Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9217

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
AWB 10/8910
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Als verweerder op de dag van zitting aan eiser tegemoet komt, waardoor de zitting geen doorgang vindt, en eiser al verlof heeft opgenomen om de zitting bij te wonen, dient een verzoek tot vergoeding van verletkosten in verband met het bijwonen van de zitting te worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/8910

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2012 ingevolge artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van

[opposant], te [plaats],

tegen de uitspraak, eveneens met nummer 10/8910, die de rechtbank op 2 maart 2012 met toepassing van artikel 8:54 van de Awb heeft gedaan (hierna: de uitspraak waarvan verzet).

Procesverloop

Bij de uitspraak waarvan verzet heeft de rechtbank de heffingsambtenaar van de gemeente Gouda veroordeeld in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 123,73.

Bij brief van 15 april 2012, ingekomen bij de rechtbank op 17 april 2012, heeft opposant verzet gedaan tegen deze uitspraak.

Overwegingen

Voor de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen van onder meer de gemeente Gouda is een gemeenschappelijke regeling getroffen waarbij een openbaar lichaam is ingesteld. Bij of krachtens deze regeling is bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van het openbare lichaam wordt aangewezen als, voor zover hier van belang, de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar voor de uitvoering van de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van (onder meer) de parkeerbelastingen van de gemeente Gouda. Derhalve heeft de rechtbank in de uitspraak waarvan verzet ten onrechte de heffingsambtenaar van de gemeente Gouda als verweerder genoemd. De verweerder in deze procedure is de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland. Waar de rechtbank hierna van "verweerder"spreekt, bedoelt zij de laatstgenoemde functionaris.

Opposant en verweerder waren uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op

31 mei 2011, te 14:30 uur, van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aan opposant op 25 augustus 2010 opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Gouda. In de loop van de ochtend van de 31e mei heeft verweerder opposant telefonisch meegedeeld dat hij tegemoet kwam aan opposant en dat de behandeling ter zitting van het beroep geen doorgang zou vinden.

Nadien heeft opposant het beroep ingetrokken onder de voorwaarde

"dat de rechtbank verweerder veroordeelt tot vergoeding van de kosten die [opposant] in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank [heeft] moeten maken, zoals door [opposant] ingevuld op het bijgevoegde formulier [proceskosten].".

In het formulier proceskosten vermeldt opposant, voor zover hier van belang,

€ 424,72 aan verletkosten.

In de uitspraak waarvan verzet overweegt de rechtbank met betrekking tot de verletkosten:

"Eiser is eerst in de ochtend van 31 mei 2011 (...) door verweerder bericht dat hij de aanslag alsnog heeft vernietigd en dat daarom de zitting geen doorgang behoefde. Eiser had toen reeds verlof opgenomen voor het bijzonen van de zitting en kon dit niet meer terugdraaien. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van verletkosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit [proceskosten bestuursrecht]. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het besluit stelt de rechtbank deze vast op het maximum van € 453,09 per uur tot een bedrag van € 132,73 (2,5 uur à € 53,09). Overige kosten die op de voet van het besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn gesteld noch gebleken.".

In verzet voert opposant aan:

"Op [31 mei 2011] werd ik laat in de ochtend telefonisch op de hoogte gebracht met de mededeling dat [verweerder] zich terugtrekt en dat de behandeling van deze kwestie 's middags niet door zou gaan.

Ik heb toen aangegeven dat ik al met verlof was. Mijn werk pleeg ik te plannen waarbij ik rekening dien te houden met het bezoeken van klanten verspreid over het land inclusief bijbehorende reistijden.

De werkelijke kosten liggen hoger dan het maximale mogelijke volgens de regels van het formulier proceskosten. De post € 424,72 zou hiervoor een minimale vergoeding zijn.

Ik verzoek daarom wederom de rechtbank om [verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de verletkosten welke direct in verband staan met de behandeling van dit beroep voor ten minste 7 uur, te weten 1 uur minder als eerder gevraagd, i.p.v. de nu vastgestelde 2,5 uur ad € 53,09.".

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het stelsel van de Awb volgt dat op de uitspraak waarbij het beroep vereenvoudigd wordt afgedaan en op de uitspraak op het verzet afdeling 8.2.6 van de Awb van toepassing is. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 43, p. 135). Dit betekent dat de rechter bij een uitspraak waarbij het beroep vereenvoudigd wordt afgedaan onder meer toepassing kan geven aan het bepaalde in artikel 8:75 en 8:75a van de Awb.

Bij een ontvankelijk verzet tegen een vereenvoudigd afgedaan beroep is de (on)gegrondheid van dat verzet aan de orde. Naar volgt uit de Memorie van Toelichting op artikel 8:55 van de Awb gaat het daarbij om de beantwoording van de vraag of er inderdaad sprake is geweest van kennelijke onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid, gegrondheid of ongegrondheid in de zin van artikel 8:54, lid 1, van de Awb. (vergelijk Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 43, p. 137). Wordt die vraag bij de uitspraak op verzet bevestigend beantwoord, dan blijft blijkens het bepaalde in artikel 8:55, zesde lid, van de Awb de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand.

In afdeling 8.2.4. van de Awb ontbreekt een regeling voor situaties waarin het verzet niet ziet op de uitkomst in de hoofdzaak (in dit geval: de intrekking van het beroep omdat verweerder geheel indiener van het beroep is tegemoetgekomen) maar op het volgens de belanghebbende ten onrechte niet dan wel niet op een juiste wijze toepassen van artikel 8:75 en/of artikel 8:75a van de Awb. Uit het ontbreken van afwijkende, daarop toegespitste bepalingen, vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat de doeltreffendheid van een slechts op een dergelijke beslissing gericht verzet in volle omvang moet worden beoordeeld. Indien een zodanig verzet doel treft, kan de rechter volstaan met in de uitspraak op het verzet de beslissing te nemen die uit een correcte toepassing van artikel 8:75 en/of artikel 8:75a van de Awb voortvloeit.

Wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, komen als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van art. 8:75 Awb in aanmerking, tenzij de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende (vergelijk Hoge Raad 12 mei 2006, nr. 42449, LJN AX0985, BNB 2006/270). Ingevolge artikel 8:75a van de Awb geldt deze regel ook in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen

Naar het oordeel van de rechtbank strookt het met de zo-even bedoelde regel en de in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen regeling inzake de verletkosten om in het onderhavige geval verweerder te veroordelen in de verletkosten van opposant. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat opposant

(a) eerst in de ochtend van de eerste zittingsdag door verweerder ervan is verwittigd dat de aanslag was vernietigd zodat de behandeling van het beroep ter zitting geen doorgang behoefde te vinden, en

(b) toen reeds verlof had opgenomen voor het bijwonen van de zitting.

De aan opposant te vergoeden verletkosten dienen te worden berekend aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. In artikel 2, aanhef en onderdeel d, van dat besluit is bepaald dat de verletkosten worden vastgesteld overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 4,54 en € 53,09 bedraagt.

De rechtbank heeft in de uitspraak waarvan verzet, kennelijk ervan uitgaande dat met het bijwonen van de behandeling van het beroep ter zitting, zo deze zou zijn doorgegaan, 2,5 uur gemoeid zou zijn geweest, de vergoeding van verletkosten vastgesteld op 2,5 x € 53,09, oftewel € 132,73. Dit oordeel acht de rechtbank juist. Voor de opvatting van opposant dat, omdat hij op 31 mei 2011 de hele dag verlof heeft genomen, ook verlofuren die hij niet zou hebben besteed aan het bijwonen van de behandeling van het beroep ter zitting, zo deze behandeling zou zijn doorgegaan, bij de berekening van de te vergoeden verletkosten in aanmerking moeten worden genomen, is naar het oordeel van de rechtbank geen steun te vinden in de wet.

Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank het verzet ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, rechter, in aanwezigheid van G.F. van Verseveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen opposant en het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden, Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.