Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0216

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
AWB 07/44297
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er zijn twee gelijkwaardige deskundigenrapporten uitgebracht, maar met tegengestelde conclusies. De Rb. heeft hierin aanleiding gezien om een derde deskundige aan te wijzen om nader onderzoek in te stellen naar de afkomst van eiser. Volgens vaste rechtspraak pleegt de Rb. het oordeel van een onafhankelijke door haar ingeschakelde deskundige te volgen, mits de deskundige zijn bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd. De Rb. is van oordeel dat Sprakab in zijn rapport op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd hoe hij tot zijn conclusie is gekomen. Ook aan dit rapport ligt ten grondslag dat in eisers spraak elementen van zowel het Kirundi als het Kinyarwanda voorkomen. De taalanalist concludeert, in navolging van de contra-expert, dat de elementen van het Kirundi overheersen en komt om die reden tot de conclusie dat eiser met een hoge graad van zekerheid afkomstig is uit Burundi. De Rb. ziet ook overigens geen reden om het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige niet te volgen. Zoals ook blijkt uit de reactie van BLT zijn de verschillende experts het eens over het bestaan van Kirundi- en Kinyarwanda-elementen in eisers spraak, maar verbinden zij daar verschillende conclusies aan. De reactie van BLT vormt een herhaling van de reeds in de oorspronkelijke taalanalyse vervatte argumenten, op grond waarvan het BLT meent dat eiser eenduidig niet afkomstig is uit Burundi. Deze reactie vormt dan ook geen aanleiding om de conclusie van Sprakab niet te volgen. De conclusie is dan ook dat verweerder de taalanalyse niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 07/44297

V-nr: 271.325.1543

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[eiser],

geboren op [1979], van gestelde Burundese nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, rechtsopvolger van de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 12 augustus 2006 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 23 november 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr.

W.A. Kleingeld, werkzaam bij de IND. Bij beslissing van 10 december 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Beide partijen hebben schriftelijk toestemming verleend om zonder een nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Relevante wettelijke bepalingen

1.1. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, zoals deze bepaling gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

1.2. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

1.3. Indien zich één van de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 voordoet, zal van het relaas een positieve overtuigingskracht uit moeten gaan willen de verklaringen alsnog als aannemelijk worden beschouwd.

Standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is. Eiser beschikt toerekenbaar niet over documenten ter staving van zijn identiteit en van zijn verklaringen gaat geen positieve overtuigingskracht uit, aldus verweerder. Zowel bij de tegenwerping van de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 als bij het oordeel met betrekking tot de positieve overtuigingskracht heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers gestelde identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig zijn. Daarbij heeft verweerder doorslaggevende betekenis toegekend aan de in deze zaak door Bureau Land en Taal (BLT) verrichte taalanalyse. In het rapport taalanalyse van 18 augustus 2006 wordt geconcludeerd dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap in Burundi.

2.2. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte twijfelt aan eisers gestelde identiteit en nationaliteit. Eiser heeft in beroep een contra-expertise van 1 juli 2008 van de Taalstudio overgelegd, opgesteld door een linguïst met het Kirundi als moedertaal. In deze contra-expertise wordt geconcludeerd dat eiser Kirundi als moedertaal spreekt en dat de onderzoeker er van overtuigd is dat hij afkomstig is uit Kanyosha/Burundi. Het standpunt van BLT dat betrokkene niet uit Burundi afkomstig zou zijn, kan volgens de contra-expert op grond van het linguïstisch onderzoek niet worden volgehouden. Verweerder is dan ook ten onrechte overgegaan tot afwijzing van de aanvraag zonder een inhoudelijke beoordeling van eisers asielmotieven, aldus eiser.

Oordeel van de rechtbank

3.1. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, onder meer bij uitspraak van 18 december 2009, LJN: BK8644) dient een taalanalyse te worden aangemerkt als een tegemoetkoming aan de op de vreemdeling rustende last om aannemelijk te maken dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen. In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat een vanwege verweerder door het BLT verrichte taalanalyse tot stand is gekomen onder verantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst waarvan de kwaliteit voldoende is gewaarborgd en dat de ingeschakelde taalanalist op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Niettemin dient verweerder, indien en voor zover hij tot het laten verrichten van een taalanalyse overgaat en deze aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van te vergewissen dat de taalanalyse zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk en concludent is. Indien de taalanalyse aan deze voorwaarden voldoet, kan de vreemdeling, gegeven de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last, de bij verweerder gerezen en door de taalanalyse niet weggenomen twijfels met betrekking tot zijn verklaringen slechts door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen.

3.2. Zowel de taalanalyse van BLT als de contra-expertise van de Taalstudio zijn naar het oordeel van de rechtbank opgesteld door een ter zake deskundige persoon. Bovendien voldoen de taalanalyse en de contra-expertise aan de hiervoor genoemde vereisten van zorgvuldigheid, inhoudelijke inzichtelijkheid en deugdelijkheid. Beide experts wijzen erop dat in eisers spraak elementen van het Kirundi (Burundi) en van het Kinyarwanda (Rwanda) voorkomen. De taalanalist en de contra-expert komen echter na analyse van de geluidsband tot verschillende conclusies. De taalanalist van BLT stelt op grond van de Kinyarwanda-elementen in eisers spraak vast dat eiser eenduidig niet afkomstig is uit Burundi. De contra-expert wijst erop dat het gebruik van elementen van het Kinyarwanda niet tot die conclusie leidt. Hij meent dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat eiser is gesocialiseerd in Burundi en heeft de sterke overtuiging dat eiser afkomstig is uit de regio Kanyosha/Bujumbura in Burundi.

3.3. In deze zaak zijn dus twee gelijkwaardige deskundigenrapporten uitgebracht, maar met tegengestelde conclusies. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om een derde deskundige aan te wijzen om nader onderzoek in te stellen naar de afkomst van eiser. Het hiervoor benaderde taalbureau Sprakab heeft op 22 augustus 2011 zijn bevindingen kenbaar gemaakt. De conclusie van het rapport van Sprakab is dat eiser met een hoge graad van zekerheid afkomstig is uit Burundi.

3.4. Volgens vaste rechtspraak pleegt de rechtbank het oordeel van een onafhankelijke door haar ingeschakelde deskundige te volgen, mits de deskundige zijn bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juni 2010, LJN: BM8042). De rechtbank is van oordeel dat Sprakab in het rapport van 22 augustus 2011 op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd hoe hij tot zijn conclusie is gekomen. Ook aan dit rapport ligt ten grondslag dat in eisers spraak elementen van zowel het Kirundi als het Kinyarwanda voorkomen. De taalanalist concludeert, in navolging van de contra-expert, dat de elementen van het Kirundi overheersen en komt om die reden tot de conclusie dat eiser met een hoge graad van zekerheid afkomstig is uit Burundi.

3.5. De rechtbank ziet ook overigens geen reden om het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige niet te volgen. De door verweerder ingebrachte reactie van

7 september 2011 van BLT op het rapport van Sprakab vormt daartoe in ieder geval onvoldoende aanleiding. Zoals ook blijkt uit de reactie van BLT zijn de verschillende experts het eens over het bestaan van Kirundi- en Kinyarwanda-elementen in eisers spraak, maar verbinden zij daar verschillende conclusies aan. De reactie van BLT vormt een herhaling van de reeds in de oorspronkelijke taalanalyse vervatte argumenten, op grond waarvan het BLT meent dat eiser eenduidig niet afkomstig is uit Burundi. Deze reactie vormt dan ook geen aanleiding om de conclusie van Sprakab niet te volgen. Ook de reactie van de contra-expert van de Taalstudio van 1 december 2011 op het rapport van Sprakab vormt hiertoe geen aanleiding. Het rapport van Sprakab bevestigt immers de eerdere conclusies van de contra-expert, zoals de contra-expert in zijn reactie ook zelf aangeeft.

4. De conclusie is dan ook dat verweerder de taalanalyse niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en daarbij uit dienen te gaan van de door eiser gestelde Burundese nationaliteit. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

5.1. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens de lange duur van deze procedure. Uit vaste jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van een procedure, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. De rechtbank stelt vast dat er ruim vier jaren zijn verstreken sinds in deze procedure beroep is ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank is op grond van dit tijdsverloop van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden waarbinnen een dergelijke procedure dient te zijn beslecht.

5.2. De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met - voor zover nodig - overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van eiser om schadevergoeding met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase. Deze gevolgtrekking vormt op haar beurt aanleiding om het onderzoek op grond van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb te heropenen. Op de voet van artikel 8:26 van de Awb merkt de rechtbank, naast verweerder, thans de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 322,-- en een wegingsfactor 1). Eiser heeft voorts verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte kosten in verband met de inschakeling van de contra-expert. Volgens vaste jurisprudentie komen de kosten van inschakeling van een deskundige voor vergoeding in aanmerking als deze inschakeling redelijk is. Daarvoor is bepalend of de partij die een deskundige inschakelt gezien de feiten en omstandigheden op dat moment er vanuit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Gezien het voorgaande is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijke inschakeling. Op grond van artikel 2, eerste lid aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet in tarieven in strafzaken. De rechtbank stelt - mede gelet op de hiervoor onder 5.2. genoemde heropening van de procedure - eiser in de gelegenheid om bewijs te leveren van het daadwerkelijk door eiser aan de deskundige betaalde bedrag, alsmede om opgave te doen van het aantal uren dat met de contra-expertise gemoeid is geweest.

7. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen aan de griffier;

- bepaalt dat het onderzoek onder een nieuw nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van eiser om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzitter, en mrs. C.W.M. Giesen en H.J.M. Baldinger, rechters, in aanwezigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LFF

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.