turk gisteren voor de deur stond en gezegd heeft dat ze er voor vrijdag uit moet. [C] reageert daarop met de woorden: "Maak je niet druk, je kan altijd bij mij terecht".28 Diezelfde dag om 20:49 uur belt [verdachte] naar [C] met de vraag of hij [S4] heeft gesproken. [C] vertelt hem dan dat hij bij [S4] is geweest en dat zij boos was op [verdachte]. [verdachte] adviseert [C] om te zeggen dat hij haar een grote kamer voor 200 euro kan aanbieden en dat hij daarbij moet zeggen dat ze die kans moet grijpen, omdat ze er over een maandje sowieso uit moet bij [verdachte].29 Op 31 december 2010 vertelt [C] aan [A] dat [verdachte] hem twee stuks heeft gegeven, [S4] en nog eentje [S5], van zeventien of zo.30

[S4] heeft bij de politie laten weten dat ze geen verklaring wenste af te leggen, omdat ze een nieuwe start in haar leven had gemaakt en omdat ze geen problemen wilde met de broers [A, B en C]. Bij de rechter-commissaris heeft [S4] een verklaring afgelegd, waaruit blijkt dat ze [verdachte] herkende op een foto uit het dossier, dat ze hem kende onder de naam '[naam]', dat hij zich als snorder voor meisjes voordeed en dat hij meisjes probeerde te ronselen.31 Over de betrokkenheid van [C] verklaarde ze, dat ze van hem nooit last had gehad. Ook verklaarde ze dat ze in december 2010 niet uit haar huis was gezet omdat ze toen nog geen huis had.

Conclusies van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

Over de verklaring die [S4] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, merkt de rechtbank allereerst op dat deze op belangrijke onderdelen haaks staat op de inhoud van de tapgesprekken. De rechtbank leidt hieruit af dat [S4] er ofwel - om haar moverende redenen - voor heeft gekozen om niet de (gehele) waarheid te spreken, ofwel zaken simpelweg is vergeten. De rechtbank zal de verklaring van [S4] daarom bij de verdere beoordeling van deze zaak buiten beschouwing laten.

Uit de inhoud van de hierboven vermelde tapgesprekken leidt de rechtbank af dat [C] en [verdachte] op 26 december 2010 een afspraak hebben gemaakt om elkaar te ontmoeten, dat [C] bij die ontmoeting van [verdachte] (de contactgegevens van) twee vrouwen heeft 'gekregen' en dat zij samen een opzetje hebben gemaakt om [S4] uit een door henzelf veroorzaakte kwetsbare positie te redden door haar - op het moment dat zij haar bij [verdachte] gehuurde woning dreigde kwijt te raken - onderdak bij [C] aan te bieden zodat zij haar werk als prostituee kon blijven uitoefenen. Hiermee is het bewijs geleverd dat verdachten - in nauwe, bewuste en volledige samenwerking met elkaar - [S4] met gebruikmaking van de middelen misleiding en misbruik van een kwetsbare positie hebben geworven.

Dat deze middelen zijn ingezet met het oogmerk [S4] uit te buiten, haalt de rechtbank uit het tapgesprek van [C] met [B] - "Ik ga hier dingesen! Ik haal mijn geld eruit, elke maand 1000 lira!" - en uit het gesprek tussen [C] en [verdachte] ("Jij moet pakken gozer!"). Bij haar oordeel over het delictsbestanddeel 'oogmerk van uitbuiting' betrekt de rechtbank daarnaast hetgeen haar over de manier van opereren van deze verdachten en over het daarbij door hen gebezigde taalgebruik - waarbij het woord 'dingesen' steeds wordt gebruikt als het gaat om het gedwongen achter een raam plaatsen van een vrouw - bekend is uit de andere zaaksdossiers.

Nu de rechtbank de middelen, de gedraging en het oogmerk heeft vastgesteld, kan het feit (in de variant van het eerste sublid) bewezen worden. Dat het uiteindelijk niet zover is gekomen dat [S4] werd uitgebuit of zelfs maar werd bewogen zich ten bate van verdachte(n) beschikbaar te stellen voor de prostitutie, staat aan een bewezenverklaring van dit sublid niet in de weg.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat [S4] daadwerkelijk is bewogen zich beschikbaar te stellen voor de prostitutie. Dit betekent dat verdachte van het feit zal worden vrijgesproken voor zover dit is ten laste gelegd in de variant van artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafrecht.

