Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9891

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
418174 - KG ZA 12-445
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vervangende zekerheid na gelegd conservatoir beslag door middel van een bankgarantie, waarop in geval van een toewijzend, uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis geen beroep kan worden gedaan, zolang dat vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 418174 / KG ZA 12-445

Vonnis in kort geding van 18 juni 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

W. Roodenburg Installatie Bedrijf B.V.,

gevestigd te Krimpen aan den IJssel,

eiseres,

advocaat mr. E.D. Drok te Rijswijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Steegman Elektrotechniek B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. M. Stol te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Roodenburg' en 'Steegman'.

1. Het procesverloop

Roodenburg heeft Steegman op 2 mei 2012 doen dagvaarden om op 31 mei 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en vervolgens aangehouden voor onderhandelingen over een regeling. Bij brieven van 8 juni 2012 hebben beide partijen vonnis gevraagd. De vonnisdatum is nader bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 31 mei 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Roodenburg is een vennootschap die zich (onder meer) bezig houdt met het ontwerpen en aanbrengen van klimaatinstallaties, inclusief warmtekrachtcentrales, sanitair, sprinklers en duurzaam energiezuinige installaties.

2.2. Roodenburg heeft in het kader van door haar aangenomen werk met Steegman als onderaannemer een aannemingsovereenkomst gesloten tot het installeren van een elektrotechnische installatie in een te realiseren kantoorpand langs de A12 te Ypenburg.

2.3. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de afrekening van het project in het kantoorpand Ypenburg. De raadsman van Steegman heeft Roodenburg bij brief van 19 juli 2011 gesommeerd een bedrag van € 535.263,99 aan Steegman te betalen.

2.4. Steegman heeft bij verzoekschrift van 28 juli 2011 aan de rechtbank Rotterdam verzocht om Roodenburg failliet te verklaren.

2.5. Het verzoek van Steegman tot faillietverklaring van Roodenburg is door de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 1 september 2011 afgewezen.

2.6. Steegman heeft tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2011 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof 's-Gravenhage. Bij brief gedateerd op 4 oktober 2011 heeft Steegman het hoger beroep ingetrokken. Bij arrest van 11 oktober 2011 heeft het hof het verzoek van Steegman tot faillietverklaring van Roodenburg afgewezen.

2.7. Na daartoe op 21 oktober 2011 verkregen verlof heeft Steegman op 25 oktober 2011 conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van Roodenburg op haar bankrekeningen bij de ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) en de ING Bank N.V. (hierna: ING). In de beschikking van de voorzieningenrechter waarbij het verlof is verleend, is de vordering van Steegman begroot op € 662.000,--. Alleen al bij ABN AMRO is een tegoed van € 1.138.406,-- door het beslag getroffen.

2.8. Op 7 november 2011 heeft Steegman een dagvaarding in de bodemprocedure uitgebracht, die aanhangig is bij de rechtbank Rotterdam. Op 29 juni 2012 is in deze procedure een comparitie van partijen voorzien.

2.9. Roodenburg heeft tegen Steegman bij dagvaarding van 28 november 2011 een bodemprocedure aangespannen bij de rechtbank alhier, waarin zij betaling van een bedrag van € 5.293.750,-- in hoofdsom vordert ter zake van het bewust toebrengen van schade ten gevolge van de faillissementsaanvraag en het appelleren tegen de afwijzing daarvan.

2.10. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 30 december 2011 zijn de door Roodenburg in conventie en Steegman in reconventie ingestelde vorderingen tot beperking, respectievelijk opheffing van de over en weer gelegde conservatoire beslagen afgewezen.

3. Het geschil

3.1. Roodenburg vordert Steegman te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de door Steegman gelegde beslagen te beperken tot € 662.000,-- onder overlegging door Roodenburg van de aan de dagvaarding gehechte bankgarantie, op verbeurte van een dwangsom voor iedere dag dat Steegman niet aan dit vonnis voldoet en met veroordeling van Steegman in de kosten van het geding.

3.2. Roodenburg stelt hiertoe dat de door haar aangeboden, volgens het gebruikelijke model opgemaakte bankgarantie voldoende zekerheid biedt als bedoeld in artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De eis van Steegman dat zij de bankgarantie moet kunnen verzilveren als zij in eerste instantie in het gelijk is gesteld, ongeacht een door Roodenburg in te stellen hoger beroep, komt aan de belangen van Roodenburg onvoldoende tegemoet. In dit verband is van belang dat bij pogingen om beslag te leggen ten laste van Steegman is gebleken dat deze geen verhaal biedt.

3.3. Steegman voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Over de vraag of degene die conservatoir beslag heeft gelegd genoegen moet nemen met vervangende zekerheid in de vorm van een bankgarantie waarop in geval van een toewijzend, uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis geen beroep kan worden gedaan zolang dit niet in kracht van gewijsde is gegaan, wordt in de rechtspraak verschillend geoordeeld. De vraag is dan of de beslaglegger door acceptatie van de voorgestelde bankgarantie mogelijk in een ongunstiger positie terecht komt dan wanneer de conservatoire beslagen blijven liggen. De vraag die thans voorligt, is echter een iets andere. Roodenburg vordert immers, ondanks haar verwijzing naar artikel 705 Rv, geen opheffing van de gelegde beslagen tegen vervangende zekerheid, maar in ruil voor de extra zekerheid van een bankgarantie (slechts) beperking van het beslag tot het bedrag waarop de geldvordering bij de verlening van het verlof voor beslaglegging is begroot.

4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij afweging van de wederzijdse belangen dat van Roodenburg moet prevaleren. Indien zich de situatie voordoet dat Steegman in eerste instantie in het gelijk wordt gesteld bij een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan zal zij immers ook bij beperking van het beslag onmiddellijk tot uitwinning van het beslagen gedeelte van het banktegoed kunnen overgaan. Bij faillissement van Roodenburg of latere beslagen beschikt Steegman dan nog over de bankgarantie, waaronder zij kan trekken indien en zodra de hoofdzaak definitief ten gunste van haar wordt beslist. Hiertegenover staat het grote, spoedeisende belang van Roodenburg bij het kunnen beschikken over het surplus van circa € 500.000,-- dat thans is beslagen boven de voorgestelde grens van € 662.000,--. Dit laatste bedrag komt overeen met de geldvordering van Steegman zoals die in de beschikking op het verlofrekest is begroot.

4.3. Steegman heeft nog aangevoerd dat het overgelegde concept van een bankgarantie op enkele punten onnauwkeurig is, zodat dit haar onvoldoende zekerheid biedt. Aan toewijzing van de vordering in iets aangepaste vorm staat dit echter niet in de weg. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het concept waar nodig zal worden gecorrigeerd.

4.4. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd. Voorts zal overeenkomstig vast beleid worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.5. Steegman zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt Steegman om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de door Steegman gelegde beslagen te beperken tot € 662.000,-- tegen overlegging van een door Roodenburg mee te betekenen deugdelijke bankgarantie volgens het aan de dagvaarding gehechte model, op verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- voor iedere dag dat Steegman niet aan dit vonnis voldoet met een maximum van € 500.000,--;

- veroordeelt Steegman in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Roodenburg begroot op € 1.467,17, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 575,-- aan griffierecht en € 76,17 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2012.