Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9787

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
419610 - FA RK 12-3759
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Procedure op grond van artikel 6 Uitvoeringswet Internationale Kinderontvoering: bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van een verzoek tot teruggeleiding.

In geschil is de vraag of de moeder de minderjarige vanaf het moment dat de man mede het gezag over de minderjarige heeft verkregen – te weten 25 augustus 2011 – ongeoorloofd buiten Nederland heeft achtergehouden, zodat om deze reden sprake is van kinderontvoering.

Uit de omstandigheid dat de minderjarige op het moment dat de man mede met het gezag over de minderjarige is belast reeds drie maanden in het buitenland verbleef en aldaar op 17 juni 2011 al schoolgaand was, leidt de rechtbank af dat het feitelijke verblijf van de minderjarige aldaar een bestendig karakter heeft gekregen. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat in elk geval voor 25 augustus 2011 een wijziging in de gewone verblijfplaats van de minderjarige is opgetreden.

De door de man genoemde feiten leveren onvoldoende grond op om tot een ander oordeel te komen. Immers, de (organisatorische en administratieve) afwikkeling van een vertrek naar het buitenland is niet doorslaggevend voor de bepaling van het moment waarop de gewone verblijfplaats is gewijzigd. Deze afwikkeling kan - eventueel gefaseerd - later plaatshebben, zeker in het geval een persoon - zoals de moeder - in haast vertrekt, niet terugkomt en kennelijk niet wil worden gevonden.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige aldus kennelijk niet langer in Nederland was gelegen, was het de moeder toegestaan om de minderjarige bij zich in het buitenland te houden. De rechtbank verklaart het verzoek van de man ongegrond.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringswet internationale kinderontvoering
Uitvoeringswet internationale kinderontvoering 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 12-3759

Zaaknummer: 419610

Datum beschikking: 22 juni 2012

Beschikking op het op 22 mei 2012 ingekomen bezwaarschrift van:

[de man],

wonende te [woonplaats man],

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. D.H. van Tongerlo te Rotterdam.

Het bezwaarschrift is gericht tegen:

de directie Control Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139; hierna: het Haagse Verdrag),

gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit,

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van het bezwaarschrift met bijlagen.

Op 8 juni 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en namens de Centrale Autoriteit: mr. C.L. Wehrung en mr. M.B. Langius.

Verzoek en verweer

De man verzoekt de beschikking van de Centrale Autoriteit van 27 april 2012 te vernietigen en een met reden omklede beschikking te geven die in haar plaats treedt, onder meer inhoudende het verzoek tot teruggeleiding van na te melden minderjarige naar de Amerikaanse of Canadese Centrale Autoriteit door te sturen. De man verzoekt voorts de Centrale Autoriteit te veroordelen in de kosten van deze procedure.

De Centrale Autoriteit heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. Van de zijde van de Centrale Autoriteit zijn pleitnotities en een nader stuk overgelegd.

Feiten

- Uit [de moeder] (hierna: de moeder) is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], die door de man is erkend.

- De minderjarige verblijft thans feitelijk bij de moeder op een voor de man onbekend adres, vermoedelijk in het buitenland. De moeder is in mei 2011 met de minderjarige naar het buitenland vertrokken, vermoedelijk naar Canada of de Verenigde Staten.

- Bij beschikking van 25 augustus 2011 heeft de rechtbank te [plaats] de man samen met de moeder met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast.

- Op het door de man bij de Centrale autoriteit ingediende verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige heeft de Centrale Autoriteit op 27 april 2012 beslist om dit verzoek niet in behandeling te nemen. De Centrale Autoriteit baseerde dit daarop dat de man had gesteld dat de moeder is belast met het eenhoofdig gezag, dat zij in mei 2011 met de minderjarige naar het buitenland is vertrokken zonder toestemming van de man en dat de man door de rechtbank [plaats] op 25 augustus 2011 eveneens met het gezag is belast, zodat het verzoek van de man niet aan de eisen van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 voldoet.

Beoordeling

De man heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit van de Centrale Autoriteit.

Bezien moet worden of de Centrale Autoriteit op goede gronden heeft geoordeeld dat geen sprake is van internationale kinderontvoering in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Haagse Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag).

Partijen zijn het er inmiddels over eens dat de moeder ten tijde van haar vertrek naar het buitenland met de minderjarige bevoegd was om dit zonder toestemming van de man te doen, nu zij op dat moment eenhoofdig gezag over de minderjarige had. Dit betekent dat de man zich niet langer op het standpunt stelt dat sprake is van onrechtmatige overbrenging van de minderjarige in de zin van het Haagse Verdrag.

In geschil is thans de vraag of de moeder de minderjarige vanaf het moment dat de man mede het gezag over de minderjarige heeft verkregen - te weten 25 augustus 2011 - ongeoorloofd buiten Nederland heeft achtergehouden, zodat om deze reden sprake is van kinderontvoering. Voor de beantwoording van die vraag is bepalend of de gewone verblijfplaats van de minderjarige op dat moment nog in Nederland was gelegen of dat de werkelijke verblijfplaats van de minderjarige in het buitenland inmiddels de gewone verblijfplaats was geworden.

De man betoogt dat het verblijf van de moeder en de minderjarige in het buitenland in elk geval op 25 augustus 2011 nog een tijdelijk karakter had, zodat Nederland nog steeds als de gewone verblijfplaats van de minderjarige dient te worden aangemerkt. Hij voert daartoe, kort samengevat, aan dat de moeder in de zomer van 2010 ook al met de minderjarige naar het buitenland is gegaan en toen een paar weken te laat terug kwam en wel nadat de scholen weer waren begonnen. Zij heeft de minderjarige na mei 2011 niet bij zijn Nederlandse school uitgeschreven. Op 17 juni 2011 heeft zij de Nederlandse school per e-mail bericht dat zij in verband met familie-omstandigheden met de minderjarige voorlopig in het buitenland zou verblijven. Daarnaast heeft de moeder haar UWV-uitkering laten doorlopen en is deze eerst per 4 september 2011 beëindigd. Op 20 september 2011 heeft de man getracht een exploit te betekenen aan haar woning in Nederland en toen kreeg hij van de deurwaarder te horen dat de woning leeg was. Deze woning is in ieder geval pas na 25 augustus 2011 leeggehaald. Ten slotte staat de moeder per 4 juni 2012 nog steeds ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [plaats].

De rechtbank overweegt dat uit voornoemd e-mailbericht van de moeder van 17 juni 2011, welk bericht mede ten grondslag heeft gelegen aan de beslissing van de Centrale Autoriteit van 27 april 2012, voorts blijkt dat zij de school in Nederland heeft bericht dat de minderjarige inmiddels een school in hun tegenwoordige verblijfplaats bezoekt.

Uit de omstandigheid dat de minderjarige op het moment dat de man mede met het gezag over de minderjarige is belast reeds drie maanden in het buitenland verbleef en aldaar op 17 juni 2011 al schoolgaand was, leidt de rechtbank af dat het feitelijke verblijf van de minderjarige aldaar een bestendig karakter heeft gekregen. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat in elk geval voor 25 augustus 2011 een wijziging in de gewone verblijfplaats van de minderjarige is opgetreden.

De door de man genoemde feiten leveren onvoldoende grond op om tot een ander oordeel te komen. Immers, de (organisatorische en administratieve) afwikkeling van een vertrek naar het buitenland is niet doorslaggevend voor de bepaling van het moment waarop de gewone verblijfplaats is gewijzigd. Deze afwikkeling kan - eventueel gefaseerd - later plaatshebben, zeker in het geval een persoon - zoals de moeder - in haast vertrekt, niet terugkomt en kennelijk niet wil worden gevonden. Uit de mededeling van de moeder op 17 juni 2011, dat zij voorlopig in het buitenland verblijft in verband met familie-omstandigheden, leidt de rechtbank - mede gezien het voorgaande - niet af dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige op 25 augustus 2011 nog niet was gewijzigd.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige aldus kennelijk niet langer in Nederland was gelegen, was het de moeder toegestaan om de minderjarige bij zich in het buitenland te houden. Gelet op het voorgaande is dan ook geen sprake van ongeoorloofde achterhouding in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag.

Conclusie

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de Centrale Autoriteit op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen sprake is van internationale kinderontvoering in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag, zodat het bezwaar van de man ongegrond moet worden verklaard. Nu de man in het ongelijk is gesteld, is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het verzoek van de man ongegrond;

wijst het verzoek van de man tot veroordeling van de Centrale Autoriteit in de proceskosten af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, J.A. van Steen en M.J. Alt- van Endt, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. L.F.A. Bos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2012.