Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0058

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
09/753707-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing door hun slachtoffer met geweld en bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van een aanzienlijk geldbedrag. In de eerste plaats hebben verdachte en zijn mededaders het slachtoffer die in een auto op weg naar zijn werk was, met twee auto's klemgereden. Verdachte sloeg vervolgens met een lifehammer het raam aan de bestuurderszijde kapot en gaf het slachtoffer een klap in het gezicht. Een van de mededaders nam hierna plaats op de bijrijderstoel en heeft het slachtoffer bedreigd met een vuurwapen. Nadat het slachtoffer uit de auto werd getrokken, is hij door verdachte tegen de grond geslagen en geschopt. In de periode na dit voorval heeft verdachte vervolgens herhaaldelijk via telefoon contact gezocht met het slachtoffer om hem met dreigende taal wederom tot afgifte van geld te dwingen. Gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar met aftrek. Zie ook LJN BX0054.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/753707-11

Datum uitspraak: 22 juni 2012

Verkort vonnis

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 2],

geboren op [datum] 1956 te [plaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "HvB De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 januari 2012, 16 maart 2012 en 8 juni 2012.

Verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. U. Santi, advocaat te Waalwijk, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. H. De Koning heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Verder heeft zij geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 219.882,70. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht oplegt.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, in of omstreeks de periode van 01 september 2011 tot 11 oktober 2011 te Nieuwerkerk ad IJssel, gemeente Zuidplas, en/of te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [A]te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [A] heeft/hebben klem gereden in de auto en/of

- een ruit van de auto van die [A] heeft/hebben in geslagen en/of

- die [A] meermalen, althans een maal, heeft/hebben geslagen en/of

- die [A] meermalen, althans een maal, heeft/hebben geschopt en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben

gericht op die [A] en/of

- tegen die [A] in een telefoongesprek heeft/hebben gezegd: "Luister

eens, zeg maar tegen [B] voor maandag moet hij het geld overmaken anders is

hij de onze" en/of

- die [A] een sms heeft/hebben gestuurd met onder meer de tekst: "Voor

maandag wil ik het rond hebben. 980.000. Jouw de keuze. Betalen zal je

toch." en/of

- die [A] een sms heeft/hebben gestuurd met de tekst: "[B] ga je betalen

ja of nee. Laat maar weten op dit nummer. Denk goed na . . ? Voordat spijt

krijgt." en/of

- die [A] een of meer brieven heeft/hebben gestuurd met onder meer de

tekst: "Het is aan jou de keuze, weest verstandig, want betalen zal je"

en/of "Als je niet reageert dan laat je zien dat zelfs de toekomst van je

kinderen niet echt interesseert",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 15 februari 2011 te Zwijndrecht en/of/althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [A]heeft gedwongen tot de afgifte van (in totaal) E 120.000,=, in elk geval van geld, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [A] heeft/hebben gezegd dat als hij niet zou betalen, hij het wel

zou merken en/of "Ik waarschuw niet, ik doe", althans woorden van gelijke

aard of strekking en/of

- naar de woning van die [A] is/zijn gegaan en/of voor die woning is/zijn

blijven staan, althans personen naar de woning van die [A]

heeft/hebben gestuurd, en/of

- die [A] heeft/hebben gezegd dat hij zijn gangen in het dagelijks leven

heeft geobserveerd en/of

- tijdens een gesprek met die [A] handschoenen aan heeft/hebben getrokken

en heeft/hebben gezegd dat we maar naar buiten moesten komen.

Vrijspraak feit 2

Verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij samen met anderen in de periode 1 september 2010 tot en met 15 februari 2011 aangever [A](hierna: [A]) heeft afgeperst tot betaling van in totaal € 120.000,00. Dit bedrag is in de periode van 14 december 2010 tot en met 15 februari 2011 via een aan [A] toebehorende vennootschap in termijnen overgemaakt aan een vennootschap die werd bestuurd door medeverdachte [verdachte 1](hierna: [verdachte 1]). Verder volgt uit het dossier dat [A] en [verdachte 1] tot medio 2004 op zakelijk terrein hebben samengewerkt en dat [verdachte 1] naar aanleiding van deze samenwerking meent een geldvordering te hebben op [A]. Medio 2010 heeft [verdachte 1] hierover contact gezocht met [A] en uiteindelijk hebben [A] en [verdachte 1] elkaar onder meer op 14 december 2010 getroffen in een wegrestaurant te Zwijndrecht. Bij deze ontmoeting was ook verdachte aanwezig. [A] heeft verklaard dat hij onder meer tijdens deze bespreking onder druk is gezet en zodoende is afgeperst tot betaling van het genoemde geldbedrag. Verdachte heeft dit ontkend. De vraag die derhalve aan de rechtbank voorligt is of niettemin bewezen kan worden verklaard dat [A] voornoemde betaling heeft gedaan als gevolg van de in de tenlastelegging omschreven gedragingen.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Daarbij heeft de rechtbank allereerst in aanmerking genomen dat [A] eerst 8 maanden na 14 december 2010, aangifte heeft gedaan en heeft verklaard dat hij is gedwongen tot betaling van € 120.000,00. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat weliswaar aannemelijk is dat bij de bespreking op 14 december 2010 mede door toedoen van de verdachte van een onaangename sfeer sprake was, de personen die aanwezig waren bij de bespreking op 14 december 2010 verklaren evenwel niet evident en eensluidend over een situatie waarin [A] werd bedreigd zoals (in de laatste twee gedachtenstreepjes) is tenlastegelegd. Dat in de tenlastegelegde periode verdachte of anderen naar de woning van [A] zijn gegaan of gestuurd, volgt voorts niet uit het dossier. Ten slotte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, gegeven de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet voldoende kan worden uitgesloten dat [A] om hem moverende redenen, anders dan als gevolg van bedreiging op de wijze zoals tenlastegelegd, heeft besloten tot betaling van € 120.000,00.

De voorgaande overwegingen brengen met zich dat verdachte van het hem onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen feit 1

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging feit 1

De raadsman heeft met betrekking tot het voorval op 1 september 2011 aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat een vuurwapen is gericht op [A]. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het opzet van verdachte niet gericht is geweest op het dwingen tot afgifte van geld.

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte en de daarop volgende verklaringen van [A] op dit onderdeel genoegzaam worden ondersteund door andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van getuige [getuige 1]. Hij heeft immers verklaard dat een van de mannen met een pistool zwaaiende bewegingen maakte in de richting van de bestuurder van de BMW en dat hij aan de bestuurderszijde van de auto op de grond een kogel zag liggen. Deze kogel is vervolgens door de politie aangetroffen en veiliggesteld. Dit maakt dat de rechtbank ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen zal verklaren. Verder is de rechtbank anders dan de raadsman van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat bij verdachte het opzet aanwezig is geweest om [A] te bewegen tot afgifte van geld. Verdachte heeft verklaard "een babbeltje" met [A] te hebben willen maken, maar dat dit door toedoen van [A] uit de hand is gelopen. Nu [A] echter door twee auto's is klemgereden en verdachte en een mededader vervolgens met respectievelijk een ruitentikker en een vuurwapen richting de auto van [A] zijn gelopen, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de verdachte [A] alleen heeft benaderd om met hem te praten. Aannemelijk is dat dit is gedaan met de bedoeling om hem te bewegen tot het betalen van geld. Verdachte was immers op de hoogte van het conflict tussen [A] en [verdachte 1] en wist dat laatstgenoemde meende geld tegoed te hebben van [A]. Medeverdachte [verdachte 4] heeft voorts verklaard dat [verdachte 1] op zoek was naar iemand die kon helpen om geld terug te krijgen en dat hij hem vervolgens in contact heeft gebracht met verdachte. Verder heeft verdachte in een e-mailbericht, verzonden op 9 oktober 2011, aan zijn tante te kennen gegeven samen met […]([verdachte 1]) nog steeds achter hun geld aan te zitten. Ten slotte is van belang dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte aan de bestuurder van de BMW om geld heeft horen vragen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte [A] per telefoon en sms heeft bedreigd en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierop als volgt. Het in de tenlastelegging genoemde telefoongesprek is door de politie opgenomen en afgeluisterd. Uit het schriftelijke verslag hiervan blijkt dat de beller zich in dit gesprek heeft voorgesteld met de naam [voornaam verdachte 2]. Voorts hebben twee verbalisanten en een tolk in de Molukse taal de stem van de beller herkend als de stem van verdachte. Anders dan de raadsman heeft betoogd, hebben de betreffende verbalisanten en de tolk inzichtelijk gemaakt waarop deze stemherkenning is gebaseerd. Zij hebben immers verklaard de stem te herkennen naar aanleiding van een door hen beluisterd telefoongesprek dat is gevoerd via het aan verdachte toebehorende telefoonnummer [nummer]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat deze stemherkenningen betrouwbaar zijn. De sms-berichten zijn voorts afkomstig van hetzelfde telefoonnummer als het nummer waarmee het in de tenlastelegging genoemde telefoongesprek is gevoerd. Daarnaast geldt dat van vanaf bedoeld telefoonnummer een sms-bericht naar [A] is gestuurd waarin wordt verwezen naar een ligstoel in de tuin van [A], terwijl verdachte heeft bekend foto's te hebben gemaakt van een ligstoel in de tuin van [A]. Al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte bedoelde bedreigingen jegens [A] heeft geuit.

Met de raadsman is de rechtbank evenwel van oordeel dat geen bewijs voorhanden is waaruit volgt dat verdachte de afzender is van de aan [A] verzonden dreigbrieven, evenmin dat hij daar als medepleger bij betrokken is geweest. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring feit 1

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat verdachte het op de dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat verdachte:

en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, in de periode van 01 september 2011 tot 11 oktober 2011 te Nieuwerkerk ad IJssel, gemeente Zuidplas, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [A]te dwingen tot de afgifte van geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders:

- die [A] heeft/hebben klem gereden in de auto en

- een ruit van de auto van die [A] hebben ingeslagen en

- die [A] meermalen hebben geslagen en

- die [A] meermalen hebben geschopt en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben

gericht op die [A] en

- tegen die [A] in een telefoongesprek hebben gezegd: "Luister

eens, zeg maar tegen [B] voor maandag moet hij het geld overmaken anders is

hij de onze" en

- die [A] een sms hebben gestuurd met onder meer de tekst: "Voor

maandag wil ik het rond hebben. 980.000. Jouw de keuze. Betalen zal je

toch." en

- die [A] een sms hebben gestuurd met de tekst: "[B] ga je betalen

ja of nee. Laat maar weten op dit nummer. Denk goed na . . ? Voordat spijt

krijgt.",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Voorts is verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing door hun slachtoffer met geweld en bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van een aanzienlijk geldbedrag. In de eerste plaats hebben verdachte en zijn mededaders het slachtoffer die in een auto op weg naar zijn werk was, met twee auto's klemgereden. Verdachte sloeg vervolgens met een lifehammer het raam aan de bestuurderszijde kapot en gaf het slachtoffer een klap in het gezicht. Een van de mededaders nam hierna plaats op de bijrijderstoel en heeft het slachtoffer bedreigd met een vuurwapen. Nadat het slachtoffer uit de auto werd getrokken, is hij door verdachte tegen de grond geslagen en geschopt. In de periode na dit voorval heeft verdachte vervolgens herhaaldelijk via telefoon contact gezocht met het slachtoffer om hem met dreigende taal wederom tot afgifte van geld te dwingen.

Met deze grove en volstrekt ontoelaatbare handelwijze heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem vrees en angst aangejaagd. Blijkens de ter terechtzitting voorgehouden schriftelijke slachtofferverklaring ondervindt hij en zijn gezin nog dagelijks de ellendige gevolgen van het handelen van verdachte. Daarnaast wordt door dergelijk gewelddadig gedrag het gevoel van angst en onveiligheid in de samenleving aangewakkerd, te meer nu in het onderhavige geval meerdere mensen getuige zijn geweest van dit misdrijf. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van mishandeling is veroordeeld, zij het lang geleden.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. De omstandigheid dat de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan door de officier van justitie is gevorderd zal evenwel bij de duur van de op te leggen gevangenisstraf tot uitdrukking worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij

A. [A], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 219.882,70.

De raadsman heeft de vordering betwist door er - onder meer - op te wijzen dat de betalingen waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn gedaan door een besloten vennootschap.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding. Niet vastgesteld kan worden dat de benadeelde partij de door hem opgevoerde schade persoonlijk heeft geleden, nu uit het dossier en de bij de vordering gevoegde stukken blijkt dat de deze schadeposten in rekening zijn gebracht bij of zijn betaald door een besloten vennootschap.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partij deel ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Timmermans, voorzitter,

mrs. M.J.J. Visser en S.M. Krans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2012.

Mr. Van Essen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.