3.2.4.2 [S5]

Redengevende feiten en omstandigheden

Net als bij [S4], zijn hier het tapgesprek van 26 december 2010 en de daaropvolgende ontmoeting tussen [C] en [verdachte] van belang.32 Kort na deze ontmoeting laat [C] aan [B] het volgende weten: "Die heeft twee gegeven, [S4] en één van zeventien jaar. Ja, die geeft he! Ik ga hier dingesen! Ik haal mijn geld eruit...en elke maand duizend lira, [B]!". Ook zegt [C]: "Die zegt, maar de ene is zeventien, je zal één à twee maanden moeten wachten, nog niks doen, die wil uit huis, maar je moet dingesen nadat die 18 is geworden".33 Nog diezelfde avond - kort na zijn gesprek met [B] en nog geen twee minuten nadat hij de eerste sms aan [S4] verzonden heeft - belt [C] [S5] voor de eerste keer. Hij zegt dat hij een Latino is en dat hij haar nummer heeft gekregen op het Jonckbloetplein, waarop [S5] zegt dat dat verhaal niet kan kloppen.34 Op 27 december 2010 spreken [C] en [verdachte] over '[S5]'. [C] zegt dat hij [S5] inmiddels gesproken heeft en dat alles geregeld is.35 Op 27 en 28 december 2010 stuurt [C] [S5] diverse sms-berichten op verliefde toon ("Ik wil jou beter leeren kennen, vind jou een leuke meisje x. Ha lieverd, ik wil je stem horen, mijn prinsesje, babytje"). Hij blijft haar bellen en sms'en. Hij stelt voor samen naar een telefoonwinkel te gaan en mee naar haar huis te gaan om haar moeder te ontmoeten.36 In een sms-bericht van 28 december 2010 volgt dan de tekst: "Baby waarom laat je me lijden, je mag ook bij mij blijven als je dat wilt".37 Uit de telefoongesprekken van [S5] met [C] - en uit het uitblijven van een reactie op zijn vele vleiende smsjes - blijkt dat zij [C] niet kent, nooit heeft ontmoet en niet geneigd is in te gaan op zijn toenaderingspogingen.

Uit een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat [S5] op [geboortedatum] 1993 geboren is, hetgeen betekent dat zij in de hiervoor genoemde periode zeventien jaar oud was.38

[S5] heeft verklaard dat ze niet onder de indruk was geraakt van de sms-berichten en telefoongesprekken met [C]. [verdachte] herkent ze van een politiefoto als de Turk die met haar vriendin [vriendin] omging. Ze kent hem onder de naam "[naam]" en ze weet dat [vriendin] voor hem heeft gewerkt achter de ramen en dat hij taxichauffeur is, vooral voor meisjes. Ze heeft zelf haar telefoonnummer aan [verdachte] gegeven in verband met zijn taxidiensten en werd daarná door die jongen opgebeld.39

Conclusies van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

Uit de inhoud van de tapgesprekken en sms-berichten, steeds in samenhang bezien, kan worden opgemaakt dat het [verdachte] was die [S5] en haar leeftijd en achtergrond kende en dat hij die informatie, inclusief haar telefoonnummer, aan [C] heeft verschaft. Uit de gesprekken tussen [C], [B] en [verdachte] wordt vervolgens duidelijk dat [C] haar wilde 'dingesen' en dat [verdachte] hiervan op de hoogte was. Daarnaast volgt uit de tapgesprekken en sms-berichten, dat [C] aan de slag is gegaan om daartoe een ontmoeting met [S5] te organiseren. [C] heeft zich hierbij - tegenover iemand die hij nog nooit had ontmoet en enkele minuten nadat hij op eenzelfde wijze contact had gelegd met een andere vrouw - bediend van vleiend en misleidend taalgebruik, door tijdens het eerste gesprek bijvoorbeeld te zeggen dat hij een Latino was en dat hij [S5] een leuke meid vond waar hij leuke dingen mee wilde doen. De gedragingen van [verdachte] kunnen als een wezenlijke bijdrage hieraan worden beschouwd, waardoor het medeplegen aan het werven middels misleiding is bewezen.

Dat het middel is ingezet met het oogmerk [S5] uit te buiten, haalt de rechtbank ook hier uit het tapgesprek van [C] met [B] - "Ik ga hier dingesen! Ik haal mijn geld eruit, elke maand 1000 lira!". Bij haar oordeel over het delictsbestanddeel 'oogmerk van uitbuiting' betrekt de rechtbank ook hier hetgeen haar over de manier van opereren van deze verdachten en over het daarbij door hen gebezigde taalgebruik - waarbij het woord 'dingesen' steeds wordt gebruikt als het gaat om het gedwongen achter een raam plaatsen van een vrouw - bekend is uit de andere zaaksdossiers.

Nu de rechtbank het middel, de gedraging en het oogmerk heeft vastgesteld, kan het feit (in de variant van het eerste sublid) bewezen worden. Dat het uiteindelijk niet zover is gekomen dat [S5] werd uitgebuit of zelfs maar werd bewogen zich ten bate van verdachte(n) beschikbaar te stellen voor de prostitutie, staat aan een bewezenverklaring van dit sublid niet in de weg.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat [S5] daadwerkelijk is bewogen zich beschikbaar te stellen voor de prostitutie. Dit betekent dat verdachte van het feit zal worden vrijgesproken voor zover dit is ten laste gelegd in de variant van artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafrecht.

3.3 Zaaksdossier Inbraak

3.3.1 Inleiding

Tussen 18 juli 2011 omstreeks 02:00 uur en 19 juli 2011 omstreeks 22:00 uur is er ingebroken in de woning gelegen aan de [adres] [nummer 2] te Den Haag (hierna ook: woning [nummer 2]). Bij deze inbraak zijn onder meer twee breedbeeldtelevisies, een DVD-speler en een Playstation (serie 3) weggenomen.40

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte deze inbraak - al dan niet samen met anderen - heeft gepleegd.

3.3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde inbraak.

3.3.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.4 Het oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

Aangever [X] heeft verklaard dat hij een tijdje op de woning van [Y] - gelegen aan de [adres] [nummer 2] - moest letten en dat hij op 19 juli 2011 rond 22:00 uur aankwam bij de woning die hij de vorige dag in goede staat had achtergelaten. Hij zag dat de voordeur van de woning aan de binnenzijde was verbroken. Ook zag hij dat de balkondeur aan de buitenkant was beschadigd ter hoogte van de sloten. Verder zag hij dat op het dak van een uitstekend deel van de benedenverdieping van het flatgebouw een ladder lag. Deze plek kon alleen bereikt worden via het balkon van de woning gelegen op nummer [nummer 1], waar de voor aangever bekende [A] en [C] destijds verbleven.41 Uit politieonderzoek ter plaatse is gebleken dat er braakschade aan de balkondeur zat en dat een ladder op een uitstekend deel van het flatgebouw lag, alwaar zich de woning met nummer [nummer 1] bevindt.42

Op grond van de verklaring van aangever, die op relevante onderdelen wordt bevestigd door de uitkomsten van het politieonderzoek, stelt de rechtbank vast dat de inbreker(s) met de ladder van het balkon van de woning met nummer [nummer 1] op het balkon van de woning met nummer [nummer 2] zijn geklommen, alwaar hij/zij de balkondeur heeft/hebben verbroken en naar binnen is/zijn gegaan.

In de periode van 19 juli 2011 tot en met 20 juli 2011 is een aantal telefoonnummers, in gebruik bij [A], [C] getapt. Hierbij zijn de volgende gesprekken afgeluisterd.

Op 19 juli 2011 te 20:01 uur belt [A] naar [verdachte].43

[A]: ben je binnen?

[verdachte]: bijna, is er niks aan de hand?

[A]: nee nee nee even kijken hoe het met jullie gaat.

Noot verbalisant: Uit de mastgegevens van dit gesprek blijkt dat [A] een mast aanstraalt in [weg] te 's-Gravenhage. Over het algemeen wordt deze mast aangestraald als [A] in de woning aan de [adres] [nummer 1] is.44

Op 19 juli 2011 te 20:02 uur belt [A] naar [C].45

[C]: en wat doe je nu dan?

[A]: euh je weet toch, je begrijpt toch wel, laat gewoon euh, we zijn ons dinges van het huis aan het doen

[C]: boven?

[A]: ja, van Amsterdam weet je toch, moet geverfd worden plafond

[C]: hmm hmm

[A]: ja, okee

[C]: maar nee, niet jij!

[A]: nee nee die andere. Die andere twee doen het, weet je, plafond verven, van die huis

[C]: ja ja, maar de muur moet jij niet doen he.

[A]: nee, euh, hun zijn al bezig, ze zijn al binnen, plafond verven

[C]: zweer dat eens!

[A]: ik zweer het, ik zweer het!

[C]: dus euh.. ze zijn dus binnen de plafonds aan het doen?

[A]: ja ja ja ja ja

De mastgegevens geven aan dat [A] een mast aan de [weg] te 's-Gravenhage aanstraalt.46

Op 19 juli 2011 te 20:05 uur belt [C] naar [B].47

[B] vraagt of [A] heeft gebeld. [C] zegt dat hij hem ([A]) had gebeld maar hij ([A]) nam niet op. [C] zegt dat [A] thuis zal zijn en merkt op dat [B] niet naar hun toe moet gaan. [B] beaamt dit. [C] zegt: "Nee, want eeeuh ze zeggen 'We zijn het huis aan het verven'. [C] zegt dat hij het [B] zal laten weten als er iets is.

Op 19 juli 2011 te 20:06 uur belt [A] naar [verdachte].48

[verdachte]: ja

[A]: zijn jullie binnen, euh plafond verven..?

[verdachte]: Nederlands Nederlands Nederlands Nederlands

[A]: oh, zit je al die plafond te verven?

[verdachte]: ja ik zit te verven. Ik ben nu aan het zoeken en daarna eten.

Op 19 juli 2011 te 20:44 uur belt [A] naar [C].49

[A]: ja ik ben in Amsterdam weet je, die plafond zitten we te verven nog euh

[C]: ja nog steeds, bel mij wanneer het klaar is ja

[A]: luister dan

[C]: ja

[A]: je weet toch, euh die euh zwarte ding wat je op teevee euh op muur ken

doen.. wat je ken kijke

[C]: hmm

[A]: twee stuks, grote begrijp je?

[C]: muur euh.. nee

[A]: die teevees moeten toch aan de muur ge.. euh gezet worden

[C]: ah ik begrijp het

[A]. dit was in Amsterdam in de huis he

[C]: oh oh er is dus wel..het hangt wel

[A]: jaja, die hebben we nu in jouw euh huis wat we voor jou die nieuwe huis in Amsterdam hebben, daar hebben we binnen nu

[C]: hmm.. maar maar maar.. zorg dat jullie het wegmaken

[A]: ja hoe dan?

[C]: jullie moeten het daar laten wegmaken, andere plek

[A]: ik heb ook euh voor jou euh ding gekocht weet je, Playstation 3 Playstation 2, heb ik ook voor jou

[C]: okee, dan euh.. breng het dan mijn kant op

[A]: hoe moeten we dat dan doen?

[C]: tas

[A]: ja maar dat is groot he die ding, begrijp je

[C]: ja, okee ik begrijp het wel, maar als het daar blijft, dan moet je weten dat het op een dag dinges zal zijn

[A]: ja

[A]: ah oke, nou in ieder geval euh ik ga eentje op de muur doen voor jou, begrijp je, en die andere gaat wel weg vandaag ieder geval

[C]: ja ja, want ik.. eentje is genoeg begrijp je

(..)

[C]: okee bel maar wanneer het klaar is en wanneer je weg bent

Op 19 juli 2011 te 21:48 uur belt [A] naar [C].50

[C]: ja is goed euh.. heb je die gezegd... heb je gedaan wat ik heb gezegd?

[A]: ja ja ja tuurlijk tuurlijk tuurlijk tuurlijk (..) ze hebben het gedragen en zo man

[C]: echt waar?

[A]: ja man, in twee wagens TAK TAK TAK en klaar

[C]: echtwaar?

[A]: echt waar echt waar

[C]: hmm okee

[A]: alleen dinges is nog gebleven, eentje aan de muur, van de mijne

[C]: euh bij mij thuis?

[A]: ja

[C]: ik neuk he walla [A] ik zeg het je, nu eruit, nu!!

[A]: ja er was geen plek het is nu avond geworden

[C]: nee niet avond, ik heb zojuist gezien, die jongen kwam die kant op

[A]: echt waar?

(..)

[C]: en zij?

[A]: wie.. nee ik ben niet bij hun gestapt, zij hebben gevuld/volgeladen, ik zei gaan jullie maar vriend, ik zei ga en regel meteen die andere ding, laadt het uit, en kom die andere twee dinge ook halen, dus vandaar

[C]: vandaag, nu nu moet walla had je boven moeten zetten he mongool

[A]: ja maar ik kan niet doen, ik ga niet naar boven toe, vandaar.

Uit de hier aangehaalde tapgesprekken, die zijn gevoerd kort voordat aangever [X] de inbraak heeft ontdekt, volgt onder meer dat [verdachte] ergens 'binnen' is gegaan, dat dat 'boven' was en dat er twee televisies en een Playstation op die plek waren, hetgeen overeenkomt met de verklaring van [X] over de buitgemaakte goederen en over de positionering van de twee woningen ten opzichte van elkaar. Uit de tapgesprekken volgt verder dat er dingen zijn gedragen, geladen en weggebracht. Dit alles, gevoegd bij de omstandigheid dat in de tapgesprekken door [A] met de anderen veelvuldig wordt gesproken over het feit dat hij een huis in Amsterdam aan het verven is, terwijl zijn telefoon een mast aanstraalt in de omgeving van de [adres] te 's-Gravenhage, maakt dat de rechtbank concludeert dat door verdachten in de tapgesprekken in versluierd taalgebruik wordt gesproken over (het verloop van) de inbraak aan de [adres] [nummer 2], die op dat moment 'live' wordt gepleegd.

Uit de tapgesprekken - bezien in samenhang met hetgeen de rechtbank over de wijze van inbreken heeft overwogen - volgt dat [verdachte] samen met een onbekend gebleven ander vanuit de woning van [C] en [A] de woning met nummer [nummer 1] is binnengegaan, terwijl hij [A] op de hoogte hield van wat er in woning [nummer 2] gebeurde. [A] hield [verdachte] op zijn beurt op de hoogte van wat er buiten woning [nummer 2] gebeurde. [C], die ergens anders was, werd weer door [A] op de hoogte gehouden van de inbraak. Voorts spraken [A] en [C] concreet over wie er wel en niet de woning [nummer 2] binnen mochten gaan ([C]: 'maar de muur moet jij niet doen he', [A]: 'nee, euh, hun zijn al bezig, ze zijn al binnen, plafond verven) en instrueerde [C] [B] dat hij daar weg moest blijven. Verder spraken [C] en [A] over wat er met de uit woning [nummer 2] buitgemaakte televisies moest gebeuren. Op grond hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] degene is geweest die met de onbekende ander (een groot deel) van de uitvoeringshandelingen heeft verricht, dat [A] en (in mindere mate) [C] [verdachte] hebben geholpen om via hun woning de woning [nummer 2] te bereiken en dat zij een wezenlijke invloed hebben gehad op de uitvoering van de inbraak en op het daaropvolgende vervoer, de opslag en de verdeling van de buit. [verdachte], [A] en [C] hebben aldus bewust en nauw samengewerkt en hebben ieder een substantieel en rechtstreeks aandeel gehad in de totstandkoming van de inbraak. De rechtbank acht dan ook op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte], [A] en [C] zich samen met een onbekend gebleven ander schuldig hebben gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van de ten laste gelegde inbraak.

3.4 Zaaksdossier Mercedes

3.4.1 Inleiding

Verdachte heeft op 8 december 2011 een bezoek gebracht aan [autobedrijf], gevestigd te [plaats]. Hij heeft - na achterlating van een kopie van zijn rijbewijs - die dag een proefrit mogen maken in een witte Mercedes Benz (type C320 CDI, kenteken [kenteken]).51 Op 22 december 2011 heeft verdachte - ditmaal in het gezelschap van een man die zich bekend maakte onder de naam [U], verder: [U] - opnieuw een bezoek gebracht aan autobedrijf [autobedrijf].52 Ook toen is diezelfde Mercedes voor een proefrit meegegeven.53

Later die dag, rond 14:54 uur, heeft de politie aan verdachte vlakbij diens woning in Den Haag een beschikking uitgeschreven wegens fout parkeren. Verdachte is na overhandiging van de beschikking met de verkeerd geparkeerde auto - de witte Mercedes voorzien van het kenteken [kentelen] - weggereden. Hij was op dat moment alleen.54 De witte Mercedes is op 22 december 2011 en in de weken daarna niet meer teruggebracht naar autobedrijf [autobedrijf].55 Op 2 maart 2012 is de auto in Den Haag aangetroffen, veranderd van kleur en voorzien van gestolen kentekenplaten.56

Verdachte heeft verklaard dat [U] op 22 december 2011 met de Mercedes is weggereden, dat hij met zijn eigen auto is weggereden en dat hij [U] verder niet kent.57

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte zich al dan niet tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan verduistering van de auto.

3.4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van verduistering van de auto.

3.4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat uit het feit, dat de identiteitsgegevens van verdachte al langer bekend waren bij het autobedrijf terwijl [U] louter valse gegevens heeft opgegeven, moet worden afgeleid dat [U] en niet verdachte verkeerde bedoelingen had met de auto. Ook kan niet worden uitgesloten dat [U] de auto heeft meegenomen nadat verdachte ermee is bekeurd.

3.4.4 Het oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

Aangever [eigenaar] heeft verklaard, dat hij de witte Mercedes op 22 december 2011 voor een proefrit heeft meegegeven aan twee mannen die veel interesse hadden in dit voertuig. Eén van die mannen legitimeerde zich als [U] en de ander - verdachte - herkende [eigenaar] nog van de proefrit van 8 december 2011. De afspraak met de beide heren was, dat de proefrit ongeveer een half uur - dat wil zeggen: tot ongeveer 12:45 uur - zou duren.58 Toen de Mercedes weg was, waren de beide heren ook weg.59 De witte Mercedes was ten behoeve van de proefrit voorzien van twee groene handelaarskentekenplaten met het kenteken [kenteken]60

Conclusies van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

Op grond van hetgeen in de inleiding is overwogen - de toegestane maximumduur van de proefrit, afgezet tegen het tijdstip waarop verdachte door de politie in de witte Mercedes is aangetroffen en bekeurd - staat vast, dat verdachte ruimschoots nà het verstrijken van de voor de proefrit overeengekomen termijn alleen in de auto is aangetroffen, terwijl de handelaarskentekenplaten op dat moment niet meer op de auto zaten. In feite staat op grond daarvan reeds vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de auto en de twee handelaarskentekenplaten, die hij in eerste instantie rechtmatig - dat wil zeggen: voor het maken van een proefrit van ongeveer een half uur - onder zich had.

Het door de verdediging ter terechtzitting geschetste scenario - inhoudende dat [U] zich de auto buiten medeweten van verdachte heeft toegeëigend, nádat verdachte daar rond 15:00 uur in was aangetroffen - schuift de rechtbank als onvoldoende aannemelijk terzijde. Niet alleen is voor dit scenario geen steun te vinden in het dossier, het strookt bovendien niet met de verklaring die verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Deze verklaring komt er in de kern op neer dat zijn rol op 22 december 2011 beperkt was tot het 'aan elkaar koppelen' van een verkoper ([eigenaar]) en een aspirant-koper 'die hij verder niet kende' ([U]), waarna hij het terrein van het autobedrijf met eigen vervoer heeft verlaten. Een verklaring die op haar beurt niet alleen vragen oproept - want waarom zou verdachte willen bemiddelen tussen twee personen die hij nauwelijks kent - maar bovendien haar weerlegging vindt in de verklaring van [eigenaar], daar waar deze laatste stelt dat verdachte en [U] beiden interesse in de auto hadden, dat ze de auto samen hebben meegekregen en dat nadat de Mercedes van het terrein verdwenen was, behalve [U] ook verdachte van het terrein verdwenen was.

Nu verdachte samen met [U] naar het autobedrijf is gegaan en zij samen de auto hebben meegekregen, gaat de rechtbank er vanuit dat er sprake was van de voor een bewezenverklaring van medeplegen benodigde volledige, nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [U], die gericht was op de voltooiing van de verduistering. Op grond van het gebezigde bewijs acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander ([U]) schuldig heeft gemaakt aan de verduistering van de auto en de twee op die auto bevestigde handelaarskentekenplaten.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - dat verdachte:

feit 1 (zaaksdossier [S2])

hij in de periode van 14 juni 2011 tot en met 17 juli 2011 te Den Haag en Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander

* [S2] door geweld en misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [S2] in de prostitutie

Immers heeft/ hebben verdachte en/of zijn mededader

* die [S2] als prostituee laten werken in Alkmaar en

* die [S2] verliefd op hem laten worden en

* die [S2] verteld dat haar kans om weg te komen uit de handen van haar

* toenmalige pooier was om met hem mee te gaan en

* die [S2] geslagen en

* die [S2] naar een prostitutiekamer overgebracht en/of laten overbrengen en

* die [S2] voortdurend onder toezicht en controle gehouden en

* die [S2] laten overnachten in de woning van verdachte en

* die [S2] instructies gegeven hoe zij zich achter het raam diende te gedragen en

* die [S2] bewogen om de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem af te staan;

feit 2 (zaaksdossier Werven)

hij in de periode van 1 december 2010 tot en met 31 december 2010 te Den Haag tezamen en in vereniging met een ander [S4] en [S5] door misleiding en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, met het oogmerk van uitbuiting van die [S4] en die [S5] in de prostitutie,

immers heeft verdachte en/of hebben zijn mededaders

* de telefoonnummers van die [S4] en die [S5] aan zijn mededader gegeven en

* (telefonisch) contact over die [S4] en die [S5] en die [S9] gehad en

* die [S4] gedreigd haar uit te de woning te zetten en

* die [S4] gedreigd met haar af te rekenen en

* veelvuldig (telefonisch) contact met zijn mededader gehad over de wijze waarop verdachte [S4] het huis uit zou zetten en

* veelvuldig (telefonisch) contact gehad over het tijdstip waarop zijn mededader met die [S4] contact moeten opnemen en

* veelvuldig (telefonisch) contact met zijn mededader gehad over het tijdstip waarop zijn mededader die [S4] moet opvangen en onderdak aanbieden en

* veelvuldig (telefonisch) contact opgenomen en/of gezocht met die [S4] en die [S5] en

* met zijn mededader(s) contact over prostitutiewerkzaamheden gehad;

feit 3 (zaaksdossier Inbraak)

hij op 19 juli 2011 te Den Haag tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres] ([nummer 2]) heeft weggenomen twee breedbeeldtelevisies, een DVD-speler en een Playstation (serie 3), toebehorende aan [X] en/of [Y], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door met een ladder op het balkon van de genoemde woning te klimmen en vervolgens de sloten van de balkondeur van genoemde woning te verbreken en die woning binnen te gaan;

feit 4 (zaaksdossier Mercedes)

hij op 22 december 2011 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een personenauto, merk: Mercedes Benz, type: C320 CDI, kleur: wit, kenteken: [kenteken] en twee handelaarskentekenplaten (handelaarskenteken [kenteken]), toebehorende aan [autobedrijf], welke goederen verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf, te weten voor het maken van een proefrit, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet specifiek uitgelaten over de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is schuldig bevonden aan twee mensenhandelfeiten, namelijk de uitbuiting van [S2] en het werven voor de seksindustrie van twee vrouwen. Daarnaast zijn er twee vermogensdelicten bewezen, een woninginbraak in vereniging en de verduistering in vereniging van een Mercedes.

De rol van verdachte bij de bewezen uitbuiting van [S2] moge van geringere omvang zijn dan die van de medeverdachte, uit zijn mededaderschap blijkt dat verdachte zonder respect voor [S2] zich, kennelijk uit motieven van eigen gewin, met haar gedwongen prostitutie heeft ingelaten. Bij verdachte lijkt hierbij sprake van een patroon. Hij heeft zijn diensten als snorder - een vorm van dienstverlening waarvan de illegaliteit hem kennelijk volledig onberoerd laat - niet alleen voor het vervoer van [S2] ingezet. Uit het dossier blijkt dat diverse andere prostituees verdachte kennen als snorder die opereert in de prostitutiestraten van Den Haag. In die hoedanigheid weet hij de telefoonnummers en andere gegevens van vrouwen te bemachtigen, die hij vervolgens verhandelt of zelf gebruikt om zo vrouwen te werven met het oog op prostitutie en de mogelijkheid van daaropvolgende uitbuiting door hem en anderen. In dat licht bezien, is zijn rol van wezenlijke betekenis voor de eerste fase van "grooming", die zeer vaak aan de feitelijke uitbuiting in de seksindustrie voorafgaat. Dit nu is de grond voor oplegging van een vrijheidsstraf, die mede door de bewezen vermogensdelicten wordt gerechtvaardigd.

De rechtbank wijst er bovendien op dat de opvattingen over mensenhandel als ernstig misdrijf in de maatschappij zijn gewijzigd, onder meer blijkend uit het feit dat het artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht recentelijk door de wetgever is aangepast met een verhoogd strafmaximum.

Bij de strafbepaling houdt de rechtbank ook nadrukkelijk rekening met het omvangrijke strafblad van verdachte, waarvan een afschrift van 5 januari 2012 zich in het dossier bevindt, waarop naast vermogens- en geweldsdelicten twee eerdere veroordelingen voor mensenhandel staan. Ook in het verleden - zo blijkt hieruit - heeft verdachte met alle mogelijke middelen getracht aan geld te komen, waarbij de strafbaarheid van zijn gedrag voor hem niet relevant lijkt te zijn.

Op grond van hetgeen in het voorgaande is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding een lagere straf dan gevorderd op te leggen. Voor een voorwaardelijk strafdeel komt verdachte gezien zijn strafblad niet meer in aanmerking. De rechtbank komt tot de slotsom, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende straf is.

7. De vordering van de benadeelde partij

7.1 De vordering

Autobedrijf [autobedrijf], gevestigd te [plaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 23.110,-.

7.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 22.860,- goed is onderbouwd en daarmee in aanmerking komt voor toewijzing en dat deze voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij en in plaats daarvan volstaan met de opmerking dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien verdachte van het feit waarop haar vordering betrekking heeft, moet worden vrijgesproken.

7.4 Het oordeel van de rechtbank

Voor zover de vordering betrekking heeft op het BTW-deel van de verkoopprijs, zal de rechtbank de vordering tot schadevergoeding afwijzen, aangezien de BTW geen schadepost is voor de benadeelde partij, nu deze als ondernemer de BTW als voorheffing kan verrekenen.

De vordering is voor het overige namens verdachte niet (inhoudelijk) betwist en is met de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die voor dit deel eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij onder feit 4 aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen tot een bedrag van € 19.320,34.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 19.320,34 ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [autobedrijf].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 273f, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 en feit 2:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van verduistering;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [autobedrijf], een bedrag van € 19.320,34,

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 19.320,34, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [autobedrijf];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 131 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.N. Pabbruwe, voorzitter,

mr. W.N.L. Donker en mr. J.T.W. van Ravenstein, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. van Beek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2012.

Mr. Donker is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van de in de verwijzing genoemde zaaksdossiers, die onderdeel uitmaken van het onderzoek 'Telluur'.

2 Tapgesprekken van 21 juni 2011, ZD/[S2]/T/ 33, 34 en 35

3 Proces-verbaal van aangifte [S2], ZD/[S2]/AH/12-13

4 Proces-verbaal van aangifte [S2], ZD/[S2]/A/02

5 Proces-verbaal van aangifte [S2], ZD/[S2]/A/02

6 Proces-verbaal van aangifte [S2], ZD/[S2]/A/02

7 Proces-verbaal van aangifte [S2], ZD/[S2]/A/04

8 Proces-verbaal van aangifte [S2], ZD/[S2]/A/03 en 04

9 Proces-verbaal van aangifte [S2], ZD/[S2]/A/06 en 07

10 Proces-verbaal van aangifte[S2], ZD/[S2]/A/07

11 Tapgesprek 6483, ZD/[S2]/T/08 t/m 11

12 Tapgesprek 6492, ZD/[S2]/T/ 15-22

13 Tapgesprek 6614, ZD/[S2]/T/ 23-26

14Tapgesprek 6615, ZD/[S2]/T/ 27-29

15 Tapgesprek 6956, ZD/[S2]/T/ 35

16 Tapgesprek 8105, ZD/[S2]/T/ 114

17 Tapgesprek 7480, ZD/[S2]/T/ 64

18 Tapgesprek 7485, ZD/[S2]/T/ 66-67

19 Tapgesprek 8105, ZD/[S2]/T/ 116, 15e regel van onder

20 Tapgesprek 242, ZD/[S2]/T/ 90

21 Tapgesprek 7353, ZD/[S2]/T/ 61-62

22 Proces-verbaal van aangifte [verdachte], ZD/Alkmaar/A/02

23 Tapgesprekken 136, 137 en 138, ZD/Werven/AH/18-20

24 Tapgesprek 554, ZD/Werven/AH/21

25 Tapgesprek en sms-berichten 155, 157, 158 en 165, ZD/Werven/AH/24-26 en 29

26 Tapgesprek 186, ZD/Werven/AH/36

27 Tapgesprek 373, ZD/Werven/AH/42

28 Tapgesprek 373, ZD/Werven/AH/57

29 Tapgesprekken 381 en 383, ZD/Werven/AH/59 en 63.

30 Tapgesprek 505, ZD/Werven/AH/67.

31 Proces-verbaal van verhoor getuige [S4] bij de rechter-commissaris, 9 mei 2012, paragraaf 6

32 Tapgesprekken 136, 137 en 138, ZD/Werven/AH/18-20

33 Tapgesprek 554, ZD/Werven/AH/21

34 Tapgesprek 179, ZD/Werven/AH/160

35 Tapgesprek 186, ZD/Werven/AH/35

36 Tapgesprekken en sms-berichten 156, 161, 179, 180, 187, 192, 201, 202, 240, 243 en 247, 248, 259 en 263 ZD/Werven/AH/157-187 &166-175

37 Sms-bericht 295, ZD/Werven/AH/177

38 Een geschrift, te weten een uitdraai resultaat GBA-bevraging, ZD/Werven/AH/208.

39 Proces-verbaal van verhoor getuige [S5] bij de rechter-commissaris, 21 mei 2012, paragraaf 6-8.

40 Proces-verbaal van verhoor aangever, ZD/Inbraak/A/02

41 Idem

42 Proces-verbaal van bevindingen, ZD/Inbraak/AH/29

43 Tapgesprek 8275, ZD/Inbraak/T/07

44 Proces-verbaal (relaas), ZD/Inbraak/4

45 Tapgesprek 8277, ZD/Inbraak/T/08

46 Proces-verbaal (relaas), ZD/inbraak/5

47 Tapgesprek 525, ZD/Inbraak/T/10

48 Tapgesprek 8278, ZD/Inbraak/T/12

49 Tapgesprek 8284, ZD/Inbraak/T/18

50 Tapgesprek 8293, ZD/Inbraak/T/26

51 Proces-verbaal van aangifte [eigenaar], ZD/Mercedes/A/04, laatste alinea

52 Proces-verbaal van verhoor verdachte bij inbewaringstelling, 6 januari 2012, paragraaf 2

53 Proces-verbaal van aangifte [eigenaar], ZD/Mercedes/A/02

54 Proces-verbaal van bevindingen, ZD/Mercedes/AH/20

55 Proces-verbaal van verhoor getuige [eigenaar] bij de rechter-commissaris op 7 mei 2012, paragraaf 4

56 Proces-verbaal van bevindingen, ZD/Mercedes/AH/30; proces-verbaal, ZD/Mercedes/AH/33

57 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling verdachte, ZD/Mercedes/AH/10, paragraaf 2

58 Proces-verbaal aangifte, ZD/Mercedes/A/02; Proces-verbaal verhoor aangever, ZD/Mercedes/A/09; proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling bij de rechter-commissaris, ZD/Mercedes/AH/10, onder punt 2, 11e volzin

59 Proces-verbaal van verhoor getuige [eigenaar] bij de rechter-commissaris, 7 mei 2012, paragraaf 6, laatste volzin

60 Proces-verbaal van aangifte [eigenaar], ZD/Mercedes/A/02