Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9846

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/16024
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Tweede aanvraag. De door verzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden voor het eerdere besluit werd genomen. Niet aannemelijk is dat verzoeker die informatie niet eerder kon verstrekken. Echter, nu geen twijfel bestaat aan de homoseksuele geaardheid van verzoeker is de voorzieningenrechter, mede gezien de kwetsbare positie van homoseksuelen in Afghanistan zoals onder andere blijkt uit algemeen bekende informatie waaronder de meest recente ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken, voorshands van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat in het geval van verzoeker sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden, zoals bedoeld in het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 (Bahaddar) op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Niet buiten redelijke twijfel is of van verzoeker kan worden gevergd dat hij bij terugkeer naar Afghanistan zijn gedrag wijzigt of dat hij zijn seksuele gerichtheid verborgen houdt teneinde vervolging te voorkomen (ABRvS 18 april 2012, LJN: BW3076, LJN: BW3077 en LJN: BW3078). Gelet op het vorenoverwogene kan het beroep een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd. Volgt toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/16024

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2012

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1993,

nationaliteit Afghaanse,

verblijvende te [plaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. J. van Veelen-de Hoop,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde mr. J.A.C.M. Prins.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 14 mei 2012, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Tegen voornoemd besluit heeft verzoeker op 15 mei 2012 beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 31 mei 2012, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak.

4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker heeft op 19 december 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 29 september 2011, zaaknummer AWB 10/33386 is het door verzoeker tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tot op heden heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) nog geen uitspraak gedaan in het tegen voornoemde uitspraak ingestelde hoger beroep, door de Afdeling ontvangen op 9 november 2011 en geregistreerd onder zaaknummer: 201111710/1/V3. Op 4 mei 2012 heeft verzoeker zijn huidige aanvraag ingediend.

5. In voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 29 september 2011 is, voor zover van belang, geoordeeld dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas van verzoeker, dat hij bij terugkeer gedood zal worden door commandant [commandant] of diens broer [broer] in het kader van bloedwraak, geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

6. De voorzieningenrechter dient, ongeacht of verweerder in de motivering van het besluit van 14 mei 2012 toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb, primair te onderzoeken of aan de onderhavige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die kunnen afdoen aan het besluit van 30 augustus 2010. Eerst wanneer dat het geval is, komt de voorzieningenrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het besluit van 14 mei 2012. Voorts kan een inhoudelijke beoordeling gerechtvaardigd zijn, als sprake is van een relevante wijziging van recht. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen, zoals kan worden afgeleid uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45.

7. Rechtsoverweging 45 van voornoemd arrest van het EHRM van 19 februari 1998 luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)

<small>45. The Court notes at the outset that, although it has as mentioned by the Delegate of the Commission held the prohibition of torture or inhuman or degrading treatment contained in Article 3 of the Convention to be absolute in expulsion cases as in other cases (see, inter alia, the above-mentioned Chahal judgment, p. 1855, 80), applicants invoking that Article are not for that reason dispensed as a matter of course from exhausting domestic remedies that are available and effective. It would not only run counter to the subsidiary character of the Convention but also undermine the very purpose of the rule set out in Article 26 of the Convention if the Contracting States were to be denied the opportunity to put matters right through their own legal system. It follows that, even in cases of expulsion to a country where there is an alleged risk of ill-treatment contrary to Article 3, the formal requirements and time-limits laid down in domestic law should normally be complied with, such rules being designed to enable the national jurisdictions to discharge their case-load in an orderly manner.

Whether there are special circumstances which absolve an applicant from the obligation to comply with such rules will depend on the facts of each case. </small>

(…)

8. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

9. Verzoeker is op 8 mei 2012 opnieuw gehoord in het kader van zijn opvolgende aanvraag. Hierbij heeft verzoeker aangevoerd dat hij per 29 maart 2011 is begonnen met het volgen van danslessen en sinds zijn overplaatsing naar het asielzoekerscentrum (AZC) in Emmen in december 2011 heeft hij ook veelvuldig dansles gegeven. Doordat verzoeker deze activiteiten is gaan ontplooien, wordt hij naar eigen zeggen door landgenoten op het AZC uitgescholden voor homo, gepest –en genegeerd wordt. Verzoeker verklaart voorts dat hij geleidelijk afstand heeft genomen van de islam en dat hij homoseksuele gevoelens heeft.

9. Bij zijn huidige aanvraag heeft verzoeker, voor zover van belang, de volgende documenten overgelegd:

- een minuut van 25 juni 2008 in een volgens verzoeker deels vergelijkbare zaak van een andere Afghaanse homoseksuele asielzoeker;

- een brief van de minister aan de Tweede Kamer van 21 maart 2012 met diens antwoorden op vragen aangaande de gevolgen van de drie uitspraken van de Raad van State voor homoseksuele asielzoekers.

10. Verzoekers verklaring dat hij bij een vriend geprobeerd heeft om seksuele handelingen te verrichten dateert van na het eerdere besluit. De informatie die daarin is gegeven ziet evenwel op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor het eerdere besluit werd genomen, maar waarover door verzoeker niet eerder is verklaard. Niet aannemelijk is dat verzoeker die informatie niet eerder kon verstrekken. Mitsdien kan de door verzoeker afgelegde verklaring in beginsel niet als nieuw gebleken feit of veranderende omstandigheid worden aangemerkt. De voorzieningenrechter verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2002 (nrs. 200203331/1 en 200203339/1, www.raadvanstate.nl).

11. De voorzieningenrechter ziet evenwel in de onderhavige zaak de noodzaak om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen, nu er sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden, zoals kan worden afgeleid uit het eerder aangehaalde arrest van het EHRM van 19 februari 1998. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.

12. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 18 april 2012, LJN: BW3076, LJN: BW3077 en LJN: BW3078, voor zover van belang, het volgende overwogen:

(…)

<small>Nu voor de beoordeling van de grief de betekenis van art. 10, lid 1 en onder d, gelezen in samenhang met art. 9 van de richtlijn bepalend is en deze – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet duidelijk is, bestaat aanleiding tot het stellen van de volgende prejudiciële vragen: 1) Vormen vreemdelingen met een homoseksuele gerichtheid een specifieke sociale groep als bedoeld in art. 10, lid 1 en onder d, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 van de Raad van de Europese Unie inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004 L 304, hierna: de richtlijn)? 2) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: welke homoseksuele activiteiten vallen onder de reikwijdte van de richtlijn en kan, in geval van daden van vervolging ten aanzien van deze activiteiten en indien aan de overige vereisten is voldaan, dat leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus? Deze vraag omvat mede de volgende subvragen: a) Kan van vreemdelingen met een homoseksuele gerichtheid worden verwacht dat zij hun gerichtheid in het land van herkomst voor eenieder geheimhouden teneinde vervolging te voorkomen? b) Indien de vorige vraag ontkennend moet worden beantwoord, kan en, zo ja, in welke mate, van vreemdelingen met een homoseksuele gerichtheid terughoudendheid worden verwacht bij het geven van invulling aan die gerichtheid in het land van herkomst teneinde vervolging te voorkomen? Kan van homoseksuelen daarbij een verdergaande terughoudendheid worden verwacht dan van heteroseksuelen? c) Indien in dit verband een onderscheid kan worden gemaakt tussen uitingen die het kerngebied van de gerichtheid betreffen en die waarbij dat niet het geval is, wat wordt verstaan onder het kerngebied van de gerichtheid en op welke wijze kan dit worden vastgesteld? 3) Is de enkele strafbaarstelling en bedreiging met gevangenisstraf van homoseksuele activiteiten, welke discriminerend van aard zijn, zoals vermeld in de Code Penal van Senegal, een daad van vervolging, als bedoeld in art. 9, lid 1 en onder a, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder c, van de richtlijn? Zo nee, onder welke omstandigheden is hieraan wel voldaan? </small>

(…)

De Afdeling heeft daarbij aangegeven dat zij voornemens is het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de voornoemde voor te leggen vragen.

13. De voorzieningenrechter heeft naar aanleiding van al hetgeen door verzoeker in de onderhavige procedure is aangevoerd geen twijfel aan diens homoseksuele geaardheid. In het licht bezien van hetgeen in rechtsoverweging 11 is overwogen, in samenhang met de kwetsbare positie van homoseksuelen in Afghanistan zoals onder andere blijkt uit algemeen bekende informatie waaronder de meest recente ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om in het geval van verzoeker aan te nemen dat er sprake is van de eerder aangehaalde bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter zal derhalve overgaan tot beoordeling van het besluit van 14 mei 2012.

14. In de onderhavige zaak heeft verzoeker zich, evenals de vreemdelingen wiens zaken aanhangig waren in de zaken die hebben geleid tot de eerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 18 april 2012, op het standpunt gesteld dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Voorts heeft verzoeker zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat van hem niet kan worden gevergd dat hij bij terugkeer naar Afghanistan zijn gedrag zal wijzigen of dat hij zijn seksuele gerichtheid verborgen moet houden teneinde vervolging te voorkomen.

15. Gelet op het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat het beroep een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toewijzen, in dier voege dat de verwijdering van verzoeker uit Nederland wordt verboden tot en met de datum van verzending van de uitspraak op het door verzoeker ingestelde beroep, geregistreerd onder zaaknummer AWB 12/16023. Hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

16. De voorzieningenrechter ziet voorts, nu de uitspraak in voormelde bij de Afdeling aanhangige zaken relevant kan zijn voor het in het door verzoeker ingestelde beroepszaak te geven oordeel, geen aanleiding om gebruik te maken van de aan hem in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om direct uitspraak te doen in de hoofdzaak.

17. Nu het verzoek wordt toegewezen, acht de voorzieningenrechter termen aanwezig verweerder onder toepassing van de artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

18. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoekt tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot en met de datum van verzending van de uitspraak op het door verzoeker ingestelde beroep;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 874,00.

Aldus gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2012.

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden: