Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9890

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
418618 / KG ZA 12-464
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6057, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Strafrecht, executie. Eiseres is overgebracht naar Nederland op grond van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS). Vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling afgewezen. Geen sprake van onrechtmatige detentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 418618 / KG ZA 12-464

Vonnis in kort geding van 8 juni 2012

in de zaak van

[eiseres],

thans verblijvende te [verblijfplaats],

eiseres,

advocaat mr. F.T.H. Gimbrère te Breda,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Politie, de voorzieningenrechter verstaat: van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 juni 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij vonnis van 25 november 2010 van het [plaatsnaam] Court of Appeal in Noorwegen is eiseres veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden.

1.2. In het dossier zit een ondertekend formulier 'Transfer of Sentenced Persons Declaration' (hierna: de verklaring) van 9 december 2010 op naam van eiseres. Deze verklaring vermeldt onder meer het volgende:

"I wish to be transfer to Netherlands, because all my families are there, of which I will see them by visiting me in prison".

1.3. Op grond van deze verklaring heeft het Royal Norwegian Ministry of Justice and the Police (hierna: de Noorse autoriteiten) bij brief van 11 februari 2011 een formeel verzoek gericht aan gedaagde met betrekking tot de overbrenging van eiseres naar Nederland. In deze brief staat voor zover relevant vermeld:

"(...) Based on the above-given information, the Norwegian Ministry of Justice and the Police hereby requests Dutch authorities to agree to a transfer in accordance with the provisions of the European Convention of the Transfer of Sentenced Persons of 21 March 1983. The Ministry of Justice and the Police asks the sentence to be continued according to the procedure provided in Article 9.1(a), cf. Article 10 of the Convention. (...)"

1.4. Bij brief van 17 juni 2011 heeft gedaagde positief gereageerd op het Noorse verzoek. In de bijlage bij deze brief staat voor zover relevant:

"I kindly request you to submit this information to [naam van eiseres].

(...)

De juridische gevolgen van de overbrenging volgens de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging.

Het restant van het vonnis dat in het buitenland aan de gevangene is opgelegd zal worden ten uitvoer gelegd in overeenstemming met artikel 10 (voortgezette tenuitvoerlegging) van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983.

(...)"

1.5. Bij brief van 6 juli 2011 hebben de Noorse autoriteiten formeel ingestemd met de overbrenging van eiseres naar Nederland.

1.6. In de medische verklaring in de bijlage van de brief van 13 juli 2011 van de Noorse autoriteiten staat het volgende:

"The patient is serving an eight-year sentence. She has applied for transfer to the Netherlands to be closer to her children."

1.7. Gedaagde heeft op 19 september 2011 schriftelijk aan de Noorse autoriteiten bevestigd dat de executie van de aan eiseres opgelegde straf in Nederland zal worden voortgezet.

1.8. Op 13 september 2011 is eiseres overgebracht naar Nederland.

1.9. Bij brief van 29 mei 2012 hebben de Noorse autoriteiten verklaard dat aan eiseres informatie is verstrekt met betrekking tot de overbrenging naar Nederland en dat door het gevangenispersoneel geen belofte is gedaan of verwachting geschept waaruit eiseres kon afleiden dat er keuze bestond uit voortzetting of omzetting van de aan haar opgelegde straf.

2. Het geschil

2.1. Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, gedaagde te bevelen om haar op grond van artikel 5 lid 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van Rechten van de Mens onvoorwaardelijk in vrijheid te stellen op grond van het feit dat haar detentie onrechtmatig is.

2.2. Daartoe voert eiseres het volgende aan. Eiseres heeft geen toestemming gegeven voor de overbrenging van Noorwegen naar Nederland. De handtekening op de verklaring vertoont geen gelijkenissen met de handtekening van eiseres en is duidelijk vervalst. Daarnaast is eiseres door de Noorse autoriteiten meegedeeld dat in geval van overbrenging naar Nederland haar straf zou worden omgezet naar Nederlandse maatstaven waarbij de zaak opnieuw zou worden beoordeeld. Eiseres is onjuist geïnformeerd doordat haar is meegedeeld dat haar zaak zou worden herbeoordeeld. De straf is echter niet omgezet, maar voortgezet. Indien eiseres al toestemming zou hebben verleend voor overbrenging, heeft zij dit niet gegeven voor voortzetting van de straf. Sprake is van een onrechtmatige overbrenging, waardoor eiseres thans in onrechtmatige detentie zit.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde jegens haar onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vordering gegeven.

3.2. In deze zaak gaat het om overbrenging van eiseres naar Nederland op grond van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1989 en toepassing van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij onrechtmatig in detentie zit omdat zij geen toestemming heeft verleend voor haar overbrenging van Noorwegen naar Nederland. Daartoe heeft zij allereerst gesteld dat de handtekening op de verklaring niet van haar is. Zij heeft dit onderbouwd met een document waarop zij haar handtekening heeft gezet, welke afwijkt van de handtekening op de verklaring. Gedaagde heeft dit gemotiveerd weersproken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de handtekening op de verklaring niet van haar is. De handtekening op het paspoort van eiseres vertoont meer gelijkenissen met de handtekening op de verklaring dan met de handtekening op het door eiseres overgelegde document. Bovendien is de tekst op de verklaring, dat eiseres om overbrenging heeft verzocht omdat haar familie in Nederland woont, nagenoeg gelijk aan haar verklaring hieromtrent ter zitting. Eiseres heeft geen verder bewijs ingebracht. Ten slotte blijkt nergens uit dat zij zich tegen overbrenging naar Nederland verzet heeft. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat voldaan is aan de in voornoemd verdrag vereiste instemming van eiseres.

3.3. Het betoog van eiseres dat zij onjuist is geïnformeerd door de Noorse en Nederlandse autoriteiten slaagt evenmin. Zij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij erop mocht vertrouwen dat haar zaak opnieuw zou worden behandeld. Gedaagde heeft daarentegen aan de hand van verscheidene documenten voldoende aannemelijk gemaakt dat toereikende informatie aan eiseres is verstrekt. Nu eiseres ontkent de bijlage bij de brief van 17 juni 2011 ontvangen te hebben, kan informatie over de gestelde omzetting van de straf alleen afkomstig zijn van het Noorse gevangenispersoneel. Dienaangaande is de brief van 29 mei 2012 van de Noorse autoriteiten duidelijk. Vervolgens heeft eiseres haar stellingen niet verder onderbouwd. Daar komt bij dat niet is gebleken dat omzetting van de opgelegde straf thans de standaard is bij overbrenging vanuit Noorwegen naar Nederland.

3.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie, dat onvoldoende aannemelijk is dat gedaagde onrechtmatig handelt jegens eiseres. De vordering zal worden afgewezen.

3.5. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.391,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.

SB