Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9826

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/18626
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel eiser stelt staatloos te zijn, kan de rechtbank, gelet op de achtergrond en de geschiedenis van eiser, verweerder volgen in de veronderstelling dat hij mogelijk de Armeense nationaliteit heeft. In ieder geval staat op dit moment niet vast dat eiser niet over de Armeense nationaliteit beschikt. Ten einde hieromtrent duidelijkheid te verkrijgen, heeft verweerder een aanvraag tot verstrekking van een laissez-passer ten behoeve van eiser ingediend bij de Armeense autoriteiten. Dat een eerdere aanvraag bij de Armeense autoriteiten in 2010 niet heeft geleid tot de afgifte van een laissez-passer, maakt de huidige aanvraag niet op voorhand kansloos of zinledig. Dit vooral niet, omdat de aanvraag primair tot doel heeft duidelijkheid te krijgen over de nationaliteit van eiser.

Verweerder heeft zich in de inmiddels afgeronde asielprocedure op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser omtrent zijn problemen met de Armeense autoriteiten geloofwaardig zijn. Deze omstandigheid leidt er niet toe dat verweerder zich thans dient te onthouden van uitzettingshandelingen waarbij verweerder aangaande eiser contact legt met de Armeense autoriteiten. Deze verplichting geldt slechts indien verweerder een asielverzoek van eiser in behandeling heeft. Hiervan is thans geen sprake, zodat er vanuit eiser op dit moment geen vluchtelingrechtelijke beschermingsvraag ligt. Door in verband met eiser in contact te treden met de Armeense autoriteiten heeft verweerder dan ook niet onzorgvuldig gehandeld. Daarbij is tevens van belang dat de feitelijke uitzetting van eiser naar Armenië thans niet aan de orde is. Tegen de tijd dat dit scenario reëel wordt, zal verweerder zich dienen te buigen over de vraag of die uitzetting in strijd is met het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/18626

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2012

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1985,

gesteld staatloos,

verblijvende te Zeist in het detentiecentrum,

eiser,

gemachtigde mr. F.J.E. Hogewind,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde L.M.F. Verhaegh.

<b>Procesverloop</b>

Op 7 juni 2012 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 8 juni 2012 heeft eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts heeft hij om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 18 juni 2012, waar eiser overeenkomstig het Besluit Videoconferentie (Stb. 2006, 275) vanaf zijn plaats van detentie per videoconferentie is gehoord op zijn beroep en ter zitting is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Eiser betwist de gronden van de maatregel en het zicht op uitzetting.

2. Verweerder heeft aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd dat eiser:

- Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

- zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;

- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser heeft niet betwist dat hij enige tijd de vrijheidsbeperkende locatie waar hij verbleef heeft verlaten, zonder dat voor de toezichthoudende instantie bekend was waar eiser zich ophield. Evenmin heeft hij bestreden dat hij zich niet (tijdig) heeft gemeld bij de korpschef. Verder is niet in geschil dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn eerder opgelegde vertrekplicht. Dat hij niet terug kan naar Georgië of Armenië ontslaat hem niet van de verplichting Nederland te verlaten. In dit verband is tevens niet gebleken dat eiser buiten zijn schuld nog steeds in Nederland verblijft. Voorts beschikt eiser thans niet over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Dat dit het gevolg is van het feit dat hem in Nederland geen opvang meer wordt verleend, maakt deze omstandigheid niet anders. De omstandigheid dat hij door Vluchtelingenwerk van geld wordt of werd voorzien, leidt niet tot de conclusie dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt om zelfstandig zijn vertrek uit Nederland te bewerkstelligen.

4. Op basis van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de in rechtsoverweging 2 genoemde omstandigheden terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. De genoemde gronden rechtvaardigen het ernstige vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken dan wel dat hij deze zal belemmeren. Hierin ligt een zwaarwegend belang voor verweerder bij de inbewaringstelling van eiser.

5. De beroepsgrond dat eiser aan de hand van diverse documenten kan aantonen dat hij niet de Georgische nationaliteit heeft en dat er derhalve geen zicht op uitzetting naar Georgië is, kan de rechtmatigheid van de bewaring niet raken. Immers, verweerder is niet voornemens om eiser uit te zetten naar Georgië.

6. Hoewel eiser stelt staatloos te zijn, kan de rechtbank, gelet op de achtergrond en de geschiedenis van eiser, verweerder volgen in de veronderstelling dat hij mogelijk de Armeense nationaliteit heeft. In ieder geval staat op dit moment niet vast dat eiser niet over de Armeense nationaliteit beschikt. Ten einde hieromtrent duidelijkheid te verkrijgen, heeft verweerder een aanvraag tot verstrekking van een laissez passer ten behoeve van eiser ingediend bij de Armeense autoriteiten. Dat een eerdere aanvraag bij de Armeense autoriteiten in 2010 niet heeft geleid tot de afgifte van een laissez passer, maakt de huidige aanvraag niet op voorhand kansloos of zinledig. Dit vooral niet, omdat de aanvraag primair tot doel heeft duidelijkheid te krijgen over de nationaliteit van eiser.

7. Verweerder heeft zich in de inmiddels afgeronde asielprocedure op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser omtrent zijn problemen met de Armeense autoriteiten geloofwaardig zijn. Deze omstandigheid leidt er niet toe dat verweerder zich thans dient te onthouden van uitzettingshandelingen waarbij verweerder aangaande eiser contact legt met de Armeense autoriteiten. Deze verplichting geldt slechts indien verweerder een asielverzoek van eiser in behandeling heeft. Hiervan is thans geen sprake, zodat er vanuit eiser op dit moment geen vluchtelingrechtelijke beschermingsvraag ligt. Door in verband met eiser in contact te treden met de Armeense autoriteiten heeft verweerder dan ook niet onzorgvuldig gehandeld. Daarbij is tevens van belang dat de feitelijke uitzetting van eiser naar Armenië thans niet aan de orde is. Tegen de tijd dat dit scenario reëel wordt, zal verweerder zich dienen te buigen over de vraag of die uitzetting in strijd is met het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van het EVRM.

8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het zicht op uitzetting naar Armenië ontbreekt

9. Eiser heeft niet betwist dat verweerder met voldoende voortvarendheid aan zijn uitzetting werkt.

10. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000.

11. Gelet op het voorgaande moet de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 rechtmatig worden geoordeeld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

12. Het verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu zich geen omstandigheden als omschreven in artikel 106 van de Vw 2000 voordoen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2012.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: