Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9157

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/9649
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:4175, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres verkreeg op 11 mei 2011 de eigendom van een appartementsrecht. Tegen de voldoening op aangifte van de overdrachtbelasting is zij in bezwaar en vervolgens in beroep gekomen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het Besluit van 1 juli 2011, nr. BLKB 2011/1290M, waarin is goedgekeurd dat een tarief overdrachtsbelasting van 2 procent wordt toegepast voor de verkrijging op of na 15 juni 2011 van een woning, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Verweerder heeft de afwijzing van het bezwaar van eiseres gemotiveerd met een verwijzing naar de vaste jurisprudentie, volgens welke de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij beantwoording van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen in verschillende zin te regelen. De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 11 november 2011. De rechtbank stelt vast dat op die datum nog geen wetgeving van kracht was op grond waarvan het tarief overdrachtbelasting per 15 juni 2011 ter zake van de verkrijging van woningen was verlaagd naar 2 procent. Onder die omstandigheid had verweerder moeten beoordelen of het Besluit in het onderhavige geval in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en kon hij zich niet beroepen op voorgestelde wetgeving, ook al voorzag die in een tariefsverlaging met terugwerkende kracht tot 15 juni 2011.

Dit kan eiseres echter niet baten, omdat de hiervoor bedoelde wetswijziging inmiddels in werking is getreden en de rechtbank die in haar beoordeling dient te betrekken. De rechtbank wijst daartoe op HR 2 oktober 2009, nr. 07/13624, LJN BI1909. Van een verboden inbreuk op het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 26 van het Bupo en artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is geen sprake.Volgt gegrondverklaring van het beroep onder instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1557
V-N 2012/40.3.4
FutD 2012-1746
NTFR 2012/2134 met annotatie van dr. A. Rozendal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/9649

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 mei 2012 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Ten name van eiseres is op 16 juni 2011 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan voor de verkrijging van het appartementsrecht van de woning aan de [a-straat 1] te [B].

Verweerder heeft bij uitspraak van 11 november 2011 het bezwaar tegen de voldoening op aangifte afgewezen.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 19 december 2011, ontvangen bij de rechtbank op

21 december 2011, en aangevuld bij brief van 25 januari 2012 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2012.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [C] en

[D]. Namens verweerder zijn verschenen [E], [F], [G].

Ter zitting zijn tevens behandeld de zaken met de nummers AWB 11/9650, 11/9651, 11/9652, 11/9653, 11/9654, 11/9655, 11/9656. Hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt geacht tevens te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Namens eiseres is een pleitnota voorgedragen. Exemplaren daarvan zijn overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2. Op 11 mei 2011 verkreeg eiseres bij notariële akte de eigendom van het appartementsrecht met betrekking tot de woning aan de [a-straat 1], te [B] (de verkrijging).

3. De koopprijs bedroeg volgens de notariële akte € 50.000. De overdrachtbelasting ten bedrage van € 3.000, zijnde zes procent van de koopprijs, is op 16 juni 2011 op aangifte voldaan. Het tarief ten tijde van de verkrijging bedroeg volgens artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wet BRV) zes procent.

4. Bij besluit van 1 juli 2011, nr. BLKB 2011/1290M (het Besluit) heeft de staatssecretaris van Financiën het volgende bekendgemaakt:

"(....)

1. Inleiding

In het persbericht van 1 juli 2011 is aangekondigd dat het tarief overdrachtsbelasting bij de verkrijging van woningen tijdelijk wordt verlaagd tot 1 juli 2012. Deze maatregel zal worden opgenomen in het Belastingplan 2012. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen treedt deze maatregel op 1 januari 2012 in werking en werkt terug tot en met 15 juni 2011.

2. Goedkeuring

Het is niet wenselijk dat belanghebbenden de verkrijging van een woning uitstellen tot 1 januari 2012. Daarom keur ik vooruitlopend op wetswijziging het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat een tarief overdrachtsbelasting van 2 procent wordt toegepast voor de verkrijging op of na 15 juni 2011 van een woning. (...)

(...)

4. Inwerkingtreding en vervaldatum

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug voor de verkrijging op of na 15 juni 2011 van woningen.

Dit besluit vervalt op 1 januari 2012.(...)"

