Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0140

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
09-925039-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft cocaïne gedeald. De handel in deze verdovende middelen vormt een bedreiging voor de Nederlandse samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen schade toebrengen aan de volksgezondheid.

Verdachtes handelen heeft het tevens mogelijk gemaakt dat een groep verslaafden gedurende deze periode werd voorzien van cocaïne en daarmee heeft verdachte, die nota bene zelf bekend is met de problemen die drugsgebruik met zich brengt, bijgedragen aan het in stand houden van de verslavingsproblematiek van deze groep. Gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/925039-12

Datum uitspraak: 4 mei 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats verdachte] ([geboorteland verdachte]),

wonende te [woonplaats verdachte],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "P.I. Midden Holland - HvB De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 april 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.A. Visser, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. E.M. Steller, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, cursief weergegeven - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 januari 2012 te 's-Gravenhage en/of te Delft, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of 11 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende XTC(/MDMA), en/of 485 tabletten methadon, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methadon(hydrochloride), zijnde cocaïne en/of XTC(/MDMA) en/of methadon(hydrochloride) (telkens) (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 9 januari 2012 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van eenmateriaal bevattende XTC(/MDMA) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende methadon(hydrochloride) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine), zijnde cocaïne en/of XTC(/MDMA) en/of methadon(hydrochloride) en/of heroïne (diacetylmorfine) (telkens) (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding1

Op 9 januari 2012 zien verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat verdachte in zijn auto, een rode Citroen Xsara die geparkeerd staat op het Kaapseplein in Den Haag, een joint aan het draaien is. Zij ruiken een henneplucht. Verdachte is hierop de cautie gegeven. Hij ontkent dat hij nog meer verdovende middelen bij zich heeft. De verbalisanten zien echter een gripzakje met wiet in het dashboardkastje liggen. Hierop is verdachte gefouilleerd. Bij deze fouillering worden drie methadonpillen en drie mobiele telefoons aangetroffen. Op grond van deze bevindingen is vervolgens de auto van verdachte onderzocht. Hierbij wordt een weegschaaltje, een drukblikje met daarin diverse witte blokjes, twee mobiele telefoons en een TomTom-navigatiesysteem aangetroffen. De witte blokjes betroffen volgens verdachte cocaïne. Verdachte is hierop aangehouden ter zake handel c.q. bezit van verdovende middelen. Op het politiebureau wordt bij verdachte bij de insluitingsfouillering een bedrag van € 300,- in contanten aangetroffen.2

Tevens is de woning van verdachte met diens toestemming doorzocht. Hierbij worden de volgende goederen aangetroffen:

- één weegschaal;

- een plastic zak met daarin 1 doosje Symoron Methadon, voorzien van 9 strips met 10 methadontabletten per strip;

- zeven weekrollen (van elk 56 pillen) methadon (met de volgende data: 24-08, 14-09, 26-10, 15-10-2011, 12-10-2011, 4-10-2011 en 5-1-2012) van Apotheek Tanthof;

- één gripzakje met 11 pillen voorzien van het logo van Mercedes;

- twee plastic zakjes met daarin een bruine poedersubstantie;

- één papieren zakje met daarin een plastic gripzakje met opschrift 'CAF' met daarin een witte poedersubstantie.3

Ten aanzien van de pillen voorzien van het logo van Mercedes heeft verdachte verklaard dat het XTC-pillen zijn.4 Het NFI heeft vastgesteld dat de pillen MDMA bevatten.5

Ten aanzien van de zakjes met een witte substantie die zijn aangetroffen in de auto van verdachte heeft verdachte verklaard dat het cocaïne betreft.6 Het NFI heeft vastgesteld dat het poeder in beide zakjes -het ene zakje weegt 1,3 gram, het andere zakje 1,9 gram7- cocaïne bevat.8

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat met betrekking tot feit 2 uitsluitend het dealen van cocaïne, en dus niet van de andere ten laste gelegde middelen, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich niet verzet tegen bewezenverklaring van feit 1. Ten aanzien van het aanwezig hebben van methadon heeft de raadsman echter aangevoerd dat verdachte die pillen in bezit mocht hebben, omdat deze pillen hem op recept waren verstrekt. Verdachte zal daarom van dat onderdeel moeten worden vrijgesproken of worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De politie heeft de diverse getuigenverklaringen verkregen na het uitlezen van de telefoons van verdachte. Voor het uitlezen van de telefoons van verdachte, die waren voorzien van de code 0000, ontbrak echter, aldus de raadsman, een wettelijke basis. De verkregen getuigenverklaringen mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt, zodat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Indien de rechtbank dit verweer zou verwerpen stelt de raadsman zich op het standpunt dat het uitlezen van de telefoons disproportioneel was, waaraan eveneens het gevolg dient te worden verbonden dat de verkregen getuigenverklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht, de bewezen te verklaren periode dient te worden verkort tot de periode van juli 2011 tot en met 9 januari 2012.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van het verweer over de methadonpillen, die voor eigen gebruik bestemd waren, overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Opiumwet het verbod op het aanwezig hebben van middelen als bedoeld op lijst I (waaronder methadon) niet geldt voor hen die die middelen voor eigen geneeskundig gebruik behoeven.

Vast staat dat aan verdachte methadontabletten zijn verstrekt voor eigen geneeskundig gebruik. Verdachte heeft een gedeelte van die tabletten opgespaard, doordat hij niet altijd de volledige hoeveelheid heeft ingenomen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad9 volgt dat het voorhanden hebben van tabletten die op medisch voorschrift zijn verkregen niet volgens voorschrift worden gebruikt wanneer zij worden opgespaard, zodat het niet aannemelijk is dat deze tabletten in de bevonden hoeveelheid voor eigen geneeskundig gebruik bestemd waren. Opgespaarde methadontabletten vallen daarom, aldus het arrest van de Hoge Raad, niet onder de uitzondering van artikel 6, derde lid, van de Opiumwet10. De rechtbank acht derhalve het onder 1 tenlastegelegde, ook voor wat betreft de methadonpillen, wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de politie de telefoons van verdachte niet had mogen uitlezen, omdat de telefoon beveiligd was met een code en een wettelijke basis voor het uitlezen ontbrak. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Er is geen (strafrechtelijke) rechtsregel die verbiedt dat, nadat er beslag is gelegd op een goed, dit goed wordt onderzocht. Dat onderzoek is aanzienlijk vereenvoudigd, doordat de pincode de standaardcode 0000 was. Het was dan ook niet nodig om aanvullende bevoegdheden toe te passen, zoals die van het opvragen van de puk-code op grond van artikel 126ng van het Wetboek van Strafvordering. Bovendien heeft de wetgever met betrekking tot gegevens in gegevensdragers - waaronder een mobiele telefoon kan worden geschaard - bepaald dat de doorzoeking ter inbeslagname de bevoegdheid omvat tot onderzoek in en kennisneming en vergaren van de gegevens, opgeslagen in gegevensbestanden die op de plaats van doorzoeking aanwezig zijn. Gelet op het voorgaande is dan ook niet gebleken van enig vormverzuim, zodat er geen grond is waarop de bewijsmiddelen die na onderzoek van de mobiele telefoon zijn gevonden, van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten.

In één van de mobiele telefoons die onder verdachte in beslag zijn genomen is een sms-bericht met de tekst "kanje voor 20 eu brengen ben ziek man, griep alles ok ja", aangetroffen. Dit bericht blijkt afkomstig te zijn van [betrokkene 1], die bij de politie bekend staat als harddruggebruiker. Het adres van [betrokkene 1], [adres betrokkene 1], staat voorts geprogrammeerd in het onder verdachte in beslag genomen navigatiesysteem.11

De politie heeft diverse getuigenverklaringen opgenomen van personen die in één van de telefoons van verdachte zijn opgeslagen.

[betrokkene 2], in de telefoon van verdachte opgeslagen als [roepnaam betrokkene 2], heeft verklaard dat zij wel eens cocaïne heeft gekocht van een kleine Hindoestaanse man van 35 à 45 jaar oud. Die man noemde haar '[roepnaam betrokkene 2]'. [betrokkene 2] is vervolgens met een foto van verdachte geconfronteerd. Op deze foto herkent zij de man van wie zij wel eens cocaïne heeft gekocht.12 Deze man zou zichzelf [roepnaam verdachte] noemen. [roepnaam verdachte] is de roepnaam van verdachte.13

[betrokkene 3] heeft verklaard dat hij in september 2011 voor 50 euro aan cocaïne heeft gekocht van een kleine Hindoestaans Surinaamse man van ongeveer 35 à 40 jaar oud. Nadat hem een politiefoto van verdachte is getoond, verklaart hij dat de man op die foto degene is van wie hij de cocaïne heeft gekocht.14

[betrokkene 4] heeft verklaard dat zijn moeder onder andere van een kleine Hindoestaanse man die zich [roepnaam verdachte] noemde cocaïne heeft gekocht. [roepnaam verdachte] kwam omstreeks juli 2011 dagelijks met een roodkleurige auto langs om cocaïne te verkopen. Nadat [betrokkene 4] is geconfronteerd met een politiefoto van verdachte verklaart hij dat de man op de foto degene is die cocaïne aan zijn moeder verkocht.15

Uit de hierboven genoemde verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte in de ten laste gelegde periode cocaïne heeft verkocht en afgeleverd. Nu dat geschied is binnen de (gewijzigde) tenlastegelegde periode zal de rechtbank die periode bewezen verklaren. Bij het bepalen van de strafmaat zal zij zo nodig rekening houden met de beperktere duur van het dealen. Niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte in heroïne, XTC of methadon heeft gedeald, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

op 09 januari 2012 te 's-Gravenhage en/of te Delft opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne, en 11 XTC pillen, bevattende MDMA en 485 tabletten methadon, zijnde cocaïne en MDMA en methadonhydrochloride, telkens middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van feit 2:

hij in de periode van 1 april 2011 tot en met 8 januari 2012 te 's-Gravenhage meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. De strafbaarheid van de feiten

Voor ontslag van alle rechtsvervolging voor wat betreft de methadonpillen is, gelet op hetgeen onder 3.4 werd overwogen, geen grond. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verwezen naar de LOVS-orïentatiepunten waaruit volgt dat -in geval van een bewezenverklaarde handelperiode van 6 maanden- een gevangenisstraf van 8 maanden dient te worden opgelegd.

Voorts dient de rechtbank, aldus de raadsman, in strafmatigend opzicht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte slechts een beperkt aantal afnemers van verdovende middelen heeft voorzien, beperkte justitiële documentatie heeft en bij langdurige detentie zijn huis dreigt kwijt te raken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft cocaïne gedeald. De handel in deze verdovende middelen vormt een bedreiging voor de Nederlandse samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen schade toebrengen aan de volksgezondheid.

Verdachtes handelen heeft het tevens mogelijk gemaakt dat een groep verslaafden gedurende deze periode werd voorzien van cocaïne en daarmee heeft verdachte, die nota bene zelf bekend is met de problemen die drugsgebruik met zich brengt, bijgedragen aan het in stand houden van de verslavingsproblematiek van deze groep. Het is algemeen bekend dat verslaafden niet zelden misdrijven plegen om in hun verslaving te kunnen voorzien. Het gebruik van verdovende middelen heeft aldus een ontwrichtende werking op de maatschappij. Verdachte heeft de maatschappij bewust aan deze risico's blootgesteld en kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld ten koste van anderen.

Ook heeft hij een aantal verschillende soorten verboden verdovende middelen in bezit gehad. Om goeddeels dezelfde redenen als hiervoor genoemd is ook het bezit van dergelijke middelen verboden en wordt het, vanwege het kwalijke karakter ervan, verdachte nadrukkelijk aangerekend.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat hij eerder tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet.

Bij het bepalen van de strafmaat acht de rechtbank voorts van belang het aantal gebruikers dat verdachte van cocaïne heeft voorzien en de frequentie waarmee dat heeft plaatsgevonden.

Uit het dossier volgt dat de politie slechts een klein aantal afnemers heeft weten te achterhalen. Bovendien hebben deze afnemers overwegend, zo volgt uit het dossier, slechts korte tijd geringe hoeveelheden cocaïne van verdachte gekocht. De rechtbank kan er om die reden niet anders dan vanuit gaan dat verdachte slechts een kleine handelaar was. Op grond hiervan acht de rechtbank een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie geëist, passend en geboden.

De rechtbank heeft ten slotte acht geslagen op het reclasseringsadvies van Palier d.d. 17 april 2012. Uit dit rapport volgt dat er bij verdachte onder andere sprake is van een jarenlange drugsverslaving. De reclassering is van mening dat dit aandacht behoeft, zodat de kans op recidive wordt verminderd. Gelet echter op de houding van verdachte wordt er geen meerwaarde gezien in het inzetten van een behandeltraject binnen een justitieel kader. Binnen de bestaande hulpverleningscontacten heeft verdachte de mogelijkheid om zijn behandeling uit te breiden wanneer hij daartoe gemotiveerd raakt. De reclassering adviseert daarom verdachte een geheel onvoorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht door het reclasseringsadvies en maakt de conclusies tot de hare. De rechtbank zal verdachte een geheel onvoorwaardelijke straf opleggen.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J.J.M. Weijnen, voorzitter,

mrs J.W. du Pon en G.H.M. Smelt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W. Gunnewegh, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL1513 2012007149, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 01 t/m 103).

2 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 41-42.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 15.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 62-63.

5 Een verslag van een deskundige met het antwoord op de opdracht die aan hem is verleend tot het doen van onderzoek, gebaseerd op wat zijn wetenschap en kennis hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, blz. 103.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 60.

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 24.

8 Een verslag van een deskundige met het antwoord op de opdracht die aan hem is verleend tot het doen van onderzoek, gebaseerd op wat zijn wetenschap en kennis hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, blz. 103.

9 HR 15 december 1998, LJN: ZD1293 en NJ 1999, 204.

10 Dit artikel is, nadat het is omgenummerd, gelijk aan het huidige artikel 5, tweede lid, van de Opiumwet. Zie de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Opiumwet, Kamerstuk 27874 nr. 3.

11 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 75.

12 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 78.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 89.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3], blz. 79.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 4], blz. 86.