Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0054

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
09/753680-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afpersing en witwassen; vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/753680-11

Datum uitspraak: 22 juni 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren op [datum] 1956 te [plaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "HvB Haarlem" te Haarlem.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 januari 2012, 16 maart 2012 en 8 juni 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. de Koning en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.H.P. van Vugt, advocaat te Eindhoven, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, in of omstreeks de periode van 01 september 2011 tot 11 oktober 2011 te Nieuwerkerk ad IJssel, gemeente Zuidplas, en/of te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [A]te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [A] heeft/hebben klem gereden in de auto en/of

- een ruit van de auto van die [A] heeft/hebben in geslagen en/of

- die [A] meermalen, althans een maal, heeft/hebben geslagen en/of

- die [A] meermalen, althans een maal, heeft/hebben geschopt en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op die [A] en/of

- tegen die [A] in een telefoongesprek heeft/hebben gezegd: "Luister eens, zeg maar tegen [B] voor maandag moet hij het geld overmaken anders is hij de onze" en/of

- die [A] een sms heeft/hebben gestuurd met onder meer de tekst: "Voor maandag wil ik het rond hebben. 980.000. Jouw de keuze. Betalen zal je toch." en/of

- die [A] een sms heeft/hebben gestuurd met de tekst: "[B] ga je betalen ja of nee. Laat maar weten op dit nummer. Denk goed na . . ? Voordat spijt krijgt." en/of

- die [A] een of meer brieven heeft/hebben gestuurd met onder meer de tekst: "Het is aan jou de keuze, weest verstandig, want betalen zal je" en/of "Als je niet reageert dan laat je zien dat zelfs de toekomst van je kinderen niet echt interesseert", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 15 februari 2011 te Zwijndrecht en/of/althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [A]heeft gedwongen tot de afgifte van (in totaal) E 120.000,=, in elk geval van geld, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [A] heeft/hebben gezegd dat als hij niet zou betalen, hij het wel zou merken en/of "Ik waarschuw niet, ik doe", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- naar de woning van die [A] is/zijn gegaan en/of voor die woning is/zijn blijven staan, althans personen naar de woning van die [A] heeft/hebben gestuurd, en/of

- die [A] heeft/hebben gezegd dat hij zijn gangen in het dagelijks leven heeft geobserveerd en/of

- tijdens een gesprek met die [A] handschoenen aan heeft/hebben getrokken en heeft/hebben gezegd dat we maar naar buiten moesten komen;

3.

hij op of omstreeks de periode van 14 december 2010 tot en met 1 mei 2011, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans een maal, van een voorwerp, te weten geld (diverse bedragen tot een totaal van E 120.000), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp (dat geld) was of wie bovenomschreven voorwerp, voorhanden had, terwijl hij wist dat dat voorwerp -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s):

- meermalen, althans een maal, een geldbedrag ontvangen op een bankrekening (met nummer [nummer]) en/of

- meermalen, althans een maal, een geldbedrag (tot een totaal van E 12.450) overgeboekt naar een andere bankrekening (een en/of-rekening met nummer [nummer 2]) en/of

- meermalen, althans een maal, een betaling heeft gedaan en/of een contante geldopname heeft gedaan van de bankrekening met nummer [nummer];

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2010 tot en met 1 mei 2011, te Rotterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten geld (diverse bedragen tot een totaal van E 120.000,=), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

3. Overwegingen met betrekking tot het bewijs

3.1 Inleiding

De in feit 1 vermelde verdenking komt er kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte samen met anderen heeft geprobeerd de heer [A](hierna: [A]) af te persen. [A] is op 1 september 2011 in Nieuwerkerk aan de IJssel door een tweetal auto's klemgereden, waarna zijn autoruit is ingeslagen, hij is geslagen en geschopt en bedreigd met een vuurwapen. Voorts is [A] in de hierop volgende periode tot 11 oktober 2011 telefonisch en schriftelijk bedreigd met geweld. Dit alles om hem te dwingen tot afgifte van geld.

Onder feit 2 wordt verdachte verweten samen met anderen [A] daadwerkelijk te hebben afgeperst voor een bedrag van € 120.000,00.

Ten slotte wordt verdachte onder feit 3 ervan verdacht de opbrengst van deze afpersing te hebben witgewassen.

Verdachte heeft alle aan hem ten laste gelegde feiten ontkend. Dit maakt dat de rechtbank zich gesteld ziet voor de vraag of diens betrokkenheid al dan niet kan worden vastgesteld.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1, 2 en 3 subsidiair wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Feit 1

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat de betrokkenheid van verdachte bij het voorval op 1 september 2011 blijkt uit een analyse van het telefoonverkeer en de omstandigheid dat het feit is gepleegd met een voertuig dat in die periode in gebruik was bij verdachte. Ook de telefonische en schriftelijke bedreigingen na 1 september 2011 kunnen worden toegeschreven aan verdachte, omdat deze voortvloeien uit het conflict dat verdachte met [A] heeft, aldus de officier van justitie.

Feit 2

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de aangifte van [A] genoegzaam wordt ondersteund door diverse getuigenverklaringen.

Feit 3 subsidiair

De officier van justitie heeft met betrekking tot feit 3 subsidiair aangevoerd dat het geldbedrag van € 120.000,00 is verworven als gevolg van afpersing en derhalve van misdrijf afkomstig is. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat verdachte de herkomst van dit geld heeft verhuld, kan naar haar mening wel bewezen worden verklaard dat hij het geld heeft verworven terwijl hij wist van de illegale herkomst.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Feit 1

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat geen rechtstreeks bewijs voorhanden is waaruit volgt dat verdachte op 1 september 2011 in Nieuwerkerk aan de IJssel aanwezig was of dat hij op andere wijze betrokken is geweest. In het bijzonder kan niet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het feit in de Dodge reed en dat hij de gebruiker was van een bij het feit betrokken telefoonnummer, aldus de raadsman.

Feit 2

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat geen bewijs voorhanden is waaruit volgt dat [A] het bedrag van € 120.000,00 heeft betaald als gevolg van afpersing.

Feit 3

Van witwassen kan volgens de raadsman geen sprake zijn omdat niet kan worden bewezen dat het bedrag van € 120.000,00 is verkregen als gevolg van afpersing.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1

Ter beantwoording van de in de inleiding geformuleerde vraag neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in ogenschouw.

De relatie tussen verdachte en [A]

[A] en verdachte hebben tot medio 2004 op zakelijk terrein samengewerkt. Naar aanleiding van deze samenwerking meent verdachte een geldvordering te hebben op [A]. Medio 2010 heeft verdachte [verdachte 2](hierna: [verdachte 2]) benaderd om hem te helpen bij het incasseren van deze geldvordering. Na een ontmoeting in december 2010 tussen [A] en verdachte, waarbij ook [verdachte 2] aanwezig was, heeft [A] in de periode van 14 december 2010 tot en met 15 februari 2011 via een aan hem toebehorende vennootschap in totaal € 120.000,00 overgemaakt aan een vennootschap die werd bestuurd door verdachte.

De auto's en het telefoonverkeer

[A] is op 1 september 2011 klemgereden door een tweetal voertuigen, te weten een Volkswagen Golf en een Dodge. Laatstgenoemde auto behoort toe aan de zus van verdachte. Zij heeft hierover verklaard dat zij deze auto half/eind augustus 2011 heeft uitgeleend aan verdachte. Verder hebben verbalisanten op 27 augustus 2011 verdachte in deze auto aangetroffen.

Voorts is onderzoek gedaan naar drie telefoonnummers waarmee op 1 september 2011 in Nieuwerkerk aan de IJssel is gebeld. De conclusie van dit onderzoek luidt dat de telefoon met nummer [nummer]vermoedelijk in gebruik is geweest bij [verdachte 2] en dat op 1 september 2011 met dit telefoonnummer uitsluitend contact is geweest met twee andere telefoonnummers, waaronder het nummer [nummer 2]. De telefoonnummers [nummer]en [nummer 2] zijn beide in gebruik genomen vanaf 27 juli 2011. Het laatst geregistreerde contact van de telefoon met nummer [nummer 2] vond plaats met de telefoon met nummer [nummer]op 1 september 2011 om 6.35 uur. Beide telefoons straalden op dat moment zendmasten in Nieuwerkerk aan de IJssel aan.

Verder is gebleken dat op 18, 21 en 30 augustus 2011 contact is geweest tussen voornoemde telefoonnummers, terwijl beide telefoonnummers zendmasten in Nieuwerkerk aan de IJssel aanstraalden. Daarnaast werden op deze dagen zowel de Volkswagen Golf als de Dodge geregistreerd door camera's in (de omgeving van) Nieuwerkerk aan de IJssel.

In een van het raadkamerdossier uitmakend proces-verbaal d.d. 7 oktober 2011 (met als onderwerp 'Telecomgegevens van donderdag 01-09-2011') heeft [brigadier], brigadier van politie Hollands Midden, gerelateerd dat de telefoonnummers [nummer 2] en nummer 3]tijdens de geregistreerde contacten met elkaar meebewegen. Nu verdachte de gebruiker is van telefoonnummer [nummer 3], volgt hieruit, aldus de inhoud van dit proces-verbaal, dat verdachte eveneens de gebruiker is van het telefoonnummer [nummer 2].

Verklaring [verdachte 2]

[verdachte 2] heeft verklaard dat verdachte hem in 2010 heeft geïnformeerd over zijn conflict met [A] en dat verdachte daarbij heeft verteld dat [A] hem € 800.000,00 verschuldigd was. Verder heeft [verdachte 2] verklaard dat hij in augustus 2011 foto's heeft gemaakt van de woning van [A], dat hij verdachte hiervan op de hoogte heeft gebracht en dat hij ([verdachte 2]) bij het voorval op 1 september 2011 betrokken is geweest.

De rechtbank stelt vast dat naast voornoemde belastende feiten en omstandigheden geen rechtstreeks en onmiddellijk bewijsmateriaal voorhanden is waaruit volgt dat verdachte op 1 september 2011 in Nieuwerkerk aan de IJssel aanwezig is geweest. Zo heeft [A] verdachte niet waargenomen en bevinden zich in het dossier geen verklaringen waaruit volgt dat verdachte op 1 september 2011 in Nieuwerkerk aan de IJssel aanwezig was. [verdachte 2] heeft voorts verklaard dat verdachte niet aanwezig was. Hoewel uit de bovenstaande omstandigheden genoegzaam blijkt dat het voorval op 1 september 2011 te maken heeft met het conflict tussen verdachte en [A] moet voor een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde komen vast te staan dat verdachte zelf bij het feit betrokken is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat niet buiten twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte op 1 september 2011 bij het voorval te Nieuwerkerk aan de IJssel aanwezig is geweest. Dat er aanwijzingen zijn dat verdachte in de periode voor 1 september 2011 van de Dodge gebruik heeft gemaakt, maakt niet dat zonder meer geconcludeerd kan worden dat hij ook op 1 september 2011 in deze auto heeft gereden. Verder is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende informatie voorhanden om te kunnen concluderen dat verdachte de gebruiker is geweest van het telefoonnummer [nummer 2]. Zo al kan worden aangenomen dat het telefoonnummer nummer 3]aan verdachte toebehoort, kan niet worden vastgesteld dat de gebruiker van dit nummer dezelfde persoon is als de gebruiker van het nummer [nummer 2]. Het dossier bevat telefoongegevens van 18 augustus 2011, 21 augustus 2011, 30 augustus 2011 en 1 september 2011. In de gegevens van 18 en 21 augustus 2011 komt het nummer nummer 3]niet voor. In de gegevens van 30 augustus 2011 komt het nummer nummer 3]driemaal voor, waarbij het om 00.05 uur een zendmast te Rotterdam aanstraalt, om 11.31 uur een zendmast te Moerdijk en om 11.39 uur een zendmast te Dordrecht. Het nummer [nummer 2] straalt om 00.35 uur een (andere) zendmast te Rotterdam aan en daarna zendmasten te Nieuwerkerk aan den IJssel, Zwijndrecht, Dordrecht, Breda, Strijbeek, Bavel, Breda en (om 10.49 uur) Zevenbergsche Hoek. Op 1 september 2011 is de telefoon met het nummer nummer 3]twee maal, om 03.32 en 03.33 uur, gebruikt, waarbij een zendmast te Rotterdam werd aangestraald. De telefoon met het nummer [nummer 2] heeft op 1 september 2011 om 01.15 uur een (andere) zendmast te Rotterdam aangestraald, om 06.24 uur een zendmast te Capelle aan den IJssel en om 06.35 uur een zendmast te Nieuwerkerk aan den IJssel. Uit deze gegevens kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de telefoons met genoemde nummers met elkaar hebben meebewogen. Verder leidt de omstandigheid dat telefoons met elkaar meebewegen niet vanzelfsprekend tot de conclusie dat die telefoons worden gebruikt door één en dezelfde gebruiker. Dit alles maakt dat de directe betrokkenheid van verdachte bij het voorval op 1 september 2011 niet zonder twijfel kan worden vastgesteld.

Met betrekking tot de aan verdachte verweten telefonische en schriftelijke bedreigingen is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat waaruit volgt dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat deze bedreigingen te maken hebben met het conflict tussen [A] en verdachte, onvoldoende is om de directe betrokkenheid van verdachte vast te stellen.

Het dossier bevat voorts geen (andere) bewijsmiddelen waaruit kan volgen dat de verdachte zich (op andere wijze) schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de afpersing.

Dit maakt dat verdachte zal worden vrijgesproken van feit 1.

Feit 2

Zoals vermeld, hebben [A] en verdachte elkaar onder meer op 14 december 2010 getroffen in een wegrestaurant te Zwijndrecht. Bij deze ontmoeting was ook [verdachte 2] aanwezig. [A] heeft verklaard dat hij onder meer tijdens deze bespreking onder druk is gezet en zodoende is afgeperst tot betaling van € 120.000,00. Verdachte en [verdachte 2] hebben dit ontkend. De vraag die derhalve aan de rechtbank voorligt is of niettemin bewezen kan worden verklaard dat [A] voornoemde betaling heeft gedaan als gevolg van de in de tenlastelegging omschreven gedragingen.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Daarbij heeft de rechtbank allereerst in aanmerking genomen dat [A] eerst 8 maanden na 14 december 2010 aangifte heeft gedaan en heeft verklaard dat hij is gedwongen tot betaling van € 120.000,00. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat weliswaar aannemelijk is dat bij de bespreking op 14 december 2010 sprake was van een onaangename sfeer, de personen die aanwezig waren bij de bespreking op 14 december 2010 verklaren evenwel niet evident en eensluidend over een situatie waarin [A] werd bedreigd zoals (in de laatste twee gedachtenstreepjes) is ten laste gelegd. Dat in de ten laste gelegde periode verdachte of anderen naar de woning van [A] zijn gegaan of gestuurd, volgt voorts niet uit het dossier. Ten slotte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, gegeven de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet voldoende kan worden uitgesloten dat [A] om hem moverende redenen, anders dan als gevolg van bedreiging op de wijze zoals ten laste gelegd, heeft besloten tot betaling van € 120.000,00.

De voorgaande overwegingen brengen met zich dat verdachte van het hem onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Feit 3

De rechtbank stelt voorop dat van witwassen in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht eerst dan sprake kan zijn indien komt vast te staan dat het voorwerp waarop de tenlastelegging ziet uit misdrijf afkomstig is. In de onderhavige zaak betekent dit dat moet worden vastgesteld dat - zoals door de officier van justitie is betoogd - de via een aan [A] toebehorende vennootschap overgemaakte geldbedragen het gevolg zijn van een gepleegde afpersing.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat [A] door geweld of bedreiging met geweld of enig ander misdrijf tot voormelde betalingen is gedwongen. Dit brengt met zich dat niet kan worden vastgesteld dat de overgemaakte geldbedragen uit een misdrijf afkomstig zijn en dat reeds om die reden van witwassen geen sprake kan zijn.

Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het hem onder feit 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

4. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

De heer [A] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Hij vordert in totaal een bedrag van € 219.882,70.

4.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk met medeverdachten [verdachte 3] en [verdachte 2] dient te worden toegewezen. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht oplegt.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, nu verdachte integraal zal worden vrijgesproken.

5. De inbeslaggenomen goederen

Onder verdachte is blijkens de beslaglijst een twintigtal goederen inbeslaggenomen.

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen zak hennep dient te worden onttrokken aan het verkeer en dat de overige goederen kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet verzet tegen onttrekking aan het verkeer van de zak hennep. Met betrekking tot de overige goederen heeft hij aangevoerd dat deze niet aan verdachte toebehoren.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer, te weten een zak hennep. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit aan verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de ten laste gelegde feiten is aangetroffen, terwijl dit voorwerp van zodanig aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is niet bekend geworden aan wie de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen toebehoren. Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank gelasten dat deze voorwerpen zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n).

6. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten een zak hennep;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de op de beslaglijst onder 2 tot en met 20 genummerde voorwerpen, te weten:

2: een schrijfblok;

3: een rijbewijs in een rood mapje;

4: een parkeerbon;

5: een OV-chipkaart;

6: een legitimatiebewijs Hongarije;

7: een bankpas Rabobank […];

8: een bon juwlier;

9: een Nokia 1661;

10: een Nokia 1800;

11: een potlood;

12: een papier (notities);

13: een videocamera Canon Legria HFR26;

14: een zwarte pen Montblanc;

15: een fototoestel Nikon Coolpix in zwart mapje;

16: een Nokia N95 (geen batterij, voorzien van 2 simkaarten);

17: een Nokia 1616;

18: een legitimatiebewijs Hongaars;

19: een papier (blaadje uit agenda);

20: een batterij, Nokia bl-5cd;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Timmermans, voorzitter,

mrs. M.J.J. Visser en S.M. Krans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2012.

Mr. Van Essen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.