Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8721

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/14140 en 12/14138
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het ambtsbericht van augustus 2011 biedt geen grond voor het oordeel dat Hazara in Afghanistan, dan wel in de provincie Ghazni, dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandeling. Dat in het rapport van Maley, getiteld “On the position of the Hazara minority in Afghanistan” van 7 december 2011 staat vermeld dat geen enkel deel van Ghazni als veilig kan worden beschouwd voor Hazara, dat het onrealistisch is om aan te nemen dat Hazara bescherming kunnen krijgen en dat het voor Hazara extreem gevaarlijk blijft om te reizen, maakt evenmin dat dit moet worden aangenomen. Uit het ambtsbericht van augustus 2011 blijkt dat geen enkele provincie in Afghanistan volstrekt gevrijwaard is van veiligheidsincidenten. Iedereen in Afghanistan, dus niet alleen een lid van de Hazara bevolkingsroep, kan dus een zeker risico lopen om slachtoffer te worden van onmenselijke behandeling. Zo staat op pagina 62 van het ambtsbericht vermeld dat elke Afghaan het risico kan lopen door elke andere Afghaan te worden bedreigd, mishandeld of vermoord wegens ras, sekse, religie of gedrag, ongeacht tot welke bevolkingsroep hij/zij behoort of waar hij/zij zich ook bevindt. Ook met het feit dat de Afghaanse autoriteiten niet of nauwelijks in staat zijn bescherming te bieden, kan in principe iedereen in Afghanistan te maken krijgen. Dit geldt derhalve niet specifiek voor Hazara. Voorts blijkt uit pagina 75 van het ambtsbericht dat het risico van vervoer over de weg voor iedere Afghaanse burger is toegenomen. De situatie van de Hazara, zoals Maley die beschrijft, verschilt derhalve niet (wezenlijk) van het beeld dat uit het ambtsbericht van augustus 2011 naar voren komt. Zo zijn de bevindingen van de ICG die door Maley worden genoemd, betrokken bij de totstandkoming van dit ambtsbericht. Verder wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 10 april 2012, AWB 11/25515, en nevenzittingsplaats Zwolle van 11 mei 2012, AWB 12/13062 en 12 13059. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om, zoals door verzoeker is verzocht, verweerder op te dragen het rapport van Maley voor te leggen aan de minister van Buitenlandse Zaken.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12/14140 (voorlopige voorziening)

AWB 12/14138 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 mei 2012

inzake

[verzoeker] (voorheen bekend onder de naam [...]),

geboren op [datum] 1995,

van Afghaanse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde mr. J.W. van Leeuwen,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. S.J.M. Leijtens.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 26 april 2012, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) afgewezen. Hierbij heeft verweerder tevens ambtshalve besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor toelating inzake het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

Verzoeker heeft op 26 april 2012 beroep ingesteld tegen voormeld besluit. Tevens heeft hij op dezelfde datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 24 mei 2012, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van deze rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak (het beroep).

4. De voorzieningenrechter stelt ambtshalve vast dat verzoeker al eerder, te weten op 6 oktober 2009, een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft verzoeker, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. Verzoeker is afkomstig uit Ghazni en behoort tot de Hazara bevolkingsgroep. Verzoeker is na de dood van zijn vader bij zijn oom gaan wonen. Verzoeker werd slecht behandeld door zijn oom. Hij moest hard werken en werd door hem geslagen en geschopt. De oom van verzoeker had twee zonen, [zoon 1] en [zoon 2] genaamd. Op een dag keek verzoeker in een tas van zijn neef [zoon 1] en zag daarin foto’s waarop zijn neef (deels) naakt met een meisje stond afgebeeld. Deze seksueel getinte foto’s heeft verzoeker de volgende dag aan zijn moeder gegeven. Zij heeft vervolgens een reisagent voor verzoeker geregeld. In juli 2009 is verzoeker naar Iran gereisd. Vervolgens is verzoeker via Turkije en Griekenland naar Nederland gekomen.

5. Bij besluit van 8 juni 2010 heeft verweerder de eerdere asielaanvraag van verzoeker afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder heeft hierbij het standpunt ingenomen dat het verblijf van verzoeker bij zijn oom en de slechte behandeling die hij van deze oom kreeg, weliswaar aannemelijk worden geacht, maar dat de verklaringen van verzoeker met betrekking tot de foto’s van zijn neef niet aannemelijk worden geacht. Voorts heeft verweerder overwogen dat in Afghanistan geen sprake is van de ‘most extreme cases of general violence’ en dat verzoeker heeft verklaard dat hij geen problemen heeft ondervonden vanwege zijn afkomst. Verweerder heeft verder ambtshalve overwogen dat verzoeker evenmin voor toelating op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen in aanmerking komt, nu gebleken is dat voor verzoeker in het land van herkomst en in Iran adequate opvang aanwezig is.

6. Verzoeker heeft op 1 juli 2010 beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juni 2010. Dit beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 11 mei 2011, met zaaknummer AWB 10/23589, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort gezegd – overwogen dat verweerder in redelijkheid het asielrelaas ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker ook niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid met betrekking tot alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

7. Verzoeker heeft op 8 juni 2011 tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 oktober 2011, met zaaknummer 201106429/1/V2, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dit hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en heeft zij de aangevallen uitspraak bevestigd.

8. Verzoeker heeft op 18 april 2012 andermaal een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft verzoeker het volgende aangevoerd. De achternaam van verzoeker is [achternaam 1] en niet [achternaam 2]. De moeder van verzoeker is inmiddels overleden en verzoeker weet niet waar zijn broertje [broertje] momenteel verblijft. De moeder van verzoeker werd slecht behandeld door de oom bij wie verzoeker heeft gewoond. Nadat de moeder van verzoeker een jaar of anderhalf jaar geleden de naaktfoto’s bekend had gemaakt, is de vader van het meisje op de foto’s naar de woning van verzoekers oom gegaan. Hierop zijn de neven van verzoeker naar de woning gegaan waar de moeder van verzoeker verbleef. De moeder is toen aangevallen en mishandeld met een mes. Aan de gevolgen hiervan is zij later, op 16 maart 2011, in het ziekenhuis overleden. Verzoekers neef [zoon 1] is een tijdje later gearresteerd, maar zijn neef [zoon 2] is nog voortvluchtig. Verzoeker heeft dit in augustus 2011 vernomen van zijn zus [zus], die in Iran verblijft. Verder heeft verzoeker via zijn neef [neef] een ongedateerde verklaring van het ministerie van Economische Zaken, afdeling staatsboekhouding Kabul, ontvangen. In die verklaring bevestigen de inwoners van het dorp [dorp], de mullah en een zekere kolonel [kolonel], zijnde het plaatsvervangend Hoofd afdeling administratie van het Hoofdkwartier der Commandanten van Veiligheid Jaghori, op verzoek van [neef] dat de moeder van verzoeker op 1 maart 2011 de naaktfoto’s heeft laten zien aan [vader meisje], de vader van het meisje op de foto’s, en dat drie personen die behoren tot de familie van [vader meisje] naar het huis van de vader van [zoon 1] zijn gegaan om wraak te nemen. Volgens de verklaring zijn [zoon 1] en [zoon 2] toen op de vlucht geslagen en hebben zij vervolgens de moeder van verzoeker met een mes neergestoken. Zij is twee weken later aan haar verwondingen in het ziekenhuis overleden, aldus valt te lezen in de verklaringen. Dokter Basir Mortaza bevestigt dat de moeder van verzoeker op 16 maart 2011 als gevolg van messteken in haar buik en haar keel is overleden.

9. Verzoeker heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij in Nederland is bekeerd tot het christendom. In 2010 en 2011 is verzoeker vanuit een kerk op kamp gegaan. Daar kreeg hij elke dag een paar uur Bijbellessen. Verzoeker gaat thans elke week op zondag naar een kerk in Katwijk. De pleegouders van verzoeker, die oorspronkelijk uit Afghanistan afkomstig zijn, weten niet dat verzoeker zich heeft bekeerd. Verzoeker is nog niet gedoopt. Hem is verteld dat dit gebeurt als hij er klaar voor is en zijn geloof compleet is. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij in aanmerking dient te komen voor toelating op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen omdat hij thans wees is. Verder brengt hij naar voren dat de veiligheidssituatie in Afghanistan en in de provincie Ghazni slechter is geworden. Verzoeker brengt in dat verband verder naar voren dat hij behoort tot de Hazara bevolkingsgroep in Ghazni en reeds hierom bij terugkeer naar dat gebied heeft te vrezen voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van augustus 2011 en een rapport van prof. William Maley, getiteld “On the position of the Hazara minority in Afghanistan” van 7 december 2011.

10. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van verzoeker afgewezen bij besluit van 26 april 2012. De voorzieningenrechter overweegt dat laatstgenoemd besluit en het besluit van 8 juni 2010, waarbij de eerdere asielaanvraag van verzoeker is afgewezen, van gelijke strekking zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen, zoals kan worden afgeleid uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45.

11. De voorzieningenrechter stelt vast dat de verklaringen van verzoeker voor een deel voortborduren op het relaas zoals dat in de vorige procedure naar voren is gebracht en waarvan in rechte vaststaat dat het ongeloofwaardig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker aan zijn herhaalde asielaanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd die daarop een ander licht werpen. Daartoe wordt overwogen dat uit informatie van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) van 23 april 2012 blijkt dat zij niet over referentiemateriaal beschikt om onderzoek te doen naar de authenticiteit van die verklaring. Dit betekent dat dit document niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Immers, nu de authenticiteit van deze verklaring niet kan worden vastgesteld, kan deze niet worden aanvaard als objectieve bron die het relaas van verzoeker alsnog bevestigt. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 15 december 2003, LJN: AO0899. De voorzieningenrechter overweegt verder dat de omstandigheid dat de KMar niet over voldoende referentiemateriaal beschikt voor rekening en risico van verzoeker komt. De voorzieningenrechter ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2005, LJN: AU0346. Het ligt dan vervolgens op de weg van verzoeker om zelf de authenticiteit van het document aan te tonen. Dat in de verklaring staat vermeld dat deze afkomstig is van een kolonel en een arts maakt niet, anders dan verzoeker stelt, dat het stuk daarmee authentiek moet worden geacht. Voorts wordt overwogen dat vorenbedoelde verklaringen zijn opgesteld op verzoek van verzoekers neef [neef] en laatstgenoemde ten opzichte van verzoeker niet is te beschouwen als een objectief verifieerbare bron. Ditzelfde geldt voor verzoekers zus [zus], die verzoeker zou hebben verteld dat hun moeder de naaktfoto’s bekend heeft gemaakt. Verder wekt het bevreemding dat de verklaring is opgevraagd door voornoemde neef en vervolgens - zo zou kunnen worden afgeleid uit de stukken die de verklaring begeleiden -, is opgestuurd door verzoekers broer [broertje], van wie verzoeker niet weet of deze thans nog in Afghanistan verblijft. Verzoekers verklaring dat de naam van zijn broer wel als afzender is vermeld, maar dat hij vermoedt dat zijn neef op het postkantoor de naam van zijn broer heeft gebruikt, mogelijk om verzoeker ter geruststelling te laten denken dat hij veilig is, bevreemdt de voorzieningenrechter ook. Daar komt nog bij dat niet valt in te zien waarom de moeder van verzoeker, die naar zeggen van verzoeker de foto’s al medio 2009 in haar bezit heeft gekregen en wraak wilde nemen op de oom van verzoeker die haar en haar kinderen zo slecht behandelden, tot 1 maart 2011 heeft gewacht met het openbaar maken van die foto’s. Dat de moeder van verzoeker hiermee heeft gewacht totdat verzoeker veilig in het buitenland zat, geeft nog immer geen plausibele verklaring voor dit tijdsverloop. Bovendien valt niet in te zien waarom verzoekers neef [zoon 1], nadat verzoeker was verdwenen, niet eerder verhaal is gaan halen bij de moeder van verzoeker als hij tot de ontdekking zou zijn gekomen dat de compromitterende foto’s waren ontvreemd. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tevens tot het oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn moeder is overleden en dat hij thans wees is. Daar komt nog bij dat verzoeker met die stelling voorbijziet aan het feit dat hij nog twee broers en twee zussen heeft.

12. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de door verzoeker gestelde bekering tot het christendom evenmin is te beschouwen als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. In de eerste plaats heeft verzoeker geen document overgelegd waaruit blijkt dat hij zich heeft bekeerd. In de tweede plaats heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt waarom hij niet al in de vorige procedure heeft verklaard dat hij op kamp Bijbellessen volgde. Voorts komt uit de verklaringen van verzoeker niet naar voren dat hij zich heeft bekeerd vanwege een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Verzoeker vertelt – behalve dat hij naar een kamp ging, Bijbellessen volgde en met een mevrouw sprak – niets over hoe zijn interesse in het christendom is aangewakkerd. Evenmin wordt duidelijk gemaakt hoe dit innerlijk proces tot bekering is verlopen en wanneer en hoe hij daadwerkelijk is bekeerd. Verzoeker heeft evenmin verduidelijkt hoe de (gestelde) bekering zijn leven heeft veranderd en hoe hij hieraan, ook indien aangenomen zou moeten worden dat hij naar Afghanistan dient terug te keren, uiting wil geven. Hierbij wordt tevens acht geslagen op het feit dat zijn naaste omgeving, te weten zijn pleegouders, kennelijk niet op de hoogte zijn van de bekering. Tekenend acht de voorzieningenrechter ook dat verzoeker in zijn brief van 24 februari 2012, waarin hij uitlegt waarom hij opnieuw asiel wil aanvragen, geen melding maakt van zijn bekering. Indien sprake zou zijn van een diepgewortelde verandering in de overtuiging van verzoeker, had het in de rede gelegen dat hij daar toen al melding van had gemaakt. De voorzieningenrechter acht de bekering tot het christendom dan ook niet geloofwaardig. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat verzoekers kennis over het christendom zeer beperkt is. Zo weet verzoeker geen enkele christelijke feestdag te noemen, weet hij niet hoe Jezus is gestorven en weet hij geen favoriet Bijbelverhaal te noemen. Het ingebrachte faxbericht van mevrouw[...] van 25 april 2012, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Hieruit kan enkel worden opgemaakt dat verzoeker geïnteresseerd is in het christelijk geloof, maar niet dat zich bij hem al een innerlijk proces tot bekering heeft voltrokken. Zo schrijft mevrouw [...] dat het verhaal wat betreft het christelijk geloof nog in de kinderschoenen staat.

13. Verzoeker, die behoort tot de Hazara bevolkingsgroep, heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen, en de provincie Ghazni in het bijzonder, sinds het besluit uit de vorige procedure zodanig is verslechterd dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat thans wel sprake is van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 bedoelde uitzonderlijke situatie. Uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2011 over Afghanistan, waarnaar verzoeker heeft verwezen, blijkt weliswaar dat het in de verslagperiode veel onrustiger is geworden in de provincie Ghazni, maar ook dat dit niet geldt in de districten waar Hazara wonen. Voorts kan ook uit het arrest van het EHRM van 13 oktober 2011 inzake Husseini tegen Zweden, nr. 10611/09, en de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2011, LJN: BU5013, worden opgemaakt dat in Afghanistan geen sprake is van ‘the most extreme cases of general violence’. Daarnaast biedt het ambtsbericht van augustus 2011 geen grond voor het oordeel dat Hazara in Afghanistan, dan wel de provincie Ghazni, dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen. Dat in voornoemd rapport van Maley staat vermeld dat geen enkel deel van Ghazni als veilig kan worden beschouwd voor Hazara, dat het onrealistisch is om aan te nemen dat Hazara bescherming kunnen krijgen en dat het voor Hazara extreem gevaarlijk blijft om te reizen, maakt evenmin dat de Hazara bevolkingsgroep een groep vormt die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in zaak nr. 1984/04, Salah Sheekh tegen Nederland, JV 2007/30. Daartoe wordt tevens overwogen dat uit het ambtsbericht van augustus 2011 blijkt dat geen enkele provincie in Afghanistan volstrekt is gevrijwaard van veiligheidsincidenten. Iedereen in Afghanistan, dus niet alleen een lid van de Hazara bevolkingsgroep, kan dus een zeker risico lopen om slachtoffer te worden van onmenselijke behandeling. Zo staat op pagina 62 van het ambtsbericht vermeld dat elke Afghaan het risico kan lopen door elke andere Afghaan te worden bedreigd, mishandeld of vermoord wegens ras, sekse, religie of gedrag, ongeacht tot welke bevolkingsgroep hij/zij behoort of waar hij/zij zich ook bevindt. Ook met het feit dat de Afghaanse autoriteiten niet of nauwelijks in staat zijn bescherming te bieden, kan in principe iedereen in Afghanistan te maken krijgen. Dit geldt derhalve niet specifiek voor Hazara. Voorts blijkt uit pagina 75 van het ambtsbericht dat het risico van vervoer over de weg voor iedere Afghaanse burger is toegenomen vanwege criminaliteit, activiteiten van de Opposing Militant Forces (OMF) en door een toename in het aantal bermbommen dat door OMF op wegen wordt geplaatst. De situatie van de Hazara, zoals Maley die beschrijft, verschilt derhalve niet (wezenlijk) van het beeld dat uit het ambtsbericht van augustus 2011 naar voren komt. Zo zijn de bevindingen van de ICG die door Maley worden genoemd, betrokken bij de totstandkoming van dit ambtsbericht. Volledigheidshalve verwijst de voorzieningenrechter tevens naar hetgeen terzake is overwogen in de uitspraken van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 10 april 2012, AWB 11/25515, en nevenzittingsplaats Zwolle van 11 mei 2012, AWB 12/13062 en 12/13059. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om, zoals door verzoeker is verzocht, verweerder op te dragen het rapport van Maley voor te leggen aan de minister van Buitenlandse Zaken.

14. Nu verder niet is gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, gaat de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar het eerdere besluit van 8 juni 2010, niet over tot inhoudelijke beoordeling van het thans bestreden besluit van 26 april 2012. Gelet hierop zal het beroep ongegrond worden verklaard. Hierdoor bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en zal dit verzoek worden afgewezen.

15. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover hierbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: