Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0574

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/18201
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is afkomstig uit Zuid-Somalië. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat zich na de brief aan de voorzitter van de Afdeling van 17 april 2012 geen feitelijke wijzigingen hebben voorgedaan. Voorts is naar voren gekomen dat na de geannuleerde vlucht van 24 april 2012 geen verwijderingen gepland staan. Ook heeft verweerders gemachtigde verklaard dat de laatste gedwongen uitzetting in september 2010 heeft plaatsgevonden. Verweerders gemachtigde heeft verder uitgebreid toegelicht hoe verweerder van plan is om Somalische vreemdelingen gedwongen te verwijderen naar Centraal- of Zuid-Somalië. Verweerders gemachtigde heeft echter ter zitting ook verklaard dat van concrete afspraken in het algemeen nog geen sprake is, en dat ook per individu veel afspraken gemaakt moeten worden. Daarnaast heeft hij geen antwoord kunnen geven op de vraag of na februari 2012 verdere ontwikkelingen op diplomatiek niveau hebben plaatsgevonden. De Rb. stelt dan ook op grond van het voorgaande vast dat gedurende langere tijd geen sprake is van concrete afspraken op algemeen niveau en dat evenmin duidelijk is op welke termijn tot die concrete afspraken zal worden gekomen. Op grond van het vorenstaande is de Rb. dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat sprake is van zicht op verwijdering binnen een redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 18201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2012 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot)

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft verweerder eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in

artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt dit beroep tevens een verzoek tot toekenning van schadevergoeding in.

Bij faxbericht heeft verweerder nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Eiser is door middel van telehoren gehoord in het Detentiecentrum te Rotterdam, waar mr. W.H.M. Ummels als waarnemer van eisers gemachtigde aanwezig was. Als telefonische tolk was aanwezig [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 22 juni 2012 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van het bepaalde in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend omdat was gebleken dat de maatregel van bewaring op 20 juni 2012 is opgeheven in verband met een op 19 juni 2012 getroffen interim measure.

Eisers gemachtigde heeft de rechtbank te kennen gegeven het beroep te willen handhaven met het oog op schadevergoeding.

Verweerder heeft naar aanleiding hiervan een schriftelijke reactie ingediend.

Partijen hebben de rechtbank schriftelijk toestemming gegeven om een nadere behandeling ter nadere zitting achterwege te laten, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en de uitspraakdatum heeft bepaald op heden.

Overwegingen

1. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiser een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

2. In het onderhavige geval is verweerder op 20 juni 2012 overgegaan tot opheffing van de bewaring. Gelet op het verzoek tot schadevergoeding dient thans te worden vastgesteld of de maatregel van bewaring reeds op enig moment voor de opheffing ervan door verweerder onrechtmatig was en, zo ja, of aanleiding bestaat tot toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000. De rechtbank zal in dat verband beoordelen of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de Vw 2000 en het daarbij behorende Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

3. Eiser is op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld in het belang van de openbare orde aangezien er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan zijn verwijdering zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

- zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

- niet dan wel onvoldoende heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

- meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen. Eiser wordt immers opgevangen door een particuliere stichting te Heerlen. Hij ontvangt daar onderdak en een financiële bijdrage. Bovendien is het voeren van meerdere procedures legitiem te achten omdat de veiligheidssituatie in Somalië voortdurend verandert. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet kan worden gevolgd. Vast staat immers dat eiser zich niet gehouden heeft aan de eerder aan hem meermaals opgelegde vertrekplicht. Daarnaast is niet gebleken dat eiser staat ingeschreven in het GBA en dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. De enkele stelling dat hij opvang heeft en financiële ondersteuning krijgt van de Stichting [naam] te Heerlen, doet hier niet aan af nu eiser in zoverre afhankelijk is van de welwillendheid van derden. Deze besproken gronden vormen naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000, voldoende basis voor verweerders standpunt dat eiser de voorbereiding van zijn vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, zodat de rechtbank de overige gronden waartegen eiser zich verzet, buiten bespreking zal laten.

5. Met betrekking tot het betoog van eiser dat kan worden volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling, overweegt de rechtbank dat verweerder zich, gelet op de gronden, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met het opleggen van een lichter middel dan bewaring niet kan worden volstaan. Hierbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser meermaals uitdrukkelijk heeft aangegeven niet te willen terugkeren naar Somalië.

6. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting blijkt verder dat op

8 juni 2012 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Eiser heeft tijdens dit gesprek verklaard dat hij niet vrijwillig wenst terug te keren naar Somalië. De regievoerder heeft daarop vermeld dat nader onderzoek naar gedwongen vertrekmogelijkheden zal worden verricht.

7. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat sprake is van zicht op verwijdering naar (Zuid-)Somalië. De terugkeer zal geschieden met behulp van een zogenoemde EU-staat. Hij heeft hierbij aangegeven dat in februari 2012 een delegatie van de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: de DT&V) naar Mogadishu is vertrokken en aldaar met de verantwoordelijke minister heeft gesproken. Het resultaat van dit gesprek is dat het eerder afgesproken Memorandum of Understanding is bekrachtigd. Vervolgens is afgesproken dat de DT&V verwijdering van Somalische vreemdelingen ter hand zou nemen. Indien een vreemdeling in bewaring wordt gesteld, wordt ter voorbereiding van de terugkeer contact opgenomen met de Afdeling Bijzonder vertrek van de DT&V om verwijdering in gang te zetten. Verweerders gemachtigde heeft te dien aanzien aangegeven dat, voordat verwijdering kan worden gerealiseerd, afspraken gemaakt dienen te worden met onder andere het doorreisland, dat in dit geval Kenia zal zijn. Tevens moet begeleiding worden geboden door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee of de DT&V tot in elk geval het doorreisland en vervolgens dient de vreemdeling met het vliegtuig naar de luchthaven van Mogadishu door te reizen. In Mogadishu zal de vreemdeling aangemeld moeten worden bij de immigratieautoriteiten en luchthavenautoriteiten. Ook zullen afspraken moeten worden gemaakt met de luchtvaartmaatschappij die de vreemdelingen tot Mogadishu begeleiden. Zij moeten erop toezien dat de vreemdeling wordt toegelaten aan de grens. Indien dit niet zo is, dan zal de vreemdeling mee teruggenomen moeten worden naar Nederland. Eenmaal in Mogadishu, kan de vreemdeling niet met behulp van het vliegtuig verder worden gevlogen. Hij zal per land verder moeten reizen. Verweerders gemachtigde heeft aangegeven dat er een kruispunt is in Mogadishu, het zogenoemde junction 4 richting Afgooye corridor. Deze weg is ongeveer 5 kilometer lang en druk bevolkt door lokale mensen die zich ook van en naar Mogadishu verplaatsen. Daarnaast geldt dat Al Shabaab in zijn algemeenheid weg is in Mogadishu. Onder verwijzing naar het verkort ambtsbericht Somalië van februari 2012 heeft verweerders gemachtigde zich ter zitting dan ook op het standpunt gesteld dat voor Mogadishu weliswaar een zogenoemde 15c-situatie geldt, maar dat desondanks toch verondersteld kan worden dat het mogelijk is om te reizen, juist gelet op de omstandigheid dat de lokale bevolking dit ook doet.

8. Nadat het onderzoek ter zitting is gesloten, heeft verweerders gemachtigde laten weten dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op 19 juni 2012 een persoonlijke Rule 39, oftewel een interim measure, heeft getroffen. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan de maatregel van bewaring op 20 juni 2012 opgeheven. Ter beoordeling ligt dan ook voor of de maatregel reeds op enig moment voor de opheffing onrechtmatig is geworden wegens het ontbreken van zicht op verwijdering.

9. De rechtbank overweegt dienaangaande allereerst dat verweerder op 17 april 2012 zestien hoger beroepen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft ingetrokken. Dit blijkt uit een brief van 17 april 2012 van verweerder aan de voorzitter van de Afdeling, waarin hij aangeeft dat het proces van terugkeer naar (Noord-) Somalië veel zorg en in inspanning vergt. Het reizigersverkeer binnen Somalië heeft volgens verweerder een aanzienlijke omvang en de lokale vervoerders worden veelvuldig gebruikt. De veiligheidssituatie is desalniettemin zodanig dat met name gedwongen uitzetting zorgvuldig moet worden voorbereid. Diverse procedures en aan het individuele dossier verbonden aspecten maken dat verwijderingen moeilijk te realiseren zijn. Verweerder kon de voorzitter van de Afdeling geen informatie verschaffen over de vraag of voor de geplande verwijderingen van 24 april 2012 concrete afspraken zijn gemaakt. De gedwongen verwijderingen naar Noord-Somalië zijn daarom geannuleerd en de beroepen zijn ingetrokken.

10. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Zuid-Somalië. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat zich na 17 april 2012 geen feitelijke wijzigingen hebben voorgedaan. Voorts is naar voren gekomen dat na de geannuleerde vlucht van 24 april 2012 geen verwijderingen gepland staan. Ook heeft verweerders gemachtigde verklaard dat de laatste gedwongen uitzetting in september 2010 heeft plaatsgevonden. Verweerders gemachtigde heeft verder uitgebreid toegelicht hoe verweerder van plan is om Somalische vreemdelingen gedwongen te verwijderen naar Centraal- of Zuid-Somalië. Verweerders gemachtigde heeft echter ter zitting ook verklaard dat van concrete afspraken in het algemeen nog geen sprake is, en dat ook per individu veel afspraken gemaakt moeten worden. Daarnaast heeft hij geen antwoord kunnen geven op de vraag of na februari 2012 verdere ontwikkelingen op diplomatiek niveau hebben plaatsgevonden. De rechtbank stelt dan ook op grond van het voorgaande vast dat gedurende langere tijd geen sprake is van concrete afspraken op algemeen niveau en dat evenmin duidelijk is op welke termijn tot die concrete afspraken zal worden gekomen. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat sprake is van zicht op verwijdering binnen een redelijke termijn.

11. Nu zicht op verwijdering naar Centraal- of Zuid-Somalië binnen een redelijke termijn ontbreekt, dient de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig te worden geacht. Eiser komt dan ook over de periode van 5 juni 2012 tot 20 juni 2012 (zijnde vijftien dagen) een schadevergoeding toe. Het uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 105,= voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 80,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. De schadevergoeding bedraagt hiermee 1 x € 105,= en 14 x € 80,=. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 1225,=.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schadevergoeding te matigen, nu de reden van de onrechtmatige bewaring uitsluitend verband houdt met het ontbreken van zicht op uitzetting en niet (mede) verband houdt met een handelen van eiser.

13. Voorts ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 874,= voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welk bedrag is opgebouwd uit:

1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

1 punt voor het verschijnen ter zitting;

waarde per punt € 437,=;

wegingsfactor 1.

14. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.225,=;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,=, te vergoeden aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.A.J. Monnens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2012.

w.g. mr. S.A.J. Monnens,

griffier w.g. mr. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

€ 1.225,= (ZEGGE: DUIZENDTWEEHONDERDENVIJFENTWINTIG EURO)

Aldus gedaan op 3 juli 2012 door mr. M.C.M. Hamer.

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 juli 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.