Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9896

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/3642
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak buiten zitting. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift. Verweerder heeft bij brief aan de Rb. meegedeeld dat de afsluitende mededeling in de beschikking, waartegen het bezwaar zich richt, geen handeling gericht op rechtsgevolg is en dus geen besluit is waartegen een rechtsmiddel openstaat. Verweerder is daarom van mening dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en dat hij gelet op art. 4:17 lid 6 sub c Awb geen dwangsom verschuldigd is. De Rb. stelt vast dat in de afsluitende mededeling is vermeld dat over de nog vast te stellen schaal van de functie van plaatsvervangend directeur P&O bij Directie P&O eiser nader wordt geïnformeerd. Zij oordeelt juist het standpunt van verweerder dat deze afsluitende mededeling geen besluit is waartegen een rechtsmiddel openstaat en het bezwaar tegen dat onderdeel van het besluit niet-ontvankelijk is.

De termijn voor een beslissing op bezwaar is overschreden. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. Ingevolge art. 4:17 lid 6 sub c Awb verbeurt het bestuursorgaan geen dwangsom indien niet tijdig wordt beslist op een bezwaar dat kennelijk ongegrond of kennelijk niet ontvankelijk is. Gelet hierop is de Rb. van oordeel dat geen dwangsom is verschuldigd.

Ingevolge art. 8:55d lid 1 Awb bepaalt de Rb. indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de waarop de uitspraak wordt gedaan alsnog een besluit bekendmaakt. Ingevolge lid 3 kan in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, de Rb. een andere voorziening treffen. Nu is geoordeeld dat het bezwaar niet ontvankelijk dient te worden verklaard ziet de Rb. aanleiding een andere voorziening te treffen en zal zij zelf in de zaak voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3642

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

en

de minister van Defensie, verweerder.

Procedureverloop

Bij brief van 27 april 2012 eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift van 16 december 2011.

Bij brief van 3 mei 2012 heeft de rechtbank verweerder, onder andere, verzocht, binnen vier weken na de dagtekening van de brief, een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft hierop bij brief van 10 mei 2011 gereageerd.

Overwegingen

1 De rechtbank wijst af het verzoek van eiser om het bezwaarschrift van 23 april 2012 en het besluit van 21 maart 2012 als samenhangend besluit te beschouwen in het kader van het onderhavige beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een bezwaarschrift. Tegen de beslissing op dat bezwaar staat een afzonderlijk rechtsmiddel open.

2 Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

3 Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

4 Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden.

Ingevolge het tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

5 Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken kan verdagen.

6 Verweerder heeft bij brief van 10 mei 2012 aan de rechtbank meegedeeld dat de afsluitende mededeling in de beschikking van 7 november 2011 geen handeling gericht op rechtsgevolg is en dus geen besluit is waartegen een rechtsmiddel openstaat. Verweerder is dan ook van mening dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en dat hij gelet op artikel 4:17, zesde lid onder c, van de Awb geen dwangsom verschuldigd is. Tevens deelt verweerder mee dat de beslissing op bezwaar binnen enkele weken door eiser kan worden ontvangen.

7 De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn ingevolge artikel 7:10 van de Awb is overschreden.

8 De rechtbank stelt voorts vast dat eiser verweerder bij schrijven van 10 maart 2012 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is.

9 De rechtbank stelt vast dat in de afsluitende mededeling in de beschikking van 7 november 2011 is vermeld dat over de nog vast te stellen schaal van de functie van plaatsvervangend directeur P&O bij Directie P&O eiser hierover nader wordt geïnformeerd.

Zij oordeelt juist het standpunt van verweerder dat deze afsluitende mededeling geen besluit is waartegen een rechtsmiddel openstaat en het bezwaar tegen dat onderdeel van het besluit niet-ontvankelijk is.

10 Gelet op het vorenstaande is het beroep ontvankelijk en is sprake van overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank acht geen onderzoek ter zitting noodzakelijk en zal met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep gegrond verklaren.

11 Ingevolge artikel 4:17, zesde lid onder c, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan geen dwangsom indien niet tijdig wordt beslist op een bezwaar dat kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen dwangsom is verschuldigd.

12 Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de waarop de uitspraak wordt gedaan alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, de rechtbank een andere voorziening treffen

Nu hiervoor in overweging 9 is geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ziet de rechtbank aanleiding een andere voorziening te treffen en zal zij zelf in de zaak voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het treffen van andere voorzieningen bestaat geen grond.

13 Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

14 Uit de gegrondverklaring van het beroep volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,- aan eiser dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaarschrift van 16 december 2011 tegen de afsluitende mededeling in de brief van 7 november 2011 niet-ontvankelijk.

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 156,- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

F.J. Leegstraten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2012.

griffier rechter

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord.