Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8714

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/15346, 12/15351, 12/15345, 12/15350, 12/15349 en 12/15354
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011, LJN: BP9281, wordt overwogen dat de besluiten uit de eerders asielprocedure zijn aan te merken als terugkeerbesluiten (tkb). Verzoekers hebben evenwel door het doen van de herhaalde aanvragen weer rechtmatig verblijf gekregen in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden de thans bestreden besluiten tevens als nieuwe tkb’s aangemerkt. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2012, LJN: BW3971.

Terecht is aan verzoekers slechts een vertrektermijn gegund van nul dagen, omdat het risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zullen onttrekken. Verzoekers hebben immers niet bestreden dat in hun geval sprake is van de omstandigheden als genoemd in artikel 5.1b, eerste lid onder f, g en i, van het Vb 2000. Die omstandigheden komen erop neer dat zij in verband met hun aanvraag onjuiste of tegenstrijdige gegevens hebben verstrekt met betrekking tot hun identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat, dat zij zich zonder noodzaak hebben ontdaan van hun reis- of identiteitsdocumenten en dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats hebben.

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 diende verweerder dan ook een inreisverbod uit te vaardigen. Tegen deze inreisverboden staat het rechtsmiddel van beroep open, nu zij gepaard gaan met de tkb’s van 8 mei 2012, zijnde meeromvattende beschikkingen als bedoeld in artikel 45 van de Vw 2000, waar eveneens beroep tegen openstaat. In dat verband zij nog overwogen dat verzoekers geen afzonderlijk beroep hadden hoeven in te stellen tegen het inreisverbod, nu dit een besluitonderdeel vormt van genoemde besluiten van 8 mei 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers:

AWB 12/15346 en AWB 12/15351 (voorlopige voorzieningen)

AWB 12/15345, AWB 12/15350, AWB 12/15349 en AWB 12/15354 (beroepen)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2012

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1984,

verzoeker, en

[verzoekster],

geboren op [datum] 1984, verzoekster,

beiden van (gestelde) Somalische nationaliteit,

hierna tezamen te nomen: verzoekers,

gemachtigde mr. A. Kurt-Ge?oglu,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Bril.

<b>Procesverloop</b>

Bij afzonderlijke besluiten van 8 mei 2012, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) afgewezen. Daarbij is tevens aan verzoekers een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Verzoekers hebben op 9 mei 2012 afzonderlijk beroep ingesteld tegen voormelde besluiten, voor zover deze besluiten een afwijzing van hun asielaanvragen en een inreisverbod betreffen. De beroepschriften gericht tegen de afwijzing van de herhaalde aanvragen zijn geregistreerd onder zaaknummers AWB 12/15345 en AWB 12/15350. De beroepschriften gericht tegen het opgelegde inreisverbod zijn geregistreerd onder zaaknummers AWB 12/15349 en AWB 12/15354. Voorts hebben verzoekers op 9 mei 2012 de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze verzoekschriften zijn geregistreerd onder zaaknummers AWB 12/15346 en AWB 12/15351.

De verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 29 mei 2012, waar verzoekers noch hun gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van deze rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaken (de beroepen).

<i>Eerdere asielprocedure verzoekster</i>

4. De voorzieningenrechter stelt ambtshalve vast dat verzoekster eerder, te weten op 3 maart 2008, een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan. Ter onderbouwing van die aanvragen heeft verzoekster - samengevat weergegeven – aangevoerd dat zij afkomstig is uit [plaats A] en dat zij behoort tot de Tumal clan. In 2007 is haar moeder overleden, waardoor verzoekster genoodzaakt was om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Verzoekster heeft toen voor een gezin gewerkt, dat tot de Abgal clan behoorde. Bij hen werd verzoekster een maand lang opgesloten en gedwongen zonder vergoeding te werken. Verzoekster kreeg vanwege haar afkomst geen loon uitbetaald. Verzoekster is in deze periode verkracht door één van de zonen van het gezin. Zij heeft uiteindelijk weten te ontsnappen en heeft Somalië, mede door de verslechterende veiligheidssituatie, verlaten.

5. Verweerder heeft de asielaanvraag van verzoekster afgewezen bij besluit van 7 juli 2009. In dit besluit heeft verweerder aan verzoekster tegengeworpen dat zij toerekenbaar geen identiteits- en reisdocumenten heeft overgelegd en dat zij ook geen concrete, coherente en verifieerbare verklaringen over haar reis heeft afgelegd. Volgens verweerder mist het asielrelaas voorts positieve overtuigingskracht, nu verzoekster heeft verklaard dat zij uit het zuidelijk deel van Somalië afkomstig is, terwijl uit het rapport taalanalyse van het Bureau Land en Taal (hierna: BLT) van 10 april 2009 blijkt dat zij eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Zuid-Somalië. Gelet hierop heeft verweerder ongeloofwaardig geacht dat verzoekster afkomstig is uit Zuid-Somalië en heeft verweerder om die reden tevens het asielrelaas ongeloofwaardig geacht.

6. Verzoekster heeft op 31 juli 2009 beroep ingesteld tegen voormeld besluit. Dit beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem van 16 april 2010, AWB 09/27745, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij – kort gezegd – geoordeeld dat verweerder in redelijkheid het ontbreken van reisdocumenten aan verzoekster heeft kunnen tegenwerpen, nu niet is gebleken dat zij haar documenten onder dwang aan de reisagent heeft moeten afstaan. Door enkel kritische kanttekeningen bij het BLT-rapport van 10 april 2010 te plaatsen, heeft verzoekster verder geen concrete aanknopingspunten aangereikt die kunnen leiden tot twijfel aan de conclusies van dit rapport. De rechtbank heeft op deze gronden geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van verzoekster ongeloofwaardig is, nu zij haar verklaringen over haar identiteit en etnische afkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit oordeel staat thans in rechte vast.

<i>Eerdere asielprocedure verzoeker </i>

7. Ook verzoeker heeft eerder, te weten op 20 mei 2008, een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft hij aangevoerd dat hij afkomstig is uit [plaats B] en dat hij tot de minderheidsclan van de Jaaji behoort. Zijn vader is vanaf 2004 afgeperst door gewapende bandieten die behoorden de Abgal clan. In 2004 is de broer van verzoeker vermoord door de bandieten. In 2005 eisten de bandieten de eigendomspapieren van het huis van de ouders van verzoeker. De ouders van verzoeker besloten het huis te verkopen. De vader van verzoeker is in februari 2006 doodgeschoten door de bandieten toen zij erachter kwamen dat het huis te koop stond. Ook na de dood van de vader van verzoeker zijn de bandieten minstens vier keer teruggekomen voor de eigendomspapieren. In maart 2007 is het de moeder en oom van verzoeker gelukt om de woning te verkopen en kon hij van dat geld in februari 2008 Somalië verlaten.

8. Verweerder heeft de asielaanvraag van verzoeker afgewezen bij besluit van 14 april 2009. In dit besluit heeft verweerder aan verzoeker tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen reis- en identiteitspapieren heeft overgelegd. Voorts heeft verweerder het relaas van verzoeker niet geloofwaardig geacht, omdat verweerder de verklaringen van verzoeker over zijn herkomst en levensloop niet aannemelijk heeft geacht. Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat naar aanleiding van het eerste gehoor van 20 mei 2008 twijfel was gerezen over de identiteit/herkomst en nationaliteit van verzoeker. Volgens verweerder heeft verzoeker deze twijfel met zijn antwoorden op de vragen die tijdens het gehoor over zijn gestelde woonomgeving en afkomst zijn gesteld, niet kunnen wegnemen. Vervolgens heeft verweerder verzoeker in staat gesteld zijn herkomst aannemelijk te maken door middel van een taalanalyse. Het rapport taalanalyse van het BLT van 30 juli 2008 heeft uitgewezen dat verzoeker eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Zuid-Somalië. Uit de taalanalyse blijkt weliswaar dat hij Somalisch spreekt, maar niet op een wijze zoals dat gangbaar is in Zuid-Somalië. Voorts komt uit het rapport van 30 juli 2008 naar voren dat verzoeker niet in staat is om zijn gestelde herkomstgebied uitgebreid en gedetailleerd te beschrijven, dat verzoeker Somalisch spreekt zoals dat gangbaar is in Noord-Somalië en dat hij moeite doet om Zuid-Somalische elementen in zijn spraak te mengen.

9. Verzoeker heeft op 14 april 2009 beroep ingesteld tegen voormeld besluit en heeft tevens op die datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 8 september 2010, AWB 09/16562 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort gezegd – overwogen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker toerekenbaar geen reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd, nu niet is gebleken dat hij zijn paspoort en de gebruikte vliegtickets onder dwang aan de reisagent heeft afgestaan. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zich, gelet op het relaas van verzoeker in combinatie met de uitkomst van de taalanalyse, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen positieve overtuigingskracht van het asielrelaas uitgaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker geen geslaagd beroep kunnen doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, nu er gegronde twijfels zijn over de door hem gestelde identiteit en plaats van herkomst. Hierbij heeft de rechtbank nog overwogen dat in ieder geval niet is onderbouwd dat in Noord-Somalië, waar verzoeker mogelijk vandaan komt, van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in voormelde bepaling kan worden gesproken.

10. Verzoeker heeft op 8 september 2010 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 april 2009. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 april 2011, 201009602/1/V2, is dit hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en is de aangevallen uitspraak bevestigd.

<i>De beoordeling van de beroepen met zaaknummers AWB 12/15345 en AWB 12/15350 naar aanleiding van de opvolgende asielaanvragen van verzoekers</i>

11. Verzoekers hebben op 27 april 2012 andermaal een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gedaan.

12. Verzoekster heeft ter onderbouwing van deze tweede asielaanvraag aangevoerd dat zij op 31 mei 2010 in het huwelijk is getreden met verzoeker in een moskee te Rotterdam. In Ter Apel heeft zij een feestje gehouden dat alleen toegankelijk was voor vrouwen. Verzoekster geeft verder aan dat zij ziek is. Volgens verzoekster is er een stukje vlees in haar baarmoeder gegroeid. Dit is in februari 2012 operatief verwijderd. Verzoekster heeft een brief van Gezondheidscentrum Asielzoekers Venlo (hierna: het GCA) van 27 december 2011 overgelegd. Hieruit blijkt dat zij op 6 februari 2012 een afspraak heeft gehad op het ziekenhuis te Venlo. Voorts heeft verzoekster naar voren gebracht dat ze op straat is gezet terwijl zij nog ziek was. Ze is naar VluchtelingenWerk Tilburg gegaan en heeft daar tevergeefs gevraagd of men haar onderdak kon geven. Verzoekster kreeg te horen dat ze naar de apotheek kon gaan als ze medicijnen nodig had. Ze heeft van de huisarts een recept gekregen toen zij na haar operatie een blaasontsteking had. Verzoekster heeft twee brieven van VluchtelingenWerk van 1 en 26 maart 2012, een handgeschreven briefje van de huisarts van 8 maart 2012 en een afsprakenkaart van VieCuri overgelegd. Bij de zienswijze heeft verzoekster verder onder meer haar complete patiëntdossier, een specialistenbrief van 2 december 2011 en een brief van het GCA van 1 november 2011 ingebracht. Verzoekster meent dat haar medische klachten in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) onderzocht moeten worden.

13. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn opvolgende aanvraag aangevoerd dat hij eind mei 2010 traditioneel is gehuwd met verzoekster. Verzoeker geeft verder aan dat hij de taal van zijn moeder spreekt. Zijn moeder is geboren en [plaats B] en niet in [plaats C]. Volgens verzoeker ligt [plaats C] in het noorden van Somalië. Zijn moeder heeft vier of vijf jaar lang in [plaats C] verbleven om kleren te verkopen. Verzoeker acht het mogelijk dat daarmee haar taalgebruik en accent, en daarmee ook dat van hem, veranderd zou kunnen zijn. Verzoeker stelt dat hij in de vorige procedure niet in de gelegenheid is geweest of gesteld om deze informatie naar voren te brengen. Verzoeker geeft daarnaast aan dat hij problemen met zijn gezondheid heeft gehad. Hij heeft in 2010 klachten gehad aan de rechterkant van zijn maag. Het bleek uiteindelijk een kou te zijn.

14. Verweerder heeft de opvolgende aanvragen van verzoekers afgewezen bij afzonderlijke besluiten van 8 mei 2012. De voorzieningenrechter overweegt dat deze besluiten en de besluiten van 7 juli 2009 en 14 april 2009, waarbij de eerdere asielaanvragen van verzoeker en verzoekster zijn afgewezen, van gelijke strekking zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen, zoals naar voren komt uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland, LJN: AG8817.

15. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren gebracht. In de vorige procedure zijn de identiteit en herkomst van verzoekster en daarmee ook haar gestelde problemen ongeloofwaardig bevonden bij besluit van 7 juli 2009. Verzoekster heeft in deze procedure haar identiteit, waaronder begrepen haar plaats van herkomst, en daarmee haar eerdere asielrelaas evenmin aannemelijk gemaakt. Verzoekster heeft hieromtrent immers niets aangevoerd. Al hierom is het gewijzigde beleid van verweerder, zoals neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 nr. 2011/13 (hierna: WBV 2011/13), voor verzoekster niet rechtens relevant. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter met betrekking tot de overgelegde medische stukken dat als gevolg van vasts jurisprudentie van het EHRM uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden vanwege dringende redenen van humanitaire aard, bij gebreke aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land van herkomst waarnaar wordt uitgezet, leiden tot toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vanwege het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan volgens die jurisprudentie slechts sprake zijn als de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Zelfs indien al aangenomen zou worden dat verzoekster de Somalische nationaliteit bezit en haar relaas derhalve aan artikel 3 van het EVRM kan worden getoetst, kunnen de door haar overgelegde stukken op voorhand niet leiden tot een geslaagd beroep op voormelde bepaling. Immers, uit die stukken komt niet naar voren dat zij thans nog onder (voortdurende) medische behandeling staat. Evenmin kan uit die stukken worden opgemaakt dat verzoekster aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium lijdt. De voorzieningenrechter overweegt daarnaast dat de vraag of verweerder in de algemene asielprocedure aan artikel 64 van de Vw 2000 had behoren te toetsen, zoals door verzoekster is gesteld, buiten het hiervoor weergegeven beoordelingskader van de bestuursrechter valt.

16. Nu ten aanzien van verzoekster evenmin is gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, gaat de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar het eerder besluit van 7 juli 2009, niet over tot het thans bestreden besluit van 8 mei 2012.

17. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat ook verzoeker geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe wordt overwogen dat in de vorige procedure op grond van een taalanalyse rechtens is komen vast te staan dat verzoeker eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Zuid-Somalië. Verzoeker heeft de conclusies van de taalanalyse van 30 juli 2008 in deze en in de vorige procedure niet met een contra-expertise weerlegt. De veronderstelling van verzoeker dat hij de spraak en het accent van zijn moeder onder de door hem aangevoerde omstandigheden heeft overgenomen, vormt geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de conclusie van die taalanalyse. Bovendien heeft verzoeker deze verklaring niet onderbouwd en had verzoeker hiervan al in de vorige procedure melding kunnen en moeten maken. Het is immers aan verzoeker om al datgene naar voren te brengen wat voor de beoordeling van zijn asielaanvraag van belang is. Niet valt in te zien waarom verzoeker na confrontatie met de taalanalyse geen melding heeft gemaakt van het vorenstaande. Daarnaast heeft verzoeker thans niet verduidelijkt hoe oud hij was toen zijn moeder in [plaats C] zou hebben verbleven en waarom zij helemaal naar het noorden van Somalië is gegaan om de kleren van verzoekers vader te verkopen, terwijl deze een winkel zou hebben gehad in [plaats B]. Evenmin wordt duidelijk of verzoeker in die tijd met zijn moeder is meegegaan en toen onder haar invloed stond. De gestelde herkomst van verzoeker blijft daarom ongeloofwaardig. Daarom is WBV 2011/13 ook voor verzoeker niet rechtens relevant.

18. Nu ook ten aanzien van verzoeker niet is gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, gaat de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar het eerdere besluiten van 14 april 2009, niet over tot inhoudelijke beoordeling van het door hem bestreden besluit van 8 mei 2012.

19. Gelet op het vorenstaande zullen de beroepen met zaaknummers AWB 12/15345 en AWB 12/15350, ongegrond worden verklaard.

<i>De beoordeling van de beroepen met zaaknummers AWB 12/15349 en AWB 12/15354 gericht tegen de aan verzoekers opgelegde inreisverboden voor de duur van twee jaar </i>

20. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011, LJN: BP9281, overweegt de voorzieningenrechter dat de besluiten uit de eerdere asielprocedure, die als meeromvattende beschikkingen als bedoeld in artikel 45 van de Vw 2000 gelden, zijn te beschouwen als terugkeerbesluiten. Verzoekers hebben evenwel door het doen van de onderhavige aanvragen weer rechtmatig verblijf gekregen zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Gelet hierop heeft verweerder dan ook terecht en op goede gronden de thans bestreden besluiten van 8 mei 2012 tevens als nieuwe terugkeerbesluiten aangemerkt. De voorzieningenrechter ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2012, LJN: BW3971.

21. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, eveneens terecht en op goede gronden aan verzoekers slechts een vertrektermijn van nul dagen heeft gegund, omdat het risico bestaat dat verzoekers zich aan het toezicht zullen onttrekken. Verzoekers hebben immers niet bestreden dat in hun geval sprake is van de omstandigheden als genoemd in artikel 5.1b, eerste lid en onder f, g en i, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000). Die omstandigheden komen erop neer dat verzoekers in verband met hun aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens hebben verstrekt met betrekking tot hun identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat, dat zij zich zonder noodzaak hebben ontdaan van hun reis- of identiteitsdocumenten en dat zij geen vaste woon- of verblijfsplaats hebben.

22. Gelet op het vorenstaande en het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 diende verweerder dan ook tegen verzoekers een inreisverbod uit te vaardigen. Tegen deze uitgevaardigde inreisverboden staat het rechtsmiddel van beroep open, nu zij gepaard gaan met de terugkeerbesluiten van 8 mei 2012, zijnde meeromvattende beschikkingen als bedoeld in artikel 45 van de Vw 2000, waar eveneens beroep tegen openstaat. In dat verband zij nog overwogen dat verzoekers geen afzonderlijk beroep hadden hoeven in te stellen tegen het inreisverbod, nu dit een besluitonderdeel vormt van genoemde besluiten van 8 mei 2012. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder in de door verzoekster aangevoerde medische omstandigheden geen aanleiding hoefde te zien om haar geen inreisverbod op te leggen. Dit betekent tevens, zoals ook door verweerder is aangegeven, dat in het geval van verzoekers geen sprake is van een inmenging op het recht op eerbiediging van het gezins- en familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verzoekers dienen namelijk beiden te vertrekken.

23. De voorzieningenrechters is dan ook van oordeel dat de beroepen gericht tegen het inreisverbod eveneens ongegrond zijn. Hierdoor bestaat tevens geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening en zullen deze verzoeken worden afgewezen.

24. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover hierbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: