Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8727

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
409364 - FA RK 11-9774
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatie/gezag/zorgregeling/informatie- en consultatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 11-9774

Zaaknummer: 409364

Datum beschikking: 12 juni 2012

Alimentatie/Gezag/Zorgregeling/Informatie -en Consultatie

Beschikking op het op 14 december 2011 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw],

advocaat: mr. K.C. Diepstraten te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats man],

advocaat: mr. drs. J.F.M. van Weegberg te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief met bijlagen d.d. 11 april 2012 van de zijde van de vrouw;

- de brief met bijlagen d.d. 24 april 2012 van de zijde van de man tevens inhoudende een aanvullend verzoek;

- de brief met bijlagen d.d. 24 april 2012 van de zijde van de vrouw.

Op 4 mei 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun advocaten alsmede een stagiaire-advocaat aan de zijde van de vrouw. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt thans met ingang van 1 augustus 2011 de kinderalimentatie voor na te melden minderjarige op € 400,- per maand te bepalen, dan wel een zodanige bijdrage als de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen met bepaling dat de kosten van tenuitvoerlegging van de door de rechtbank te geven beschikkingvoor rekening van de alimentatieplichtige komen, indien en voor zover die kosten worden veroorzaakt door niet tijdige betaling.

De man voert verweer dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht:

- bepaling dat beide ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over na te melden minderjarige;

- primair wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en bepaling dat de

minderjarige zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man, subsidiair uitbreiding van de huidige zorg- en opvoedingsregeling zoals vermeld op pagina 7 van het petitum van de zelfstandige verzoeken van de man, dan wel een zodanige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als de rechtbank juist acht,

- vaststelling van een informatie- en consultatieregeling zoals op pagina 8 van het petitum van de zelfstandige verzoeken van de man is vermeld, althans zodanige informatie- en consultatieregeling als de rechtbank juist acht,

kosten rechtens en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad in de periode van april 2009 tot augustus 2011.

- Uit de vrouw is geboren de minderjarige:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

- De man heeft de minderjarige erkend.

- De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.

- De man heeft de Nederlandse en Chinese nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.

Beoordeling

Gezag

Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van een minderjarige, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Dit verzoek wordt, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat uit het de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting voldoende is komen te staan dat indien de ouders gezamenlijk het gezag zullen gaan uitoefenen er een gerede kans bestaat dat de nog zeer jonge minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders.

Daarbij is niet alleen in aanmerking genomen het volledig gebrek aan vertrouwen over en weer van de ouders in elkaar, doch ook de slechte communicatie tussen de ouders, de diskwalificatie door de vader van de moeder als verzorgende ouder en voorts het "modder gooien" naar elkaar door partijen, zowel in de stukken als ter terechtzitting. De rechtbank verwerpt het verweer van de man dat overgelegde prints van Facebook en andere zogenoemde sociale media geen (juridische) waarde zouden hebben omdat zij alleen zijn overgelegd als stemmingmakerij. De Facebook-berichten (de rechtbank noemt hier als voorbeeld "Vragen hoe het gaat met me kind an nde moeder vban me kind.Jullie raden het al helemaal geen reactie. Ik zou de andere ouder NOOIT in onzekerheid laten zitten over zijn welzijn." en "[naam] ik weet dat mijn woorden tegen me gebruikt worden en dat sommige woorden omgedraaid worden. Dus ik zet VOOR NU nog niet teveel op FB MAAR!! Als alles achter de rug is zal ik alles vertellen, echt ALLES!! Ook mijn fouten!!") zijn naar het oordeel van de rechtbank duidelijk gericht op de Facebook-vrienden van de man en hebben ten aanzien van de vrouw als moeder een negatieve lading. De rechtbank acht het ook in de richting van de vrouw als andere ouder zonder meer ongepast om een - nota bene door de rechtbank gestempelde - leesbare foto van een processtuk (in dit geval: de eerste pagina van het inleidende verzoekschrift met de naam en voornamen van de vrouw) op Facebook te plaatsen met daarbij het onderschrift: "Daar is ie dan toch de brief van de rechtbank via de tegenpartij zijnde de moeder van mijn (ons) kind." De man geeft zich naar het oordeel van de rechtbank met dergelijke berichten, die voor de Facebook-vrienden van de man openbaar zijn en bovendien doorgezonden kunnen worden aan anderen ( "vrienden" van "vrienden") onvoldoende rekenschap van de eisen die gezamenlijk ouderschap en de belangen van - in dit geval - [de minderjarige] met zich meebrengen.

De rechtbank acht de door de man overgelegde prints van de "whats app" berichten, mede in het licht van het hiervoor overwogene, onvoldoende om daaruit te concluderen dat partijen wel in staat zouden zijn om op een normale manier te communiceren. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen de door de vader gewekte suggestie, middels de overgelegde foto's van de minderjarige met blauwe plekken, dat een en ander door toedoen van de moeder zou zijn veroorzaakt, hetgeen door de moeder is betwist en in de stukken noch ter terechtzitting is gebleken.

Bovendien komt uit de overgelegde uitdraaien van de Facebook berichten van de man naar voren dat de man, na afloop van onderhavige procedure, van plan is het nodige over de vrouw dan wel hun voormalige relatie te gaan onthullen op Facebook, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank de toch al gespannen onderlinge verhoudingen en/of communicatie niet ten goede zal komen. De rechtbank benadrukt dat het in het belang van de minderjarige moet worden geacht dat beide partijen eerst hulp zoeken om beter te gaan communiceren, het vertrouwen in elkaar te herstellen en te stoppen met het "modder gooien". Eerst dan, wanneer de ouders elkaar niet meer beschouwen als ex-partners maar als ouders van [de minderjarige], kan er na verloop van tijd een situatie ontstaan waarin van een gezamenlijke gezagsuitoefening sprake kan zijn zonder dat de minderjarige klem of verloren dreigt te raken.

Gelet op het vorenstaande zal dan ook verzoek van de man om hem gezamenlijk met het gezag te belasten, worden afgewezen. Het vorenstaande brengt met zich dat de moeder van rechtswege blijft belast met het eenhoofdig gezag en de rechtbank niet meer toekomt aan een bespreking van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.

Omgangsregeling

Na het uiteengaan van partijen hebben zij een omgangsregeling met elkaar afgesproken waarbij de man de minderjarige éénmaal per weekend bij zich heeft van 10.00 tot 16.00 uur. Deze omgangsregeling verloopt, naar de rechtbank heeft begrepen, redelijk, zij het dat de man zich soms niet helemaal aan de afgesproken tijden houdt en soms vrienden meeneemt bij het terugbrengen, hetgeen de rechtbank niet het belang van de minderjarige acht. Aan de andere kant blijkt uit de stukken en ter zitting dat de vrouw zich soms erg star opstelt ten aanzien van eventuele (extra) omgang tijdens de feestdagen, hetgeen de rechtbank eveneens niet in het belang acht van de minderjarige. Ten aanzien van de gedragsverandering die de minderjarige in de visie van de vrouw heeft laten zien na de omgang met de man, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan dat dit een contra-indicatie zou opleveren tegen extra contacten van de minderjarige met de man tijdens de feestdagen en/of zomervakantie dan wel op de verjaardag van de minderjarige, vaderdag en de verjaardag van de man. De rechtbank zal te dien aanzien dan ook als na te melden beslissen.

De minderjarige is een nog zeer jong kind, bij wie voor het opbouwen van een band met de man meer van belang is om vaker en korter zijn vader te zien dan minder vaak en langer. De door de man verzochte opbouw naar een weekendregeling van vrijdagmiddag tot zondagavond en voorts de verzochte vakantieregeling voor de helft van de gebruikelijke schoolvakanties acht de rechtbank, totdat de minderjarige naar de peuterspeelzaal dan wel basisschool gaat, niet in het belang van de minderjarige gelet op diens jonge leeftijd.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er tussen partijen op grond van hetgeen hiervoor reeds is overwogen, onvoldoende vertrouwen en communicatie bestaat om een goede uitvoering te kunnen geven aan een eventueel doordeweeks contact.

Hoewel de minderjarige de komende twee jaren nog niet schoolgaand zal zijn valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat de man in de zomervakantie niet een aantal extra dagen bij de man zou kunnen doorbrengen. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat hij de minderjarige in de zomermaanden juli en augustus, de minderjarige gedurende drie extra dagen bij zich mag hebben van 10.00 tot 16.00 uur, zulks door partijen in onderling overleg via "whats app" of een ander electronisch communicatiemiddel te regelen.

Informatie- en consultatieregeling

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken zijn geen contra-indicaties gebleken tegen de vaststelling van een informatie- en consultatieregeling waarbij de vrouw de man op gezette tijden over de gewichtige aangelegenheden betreffende de persoon en het vermogen van de minderjarige. De rechtbank zal op dit punt in het belang van de minderjarige na te melden regeling vaststellen. De rechtbank benadrukt hierbij wel dat de man zich in het vervolg dient te onthouden van reacties op de gegeven informatie door de vrouw. Het via "whats app" controleren door de man acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarige.

Kinderalimentatie

Nu de man de minderjarige heeft erkend staat zijn onderhoudsplicht vast. De vrouw kan derhalve in haar verzoek worden ontvangen.

Behoefte

Partijen zijn in augustus 2011 uiteen gegaan. Om de behoefte van de minderjarigen te berekenen dient eerst de hoogte van het gezinsinkomen te worden vastgesteld vlak voordat partijen uiteen zijn gegaan. Nu uit de stukken het jaarloon van de man en de vrouw zijn af te leiden over 2010 zal de rechtbank daarvan uitgaan daar niet is gebleken

Door de man is een jaaropgaaf 2010 overgelegd waaruit blijkt dat de man in dat jaar een fiscaal loon heeft ontvangen van € 31.810,-. De man ontvangt vakantiebonnen en de belaste waarde daarvan bedraagt 99% welk bedrag is inbegrepen in voormeld jaarloon.

De resterende onbelaste waarde van 1% die normaal gesproken bij het fiscaal loon dient te worden opgeteld acht de rechtbank te gering van waarde om daarmee in het kader van de behoeftebepaling rekening te houden. Uitgaande van de algemene heffingskorting en arbeidskorting resteert er na belasting heffing en na aftrek van de inkomensafhankelijke ZVW-bijdrage een netto besteedbaar inkomen van € 1.856,- per maand.

Blijkens de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2010 bedraagt het fiscaal loon van de vrouw over 2010 € 16.190,-. Uitgaande van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting aan de zijde van de man en na aftrek van de inkomensafhankelijke ZVW-bijdrage heeft zij een netto besteedbaar inkomen van € 1104,- per maand.

Vorenvermelde inkomens in aanmerking genomen bedraagt het gezinsinkomen € 2.960,- netto per maand. Hieruit volgt dat de door de vrouw gestelde bijdrage van € 400,- per maand de behoefte van de minderjarige niet overstijgt zodat daarvan zal worden uitgegaan.

Vervolgens dient beoordeeld te worden wat partijen naar rato van hun eigen aandeel in de kosten van de minderjarige dienen bij te dragen. De rechtbank zal daartoe hierna de draagkracht van de man en de vrouw.

Draagkracht

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van zijn fiscaal loon van € 33.067,- blijkens de jaaropgaaf 2011 van de man.

De rechtbank houdt voorts rekening met:

- de in het fiscaal loon begrepen bijtelling werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet van € 2.379,-.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.844,- per maand.

De rechtbank neemt de volgende niet - dan wel onvoldoende - betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

1) huur: € 513,71;

2) nominale en aanvullende premie ziektekosten ZVW: € 121,-;

3) kosten omgang: € 20,-.

De vrouw heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:

- werkelijke verwervingskosten: € 35,-;

- aflossing schulden: € 100,-.

Ten aanzien van de door de man opgevoerde verwervingskosten is de rechtbank van oordeel dat de eenmalige betaling door de man van € 35,- op 24 december 2011 ten gunste van [naam bedrijf] te Voorburg onvoldoende aantoont dat de man maandelijks deze verwervingskosten maakt. Bovendien ontvangt de man van zijn werkgever een reiskostenvergoeding zodat, al zou er wel rekening met die kosten worden gehouden, die kosten in ieder geval niet meer bedragen dan € 10,- per maand.

Met betrekking tot de door de man afgesloten lening bij zijn oom van € 2.000,- overweegt de rechtbank als volgt. Daargelaten de vraag of de lening tot doel heeft om eventuele herinrichtingskosten van de man te financieren staat op grond van de door de man gesloten leenovereenkomst in ieder geval vast dat de man uiterlijk op 1 januari 2015 de schuld moet hebben afgelost. Hoewel de man mede in verband met onderhavige procedure (nog) niet op voormelde schuld aflost, moet de man wel in staat worden gesteld daar zo spoedig mogelijk te kunnen gaan beginnen. Derhalve zal de rechtbank rekening met de opgevoerde rente en aflossing van € 100,- per maand.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70. De man heeft, rekening houdend met de fiscale consequenties, een beschikbare draagkracht van € 330,- per maand.

