Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9765

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
413638 - FA RK 12-1299
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schadevergoeding ex artikel 35 Wet bijzondere opnemingen in pyschiatrische ziekenhuizen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TGMA 2013/6 met annotatie van mr. O.A.M. Floris
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-1299

Zaaknummer: 413638

Datum beschikking: 25 juni 2012

Verzoek tot schadevergoeding ex artikel 35 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen

Beschikking op het op 17 februari 2012 en op 23 mei 2012 aangevulde verzoekschrift van:

De Stichting Bureaus Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland,

gevestigd te 's-Gravenhage

verzoeker,

in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

verblijvend in "[instelling]", locatie [plaats]

advocaat mr. A.M. de Deken te Delft.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

De Staat der Nederlanden,

vertegenwoordigd door mr. N. Coenen,

verweerder.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift.

- de brief met bijlage d.d. 14 juni 2012 van de zijde van verzoeker.

Op 14 mei 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: mr. A.M. de Deken alsmede mr. N. Coenen namens verweerder. [de minderjarige] is, zoals vooraf was aangekondigd, zelf niet ter zitting verschenen.

Verzoek

Verzoeker heeft verzocht om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als schade vast te stellen het bedrag van € 12.051,-- en de Staat der Nederlanden te veroordelen dit bedrag aan verzoeker uit te betalen.

Feiten

- Bureau Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland is belast met de voogdij over de

minderjarige [de minderjarige].

- [de minderjarige] verbleef aanvankelijk op vrijwillige basis in de inrichting voor verstandelijk

gehandicapten van "[instelling]" te [plaats].

- Op verzoek van de officier van justitie d.d. 15 juli 2011 is bij beschikking van deze

rechtbank op 18 augustus 2011 een voorlopige machtiging verleend tot het doen

voortduren van het verblijf van [de minderjarige] in genoemde inrichting, uiterlijk tot en met

8 februari 2012.

- De Hoge Raad heeft bij beschikking van 27 januari 2012 de beschikking van deze

rechtbank van 18 augustus 2011 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling

terugverwezen naar deze rechtbank. De beschikking is vernietigd omdat - kort

samengevat - deze was gebaseerd op een geneeskundige verklaring van een arts

gehandicaptenzorg, welke volgens de Hoge Raad ten onrechte als medical expert

door de rechtbank was aangemerkt.

- Door de rechtbank is geen nieuwe beslissing op het verzoek van de officier van

justitie d.d. 15 juli 2011 genomen wegens gebrek aan belang nu de datum tot welke

de machtiging geldig zou zijn geweest reeds verstreken was.

- De officier van justitie heeft op 14 februari 2012 opnieuw een voorlopige

machtiging verzocht.

- Op verzoek van de officier van justitie d.d. 14 februari 2012 is bij beschikking van

deze rechtbank op 17 februari 2012 opnieuw een voorlopige machtiging verleend

tot het doen voortduren van het verblijf van [de minderjarige] in genoemde inrichting,

uiterlijk tot en met 17 augustus 2012.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

Het verzoek is gegrond op artikel 35 Wet Bopz. Het verzoek is aanvankelijk zelfstandig door de minderjarige ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de minderjarige vanwege zijn minderjarigheid onbekwaam is om in rechte zelfstandig als procespartij op te treden. In de wet Bopz is in een aantal artikelen - zoals in artikel 29 en 49 - artikel 8, tweede lid, van toepassing verklaard, zodat in die gevallen bij wijze van uitzondering op de algemene regel de minderjarige bekwaam is om in rechte op te treden. In artikel 35 Wet Bopz is van een dergelijke verwijzing geen sprake. Bureau Jeugdzorg heeft bij schrijven van 23 mei 2012, ter griffie ingekomen op 14 juni 2012, het verzoek van de minderjarige overgenomen. Nu het (aanvankelijke) verzoek binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking van de Hoge Raad is ingediend is het verzoek tijdig gedaan. Verzoeker kan worden ontvangen in zijn verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Verzoeker heeft aangevoerd dat de minderjarige nadeel heeft geleden doordat door de officier van justitie een verzoek is gedaan tot het verlenen van een voorlopige machtiging, welke machtiging door deze rechtbank is verleend, terwijl er niet is voldaan aan een van de eisen van de Wet Bopz. Het geleden nadeel is gelegen in de omstandigheden dat de vrijheden van de minderjarige die hij had bij zijn voorheen vrijwillige verblijf in "[instelling]" aanmerkelijk zijn ingeperkt dan wel belemmerd. Zo was zijn kamerdeur 's nachts op slot waardoor hij niet naar het toilet kon wanneer dat nodig was. Ook overdag werd de minderjarige tegen zijn wil op zijn kamer of in de time-outruimte opgesloten. Deze vrijheidsbeperkingen vonden dagelijks plaats. Deze vrijheidsbeperkingen / dwangmaatregelen waren onrechtmatig nu deze vanaf 15 juli 2011 waren gebaseerd op het verzoek van de officier van justitie dat niet was voorzien van de volgens de wet voorgeschreven geneeskundige verklaring van een psychiater en vanaf 18 augustus 2011 op een rechterlijke machtiging die later door de Hoge Raad is vernietigd. Aldus waren de getroffen vrijheidsbeperkende maatregelen in strijd met de wet en aldus onrechtmatig.

Verzoeker stelt dat de gebruikelijke vergoeding voor een volledige vrijheidsbeneming € 80,- per dag bedraagt, hetgeen door verweerder niet is betwist. Verzoeker acht een vergoeding van € 50,-- per dag voor de gedeeltelijke vrijheidsbeneming en het ondergaan van dwang daarom een redelijke vergoeding. Verzoeker vraagt derhalve een vergoeding van € 10.300,-- (15 juli 2011 tot en met 7 februari 2012 = 206 dagen x € 50,--). Daarnaast heeft de minderjarige kosten gemaakt voor het indienen van een verzoekschrift tot cassatie bij de Hoge Raad. De griffierechten die de minderjarige in cassatie moest betalen bedragen € 294,--. Het indienen van het onderhavige verzoekschrift brengt eveneens kosten met zich mee. Ook deze kosten, door verzoeker geschat op € 1.190,--, te verhogen met de griffierechten, behoren naar mening van verzoeker te worden betaald door de Staat. De totale schade die de minderjarige heeft geleden bedraagt volgens verzoeker € 12.051,--.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot schadevergoeding dient te worden afgewezen. Primair stelt verweerder dat het causaal verband ontbreekt. Immers, indien de medische verklaring wel door een psychiater zou zijn opgesteld zou de voorlopige machtiging ook zijn verleend. Subsidiair stelt verweerder dat het verzochte schadebedrag per dag te hoog is. In het kader van de behandeling van de minderjarige zijn beperkende maatregelen opgelegd. Dit is echter niet te vergelijken met het nadeel geleden door onterecht ondergane voorlopige hechtenis. De minderjarige is immers niet de hele dag opgesloten geweest. Bovendien, zo stelt verweerder, zijn de maatregelen opgelegd omdat de stoornis en het gedrag van de minderjarige dit noodzakelijk maakte. Het schadebedrag zou dan ook gematigd moeten worden naar € 25,-- per dag. Ten slotte voert verweerder verweer tegen de begindatum van de geleden schade. Verzoeker stelt dat de minderjarige per 15 juli 2011 schade heeft geleden ten gevolge van beperkende maatregelen. De beschikking van de rechtbank dateert van 18 augustus 2011. Verweerder is van mening dat, indien een schadevergoeding wordt toegekend, dit vanaf laatstgenoemde datum zou moeten zijn omdat per die datum de voorlopige machtiging is verleend.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 35 Wet Bopz is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien degene ten aanzien van wie door de officier van justitie een verzoek is gedaan tot het verlenen van een machtiging, nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een van de bepalingen in hoofdstuk II van de Wet Bopz niet in acht heeft genomen, de rechter op verzoek van betrokkene een naar billijkheid vast te tellen schadevergoeding ten laste van de Staat toekent. Nu de beschikking van 18 augustus 2011 door de Hoge Raad is vernietigd staat vast dat de door de inrichting toegepaste vrijheidsbeperkende maatregelen niet gelegitimeerd waren en - achteraf gezien - onrechtmatig. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat het ondervonden nadeel, bestaande uit de vrijheidsbeperkende maatregelen wel degelijk een direct gevolg zijn van de door de Hoge Raad als onjuist gekwalificeerde beslissing van de rechtbank. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling dat een voorlopige machtiging eveneens zou zijn verleend als deze was gebaseerde op de verklaring van een psychiater, nu dit een hypothetische situatie is.

Ten aanzien van de begindatum van het ondervonden nadeel overweegt de rechtbank als volgt. Verzoeker voert aan dat de instelling al met vrijheidsbeperkende maatregelen was begonnen vanaf 15 juli 2011, omdat de instelling zich daarin gesteund voelde door het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van de voorlopige machtiging. Verzoeker is van mening dat de officier van justitie de bepalingen van de wet heeft geschonden doordat bij het verzoek de verklaring van een psychiater ontbrak. In artikel 6, tweede lid, Wet Bopz, is bepaald dat de officier van justitie een verzoek doet bij de rechter indien hij van oordeel is dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 2 Wet Bopz. Ingevolge artikel 6, vijfde lid, Wet Bopz, worden daarbij de bescheiden overgelegd als bedoeld in artikel 5 van voornoemde wet, te weten een verklaring van een onafhankelijk psychiater. Vast staat dat de officier van justitie een verklaring heeft bijgevoegd van een arts gehandicaptenzorg, niet zijnde een psychiater.

De rechtbank oordeelt echter dat de schade die de minderjarige heeft geleden in de vorm van vrijheidsbenemende maatregelen die kennelijk al op 15 juli 2011 zijn genomen niet toe te rekenen zijn aan de officier van justitie. Zij heeft haar verzoek - voozien van een geneeskundige verklaring van een arts gehandicaptenzorg - ingediend omdat zij ervan uitging en uit mocht gaan dat de rechtbank door een eigen juridische toets tot een beslissing zou komen en daarin zou meewegen of de arts gehandicaptenzorg al of niet als "medical expert" kon worden aangemerkt. Dat de instelling kennelijk vooruitliep op de beslissing van de rechtbank, en reeds daaraan voorafgaand vrijheidsbeperkende maatregelen heeft opgelegd, brengt niet met zich mee dat deze kunnen worden gezien als handelen van de officier van justitie. Het nemen van deze maatregelen en het daaruit voor de minderjarige ontstane nadeel is gebaseerd op een beslissing van de instelling zelf en wordt door de rechtbank niet aan de officier van justitie toegerekend. De rechtbank hanteert daarom als begindatum voor het berekenen van de geleden schade 18 augustus 2011.

De minderjarige heeft gedurende 174 dagen (18 augustus 2011 tot en met 7 februari 2012) nadeel ondervonden door de op hem toegepaste vrijheidsbeperkende maatregelen. Gezien de aard van de vrijheidsbeperkingen acht de rechtbank een schadevergoeding van € 50,-- per dag redelijk, hetgeen in een schadevergoeding resulteert van € 8.700,--. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de minderjarige gemaakte kosten in cassatie ad € 294,-- dienen te worden vergoed door de Staat.

Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De advocaat kosten aan de zijde van verzoeker worden begroot op € 904,-- (liquidatietarief II, 2 punten). De griffierechten behoeven door verweerder niet te worden vergoed omdat deze voor Bopz-zaken niet verschuldigd zijn.

Beslissing

De rechtbank:

stelt de door de minderjarige [de minderjarige] geleden schade vast op een bedrag van

€ 8.994,--;

veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van dit bedrag ten behoeve van bovengenoemde minderjarige aan de Stichting Bureaus Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland, in diens hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

veroordeelt verweerder voorts in de proceskosten welke aan de zijde van verzoeker tot op heden zijn begroot op € 904,--;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. Don, J.M.C. Louwinger-Rijk en C.G. Meeder bijgestaan door P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

25 juni 2012.