5. Het wetsvoorstel inzake de tijdelijke tariefsverlaging als onderdeel van het Belastingplan 2012 is op 17 november 2011 door de Tweede Kamer en op 20 december 2011 door de Eerste Kamer aangenomen. Het Belastingplan 2012 is als Wet van 22 december 2011 (de Wet) gepubliceerd in het Staatsblad 2011, nr. 639.

6. In artikel XXXVIII, tweede lid, van de Wet is bepaald dat artikel XVI van de Wet (het artikel waarin de tariefswijziging van artikel 14 van de Wet BRV is opgenomen) terugwerkt tot en met 15 juni 2011.

Geschil en standpunten van partijen

7. Tussen partijen is in geschil of eiseres in verband met de verkrijging terecht 6% overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan, wat eiseres betwist en verweerder verdedigt. Meer in het bijzonder bepleit eiseres de toepassing van een tarief overdrachtsbelasting van 2% op de verkrijging.

8. Eiseres neemt het standpunt in dat het Besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Haar wordt het per 15 juni 2011 geldende verlaagde tarief onthouden, terwijl andere belastingplichtigen in afwijking van de wet wel dit verlaagde tarief hebben mogen toepassen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op 1 juli 2011 nog geen sprake was van wetgeving maar van een goedkeurend besluit van de staatssecretaris en dat de staatssecretaris niet dezelfde ruime beoordelingsmarge heeft als de wetgever. De staatssecretaris heeft geen rechtvaardiging gegeven voor de schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtvaardigingsgronden zoals die zijn gegeven in de latere wetsgeschiedenis gaan in dit geval niet op. Het had in de rede gelegen de terugwerkende kracht te laten gelden voor die gevallen waarin de voldoening op het moment van bekendmaking van het besluit van 1 juli 2011 nog niet onherroepelijk vaststond. Zij beroept zich voorts op schending van het gelijkheidsbeginsel zoals dat is neergelegd in artikel 26 van het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Bupo) en artikel 14 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) in samenhang met artikel 1 van het Eerste protocol van het EVRM.

9. Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken.

10. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van een bedrag van € 2.000 aan overdrachtsbelasting. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

11. Verweerder heeft de afwijzing van het bezwaar van eiseres gemotiveerd met een verwijzing naar de vaste jurisprudentie, volgens welke de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij beantwoording van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen in verschillende zin te regelen. De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 11 november 2011. De rechtbank stelt vast dat op die datum nog geen wetgeving van kracht was op grond waarvan het tarief overdrachtbelasting per 15 juni 2011 ter zake van de verkrijging van woningen was verlaagd naar 2%. Onder die omstandigheid had verweerder moeten beoordelen of het Besluit in het onderhavige geval in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en kon hij zich niet beroepen op voorgestelde wetgeving, ook al voorzag die in een tariefsverlaging met terugwerkende kracht tot 15 juni 2011.

12. Het onder 11 overwogene brengt met zich dat de uitspraak op bezwaar berust op een ondeugdelijke motivering en daarom moet worden vernietigd. Materieel kan dit eiseres echter niet baten, omdat de hiervoor bedoelde wetswijziging inmiddels in werking is getreden en de rechtbank die in haar beoordeling dient te betrekken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

13. In HR 2 oktober 2009, nr. 07/13624, LJN BI1909 is als volgt geoordeeld:

"(...). Indien een wettelijk voorschrift met terugwerkende kracht is ingevoerd of gewijzigd na de datum van de bestreden beslissing (besluit of uitspraak) van het bestuursorgaan of de lagere rechter, en het nieuwe voorschrift - mede gelet op de daaraan gegeven terugwerkende kracht - in aanmerking komt voor toepassing op het te berechten geval, brengt de taak van de (hogere) rechter in belastingzaken mee dat hij bij de toetsing van die beslissing uitgaat van het nieuwe voorschrift (vgl. HR 6 januari 1960, nr. 13912, BNB 1960/51). (...)"

14. Hiervan uitgaande dient de rechtbank te beoordelen of de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 januari 2012 en de daarbij gegeven terugwerkende kracht voor verkrijgingen tot en met 15 juni 2011, in aanmerking komt voor toepassing op het hier voorliggende geval. Gezien de duidelijke bewoordingen van artikel XXXVIII van de Wet en het feit dat de onroerende zaak door eiseres is verkregen op 11 mei 2011, is daarvoor op zich geen aanleiding.

15. Het onder 14 overwogene neemt echter niet weg dat de rechtbank moet toetsen of, zoals eiseres stelt, de beperking van de terugwerkende kracht tot leveringen op of na 15 juni 2011 een verboden inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 26 van het Bupo en artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

16. In de Nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33003, nr. 10) is over de ingangsdatum van de verlaging van het tarief het volgende medegedeeld:

"Om uitstelgedrag te voorkomen heeft het kabinet, vooruitlopend op de aanvaarding van deze wet, ervoor gekozen dat het tarief van de overdrachtsbelasting van 2% bij de verkrijging van woningen al met ingang van 15 juni 2011 kan worden toegepast. De reden waarom voor 15 juni is gekozen houdt verband met uitlatingen van het kabinet over de woningmarkt met de bedoeling het vertrouwen in de woningmarkt te versterken. Het hiermee opgewekte consumentenvertrouwen noopte het kabinet ertoe de maatregel met terugwerkende kracht tot deze dag in te laten gaan. Voor woningen die tussen 15 juni 2011 en 1 juli 2011 zijn verkregen is er derhalve in het kader van de rechtszekerheid voor gekozen de tariefsverlaging in deze situaties te laten gelden."

17. Naar het oordeel van de rechtbank komt de wetgever met het vanaf enige moment inwerking laten treden van een wettelijke tariefsverlaging, niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Immers de tariefsverlaging geldt vanaf de ingangsdatum voor alle belaste verkrijgingen van woningen en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, alsmede voor de verkrijging van aandelen en rechten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet BRV voor zover deze aandelen en rechten middellijk of onmiddellijk woningen vertegenwoordigen (vgl. artikel 14, tweede lid, van de Wet BRV). De rechtbank is van oordeel dat in geval terugwerkende kracht aan een dergelijke maatregel wordt verleend, er evenmin een verboden strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel optreedt in geval ook vanaf de toepassingsdatum de tariefsverlaging voor alle vorenbedoelde verkrijgingen in gelijke mate geldt. Zo de terugwerkende kracht al in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, dan heeft de wetgever naar het oordeel van de rechtbank gegronde redenen gegeven waarom hij de tariefsverlaging heeft laten terugwerken en niet verder dan tot en met 15 juni 2011. Naast financiële overwegingen hebben daar blijkbaar onder meer motieven op het gebied van rechtszekerheid meegespeeld. Niet kan worden gezegd dat de wetgever daarbij buiten de hem toekomende ruimte en beoordelingsvrijheid is getreden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat op grond van uitlatingen die leden van het kabinet (naar eiseres onweersproken heeft gesteld) vanaf 17 juni 2011 hebben gedaan men er op mocht vertrouwen dat het tarief van de overdrachtsbelasting niet zou worden verlaagd. Door vervolgens toch het tarief te verlagen zou het vertrouwen kunnen worden geschonden van belanghebbenden die vóór 1 juli 2011 een woning hebben verkregen terwijl zij, indien zij zouden hebben geweten dat op 1 juli 2011 het tarief zou worden verlaagd, die verkrijging evenzogoed op of na 1 juli 2011 hadden kunnen laten plaatsvinden. Dat de terugwerkende kracht geldt tot en met 15 juni 2011 en niet tot en met 17 juni 2011, valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de aan de wetgever toekomende ruimte en beoordelingsvrijheid.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dienen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te blijven.

Proceskosten

19. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting met een waarde van € 437 en een wegingsfactor 1). De rechtbank merkt op dat geen sprake is van samenhang met de in het procesverloop vermelde zaken die ter zitting tevens zijn behandeld, die zaken zien op andere verkrijgingen door evenzoveel verkrijgers. Dat de zaken tegelijk door de rechtbank zijn behandeld en die verkrijgers zich bedienen van dezelfde gemachtigde maakt dit niet anders.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het griffierecht van € 302 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep ten bedrage van € 874 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. Braun, voorzitter, mr. G.J. Ebbeling en

mr. R.C.H.M. Lips, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.