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw uit van haar huidige salaris van € 957,29 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Ten aanzien van de vraag of de vrouw haar verdiencapaciteit wel voldoende benut moet worden geoordeeld dat de verdiencapaciteit van de vrouw als beperkt mag worden verondersteld gelet op de zorg voor de minderjarige. Een werkweek van 23 uur per week acht de rechtbank, mede nu de minderjarige de komende twee jaar nog niet schoolgaand is. Derhalve wordt uitgegaan van het huidige inkomen van de vrouw zoals hiervoor vermeld.

De rechtbank houdt voorts rekening met:

- de bijtelling werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet van € 73,14 per maand.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

- het kindgebonden budget van € 1.011,-.

De vrouw komt niet in aanmerking voor andere heffingskortingen zolang zij nog inwoont bij haar ouders.

De rechtbank neemt de volgende niet - dan wel onvoldoende - betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- premie basisverzekering Zorgverzekeringswet: € 107,50;

- aanvullende premie Zorgverzekeringswet: € 30,50;

- verplicht eigen risico: € 14,17;

- zorgtoeslag -/- € 70,-;

- correctie nominaal deel ZVW -/- € 45,-;

- kosten kinderopvang € 81,- ( € 317,- -/- € 236,-).

De rechtbank is ten aanzien van de op de vrouw toepasselijke bijstandsnorm van oordeel dat, hoewel zij bij haar ouders inwoont, die omstandigheid op zich nog geen reden vormt om van een zodanig lagere bijstandsnorm uit te gaan als door de man ter terechtzitting aangevoerd.

Uitgangspunt is dat een onderhoudsplichtige tenminste het bestaansminimum moet kunnen behouden naast een redelijk deel van zijn of haar draagkrachtruimte. De vrouw betaalt aan haar ouders € 250,- per maand aan kost en inwoning. Nu in voormeld bedrag tevens de kosten aan gas, water en licht zijn begrepen waarmee reeds rekening is gehouden in de bijstandsnorm, zal de rechtbank uitgaan van een bedrag aan kostgeld dat niet uitkomt boven het bedrag van de gemiddelde basishuur van € 210,- per maand.

Daar de rechtbank wel aannemelijk acht dat de vrouw door voormelde inwoning bij haar ouders zich een aantal kosten bespaart, wordt het redelijk geracht in het onderhavige geval uit te gaan van 90% van de bijstandsnorm van een alleenstaande aan de zijde van de vrouw.

Uitgaande van een draagkrachtpercentage van 70 is de beschikbare draagkracht aan de zijde van de vrouw onvoldoende om bij te kunnen dragen in de kosten van de minderjarige.

Gelet hierop kan van de man worden gevergd dat hij zijn maximale draagkracht (€ 330,- per maand) aanwendt ter bestrijding van in ieder geval een aanzienlijk deel van de kosten van de minderjarige. Gelet op de datum van indiening van het verzoek heeft de man er niet eerder dan medio december 2011 rekening kunnen houden met een hogere bijdrage dan de man op dat moment betaalde. Gelet hierop zal de rechtbank ten aanzien van na te melden bijdrage als volgt beslissen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt de door de man met ingang van 15 december 2011 te betalen

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige

[de minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

op € 330,- per maand. vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

*

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te

[geboorteplaats], bij de man zal zijn:

- gedurende éénmaal per weekend van 10.00 uur tot 16.00 uur, alsmede gedurende drie extra dagen van 10.00 tot 16.00 uur in de zomermaanden juli en augustus, zulks door partijen in onderling overleg via "whats app" of een ander electronisch communicatiemiddel te regelen,

en verklaart deze omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de vrouw met ingang van heden telkens wanneer daar aanleiding toe bestaat, maar in elk geval elk kwartaal, voor het eerst per ultimo juni 2012, de man per e-mail, "whatsapp", brief of sms informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige;

en verklaart deze informatie- en consultatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;

*

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.R van der Meer, in tegenwoordigheid van

P.J. Kolenbrander als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012.