Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0717

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
AWB 10/7956 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bestuursrecht

militair ambtenarenrecht

bodemprocedure

Afwijzing verzoek om in aanmerking te komen voor een aanstelling bij de krijgsmacht in loopbaanfase 3 van het Flexibel Personeelssysteem (FPS).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/7956 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats],

gemachtigde mr. C. van Kins,

en

De Commandant der Koninklijke Marechaussee, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Op 1 december 2008 heeft eiser verzocht om in aanmerking te komen voor een aanstelling bij de krijgsmacht in loopbaanfase 3 van het Flexibel Personeelssysteem (FPS).

Bij besluit van 4 februari 2009 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser op 11 februari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2010 (AWB 09/4911 MAW) heeft de rechtbank het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser wederom ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 november 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 2 januari 2011 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Ju.

II OVERWEGINGEN

1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank bij haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2 Verweerder heeft in het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek van eiser gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de P&O bulletins, maar dat hij niet behoort tot de categorie van militairen die hebben aangegeven bereid te zijn bij de Brigade grensbewaking van het District Schiphol te worden geplaatst. Door middel van het FPS-systeem wordt ervoor gezorgd dat het personeel dat voldoet aan de hoge kwalititeitseisen, langer voor de Koninklijke Marechaussee behouden blijft. Om een zekere evenwichtige opbouw van het personeelsbestand te behouden, kunnen niet meer dan 150 militairen in aanmerking komen voor een FPS fase 3 aanstelling. Op 18 november 2008 is in de Marechausseeraad de koppeling gelegd tussen een FPS fase 3 aanstelling en het bevorderen van een vrijwillige plaatsing bij de Brigade Grensbewaking van het District Schiphol. Bij laatstbedoelde brigade is al sinds enkele jaren sprake van een nijpend personeelstekort, waardoor de opgedragen taken in het kader van het landsbelang niet naar behoren kunnen worden uitgevoerd.

3 Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder in het nieuwe besluit geen acht heeft geslagen op de eerdere uitspraak van de rechtbank van 28 juli 2010, waarbij het beroep tegen het eerdere besluit van 8 juni 2009 ongegrond is verklaard. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende tot uitdrukking laten komen hoe het belang van eiser is gewogen ten aanzien van het (organisatie)belang van verweerder. Hierbij is met name van belang dat inzet op behoud en doorstroming van het personeel het uitgangspunt van het FPS-systeem is, en eiser een uitstekende militair is die over bovengemiddelde kwaliteiten beschikt, hetgeen blijkt uit de hem verleende gratificaties en getuigschriften. Derhalve had van verweerder mogen worden verwacht dat eiser als militair voor de organisatie behouden zou blijven, aldus eiser.

4.1 De rechtbank stelt voorop dat verweerder ter zake van het in aanmerking brengen voor een aanstelling in loopbaanfase 3 van het FPS een discretionaire bevoegdheid toekomt, zodat de rechtbank een uit hoofde van die bevoegdheid genomen besluit slechts terughoudend kan toetsen. Bij die toetsing dient de rechtbank te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, en daarbij niet anderszins heeft gehandeld in strijd met enige ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.

4.2 Niet in geschil is dat het FPS-systeem tot doel heeft om personeel dat voldoet aan hoge kwalititeitseisen langer voor de Koninklijke Marechaussee te behouden en dat eiser over een goede inhoudelijke beoordeling en een uitmuntend positief advies van zijn commandant beschikt. Evenmin is in geschil dat eiser heeft aangegeven niet bereid te zijn bij de Brigade grensbewaking van het District Schiphol te worden geplaatst.

4.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank overtuigend uiteengezet dat het lands-en organisatiebelang is gediend met voldoende personeel bij de Brigade Grensbewaking van het District Schiphol. Voorts heeft verweerder gewicht toe mogen kennen aan het belang een evenwichtige opbouw van het personeelsbestand te behouden. De rechtbank is van oordeel dat het geformuleerde beleid ten aanzien van het verlenen van FPS fase 3 aanstellingen voor een belangrijk deel op genoemde belangen ziet. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder in redelijkheid kon weigeren eiser in aanmerking te brengen voor een aanstelling in loopbaanfase 3 van het FPS. Dat eiser over een goede inhoudelijke beoordeling en een uitmuntend positief advies van zijn commandant beschikte, maakt nog niet dat verweerder een uitzondering op het vorenbedoelde beleid dient te maken, temeer nu niet is gebleken dat eiser hierin een uitzonderlijke positie inneemt ten aanzien van andere sollicitanten.

5 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond

Aldus vastgesteld door mr. S.A. Steinhauser, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. B.J. Platenburg.

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.