Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9892

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/1591
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1133, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan betrokkene is in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) een boete opgelegd. Zij heeft daartegen administratief beroep ingesteld bij de Officier van Justitie (OvJ).

Aan het slot van dit beroepschrift heeft zij verzocht om:

1. de beschikking met de opgelegde administratieve sanctie te vernietigen;

2. het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal;

3. eventuele andere stukken uit het dossier;

4. de verbalisant te horen.

Betrokkene heeft de Minister van Justitie in gebreke gesteld en zich op het standpunt gesteld dat de minister door niet tijdig op haar verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) te beslissen de maximale dwangsom heeft verbeurd. Verweerder stelt geen dwangsom verschuldigd te zijn, omdat van een Wob-aanvraag geen sprake is.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hij het in het administratief beroepschrift opgenomen verzoek niet had hoeven opvatten als een verzoek om openbaarmaking van documenten in het kader van de Wob. Eiseres heeft immers haar verzoek om stukken aan het slot van het beroepschrift gericht tegen de opgelegde boete opgenomen. Het betreft hier dus een verzoek als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. De uitsluiting ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en de daarbij behorende bijlage van de mogelijkheid om tegen een boete op grond van de WAHV beroep bij de bestuursrechter in te stellen, betekent niet dat hoofdstuk 7 van de Awb niet van toepassing is op het bij de OvJ ingestelde administratief beroep.

Voorts blijkt uit artikel 7, eerste lid, van de WAHV dat artikel 7:18, vierde lid, van de Awb wel van toepassing is op het administratief beroep bij de OVJ.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1591

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2012 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [plaats],

(gemachtigde: M.A. Pruss),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.P. van der Woerd).

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2011 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat door hem geen dwangsom is verbeurd in het kader van het niet tijdig beslissen op een aanvraag door eiseres.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 oktober 2011 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 januari 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en aan eiseres, gelet op de onzorgvuldige behandeling van het dossier, uit coulance een tegemoetkoming van € 437,-- verstrekt.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 21 februari 2012 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 22 mei 2012 ter zitting behandeld.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Pruss.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. van der Woerd en

L.C. van Leeuwen.

Overwegingen

1. Aan eiseres is in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) een boete opgelegd wegens een door haar op 21 maart 2011 gepleegde verkeersovertreding. Bij brief van 1 mei 2011 heeft zij daartegen administratief beroep ingesteld bij de Officier van Justitie (OvJ).

Aan het slot van dit beroepschrift heeft zij verzocht om:

1. de beschikking met de opgelegde administratieve sanctie te vernietigen;

2. het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal;

3. eventuele andere stukken uit het dossier;

4. de verbalisant te horen.

Bij brief van 18 juli 2011 heeft eiseres haar verzoek om voornoemde stukken herhaald en verweerder in gebreke gesteld omdat zij de stukken nog niet heeft ontvangen.

Bij brief van 17 augustus 2011 heeft zij verweerder verzocht de ontvangst van haar brief van 18 juli 2011 te bevestigen.

Bij besluit van 12 september 2001 heeft de OvJ eiseres medegedeeld geen dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag van eiseres verbeurd te hebben, omdat het verzoek om stukken van eiseres niet is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aanvraag betrof immers, volgens de OvJ, niet een verzoek om openbaarmaking van stukken in het kader van de Wet Openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder toegevoegd dat in reactie op de brief van eiseres van 17 augustus 2011 ten onrechte door hem op 14 september 2011 alsnog een besluit is genomen op basis van de Wob, waarbij eiseres een zaaksoverzicht is verstrekt. Voorts is het verzoek voor het overige, evenzeer ten onrechte, als een Wob-verzoek doorgezonden naar het Korps Landelijke Politiediensten (KPLD). Omdat de brieven van eiseres kennelijk dus niet goed zijn gelezen, is aan eiseres uit coulanceoverwegingen een vergoeding verstrekt van € 437,--. Het administratief beroep tegen het boetebesluit is op 19 september 2011 ongegrond verklaard. Nadat eiseres beroep bijde rechtbank had ingesteld is het boetebesluit alsnog ingetrokken.

Uit de stukken blijkt dat verweerder de vergoeding niet heeft betaald, omdat eiseres beroep heeft ingesteld.

2. Eiseres voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte het standpunt inneemt dat door hem geen dwangsom is verbeurd. Eiseres stelt dat verweerder het administratief beroepschrift van 1 mei 2011 met daarin een verzoek om stukken mede had moeten opvatten als een verzoek om openbaarmaking van stukken in het kader van de Wob. Door het nemen van het besluit van 14 september 2011 dat uitdrukkelijk op de Wob is gebaseerd, en het doorzenden van het verzoek aan de KLPD op grond van de Wob, heeft verweerder erkend dat sprake was van een Wob-verzoek. De KLPD heeft uiteindelijk op de doorgezonden aanvraag een besluit tot verstrekking van stukken op basis van de Wet Politieregisters genomen. Verweerder heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt, zodat deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden. Eiseres heeft uitdrukkelijk verzocht om openbaarmaking van informatie neergelegd in documenten en niet om informatie omtrent de feitelijke gang van zaken of bejegening van eiseres. De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2012, gaat derhalve niet op.

Eiseres voert voorts aan dat verweerder, indien haar verzoek onduidelijk was, op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wob verplicht was eiseres om verduidelijking te vragen.

Tot slot stelt eiseres dat verweerder haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld op haar bezwaar te worden gehoord en ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom hij geen aanleiding heeft gezien de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar bezwaar heeft moeten maken te vergoeden.

3. Het is vaste rechtspraak dat het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftprocedure waarvan niet lichtvaardig kan worden afgezien.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten eiseres op haar bezwaren te horen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, van de Awb, in welk geval kan worden afgezien van het horen, is geen sprake. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres uitdrukkelijk heeft verzocht om te worden gehoord. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hij het in het administratief beroepschrift van 1 mei 2011 opgenomen verzoek niet had hoeven opvatten als een verzoek om openbaarmaking van documenten in het kader van de Wob. Eiseres heeft immers haar verzoek om stukken aan het slot van het beroepschrift gericht tegen de opgelegde boete opgenomen. Het betreft hier dus een verzoek als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. De uitsluiting ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en de daarbij behorende bijlage van de mogelijkheid om tegen een boete op grond van de WAHV beroep bij de bestuursrechter in te stellen, betekent niet dat hoofdstuk 7 van de Awb niet van toepassing is op het bij de OvJ ingestelde administratief beroep.

Voorts blijkt uit artikel 7, eerste lid, van de WAHV dat artikel 7:18, vierde lid, van de Awb wel van toepassing is op het administratief beroep bij de OVJ.

Voor het standpunt dat verweerder desondanks het verzoek om stukken had moeten opvatten als een Wob-verzoek bestaat geen grond. Hieraan doet niet af dat verweerder in reactie op het verzoek om een ontvangstbevestiging en dus kennelijk abusievelijk op 14 september 2011 toch een besluit op grondslag van de Wob heeft genomen.

Evenmin doet hieraan af, dat het verzoek ex artikel 7:18, vierde lid, van de Awb als zodanig niet adequaat is behandeld, nu de stukken vrijwel gelijk met het besluit op administratief beroep aan eiseres ter beschikking zijn gesteld.

5. De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek om stukken van eiseres niet een aanvraag in het kader van de Wob betreft en evenmin anderszins is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Verweerder heeft dan ook geen dwangsom verbeurd in verband met het niet tijdig beslissen op een aanvraag. Het bezwaar is terecht ongegrond verklaard.

6. Eiseres kan worden gevolgd in haar standpunt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom hij aan eiseres niet de kosten, die verband houden met het maken van bezwaar, heeft vergoed. Dit motiveringsgebrek leidt evenwel, gelet op artikel 6:22 van de Awb, niet tot gegrondverklaring van het beroep, nu eiseres door dit motiveringsgebrek niet is benadeeld. Het is immers evident dat verweerder geen vergoeding van bezwaarkostenvergoeding heeft toegekend, omdat het bezwaar ongegrond is verklaard en het primaire besluit niet is herroepen. Aan de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb neergelegde voorwaarden voor een bezwaarkostenvergoeding is dus niet voldaan.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit aan eiseres uit coulanceoverwegingen onvoorwaardelijk een bedrag van € 437,-- heeft toegekend. Nu het bestreden besluit in stand blijft dient verweerder dit bedrag alsnog aan eiseres uit te betalen.

8. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-, te weten € 437,- voor het beroepschrift en € 437,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde van eiseres onweersproken heeft gesteld dat hij als zelfstandige beroepsmatig rechtsbijstand verleent en dat hij daarnaast bij de IND in loondienst werkzaam is als procesvertegenwoordiger namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, waaruit de rechtbank afleidt dat hij over voldoende juridische kennis beschikt om als beroepsmatig rechtsbijstandverlener te kunnen worden aangemerkt.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 19 januari 2012, kenmerk PaG/BJZ/37980;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten

€ 156,--, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874,--, welke kosten verweerder aan eiseres dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

13 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.