Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8700

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/24194
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: intrekking verblijfsvergunning, onjuiste gegevens, bewijslast

Samenvatting:

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast bij besluiten als de onderhavige bij verweerder berust. Verweerder heeft miskend dat het op de weg van verweerder ligt om te onderbouwen dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband en heeft ten onrechte aangenomen dat het op de weg van eiser ligt om het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de door eiser overgelegde stukken en zijn verklaringen, niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband tussen de ex-partner en het schoonmaakbedrijf. Zo staat vast dat door het schoonmaakbedrijf periodiek (loon)betalingen aan de ex-partner van eiser zijn gedaan. De door eiser ingediende stukken hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn om zelf onderzoek te doen bij (met name) het schoonmaakbedrijf, aangezien deze stukken de indruk wekken dat sprake is geweest van een reëel dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 11/24194

Datum uitspraak: 20 april 2012

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Marokkaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. L. Louwerse,

tegen

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Eiser is van 13 februari 2007 tot 13 februari 2008 in het bezit geweest van een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij partner, [ex-partner]’. Deze verblijfsvergunning is verlengd van 13 februari 2008 tot 13 februari 2013. Vervolgens is bij besluit van 6 mei 2010 aan eiser een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “voortgezet verblijf” verleend geldig van 23 april 2010 tot 23 april 2015.

Bij besluit van 17 februari 2011 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij partner, [ex-partner]’ ingetrokken met terugwerkende kracht met ingang van 13 februari 2007. Voorts is ook de aan eiser verleende verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ ingetrokken met terugwerkende kracht met ingang van 23 april 2010.

Daartegen heeft eiser bij brief van 21 februari 2011 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 juli 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 25 juli 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 19 januari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.M.W. Jans.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Bij besluit van 17 februari 2011 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij partner, [ex-partner]’ ingetrokken met terugwerkende kracht met ingang van 13 februari 2007. Voorts is ook de aan eiser verleende verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ ingetrokken met terugwerkende kracht met ingang van 23 april 2010. De vergunningen zijn ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van informatie dan wel valsheid in geschrifte c.q. fraude bij het mvv-advies verzoek en bij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Verweerder heeft de in bezwaar gehandhaafde beslissing tot intrekking van de verblijfsvergunning van eiser gebaseerd op grond van de verklaring van de voormalige partner van eiser, [ex-partner], waaruit blijkt dat zij nimmer werkzaamheden heeft verricht bij of voor [het schoonmaak[het schoonmaakbedrijf]jf] te [plaats] (hierna: [het schoonmaakbedrijf]). Vaststaat derhalve dat sprake is van een gefingeerd dienstverband teneinde te doen voorkomen dat aan het middelenvereiste werd voldaan. Was dit bekend bij het indienen van de aanvraag voor de machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) en de verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf bij partner’, dan was noch de mvv noch de verblijfsvergunning verleend. Hierdoor zou ook niet meer voldaan worden aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Hetgeen namens eiser is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts is er geen sprake van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

3. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Eiser bestrijdt dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband tussen zijn voormalige partner [ex-partner] en [het schoonmaakbedrijf]. Met diverse stukken meent eiser aannemelijk te hebben gemaakt dat wel sprake was van een dienstverband. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte nagelaten onderzoek te verrichten bij [het schoonmaakbedrijf] en heeft evenmin voldoende gemotiveerd waarom de uitlatingen van [ex-partner] afdoende zijn om een gefingeerd dienstverband aan te nemen.

De verblijfsvergunningen van eiser zijn daarom ten onrechte ingetrokken.

Naar de mening van eiser is er voorts strijd met het verbod van reformatio in peius.

Eiser stelt zich ten slotte op het standpunt dat er sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM gelet op zijn minderjarige kind met [ex-partner].

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 19 van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b.

6. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

7. In de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepaling vastgesteld. In paragraaf B1/5.3.3 van de Vc 2000 is onder meer bepaald dat onder het verstrekken van onjuiste gegevens ook wordt begrepen het achterhouden van essentiële (juiste) gegevens. (…) Indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, en er nog geen periode van twaalf jaar of langer is verstreken, wordt de ten onrechte verleende verblijfsvergunning ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Voorwaarde is uiteraard dat het verstrekken van de onjuiste gegevens, of het achterhouden van de juiste gegevens er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd of gewijzigd. (…) Niet van belang is of het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens opzettelijk is gebeurd. Het gaat er om dat de onjuiste situatie wordt gecorrigeerd. Bepalend is immers of de verblijfsvergunning bij bekendheid met de juiste gegevens zou zijn verleend, verlengd of gewijzigd. Het is niet van belang of de onjuiste gegevens zijn verstrekt of de juiste gegevens zijn achtergehouden door de vreemdeling zelf of andere belanghebbenden.

8. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast bij besluiten als de onderhavige bij verweerder berust.

9. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder, nadat op 6 mei 2010 een nieuwe verblijfsvergunning aan eiser was verstrekt, in september 2010 een brief van [ex-partner], gedateerd 8 september 2010, heeft ontvangen. Op basis van die brief heeft verweerder een voornemen uitgebracht, ertoe strekkende dat de verlengde verblijfsvergunning met de beperking verblijf bij partner en de verblijfsvergunning met de beperking voortgezet verblijf worden ingetrokken vanwege de omstandigheid dat eiser en [ex-partner] sinds april 2009 niet meer zouden samenwonen. Nadat eiser hiertegen een zienswijze had ingediend, waarin de verbreking van de samenwoning per genoemde datum gemotiveerd werd betwist, heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met [ex-partner] en haar met die ontkenning geconfronteerd.

10. Vervolgens heeft [ex-partner] op 13 december 2010 een uitgebreide brief naar verweerder gestuurd, waarin zij voor het eerst meldt dat haar dienstverband met [het schoonmaakbedrijf] (door toedoen van eiser en zijn broer [naam broer]) gefingeerd zou zijn. [ex-partner] stelt bij het tekenen van stukken in de veronderstelling te zijn geweest dat zij op zaterdag bij een makelaarskantoor zou gaan werken. Zij verklaart nimmer bij dit kantoor of bij [het schoonmaakbedrijf] te hebben gewerkt, maar wel maandelijks € 175,- van [het schoonmaakbedrijf] op haar bankrekening te hebben ontvangen. Deze maandelijkse betalingen liepen volgens bijgevoegde bankafschriften tot 7 mei 2007. [ex-partner] stelt deze bedragen steeds na ontvangst per pin te hebben opgenomen en overhandigd aan [naam broer].

Op basis van deze verklaring heeft verweerder een voornemen uitgebracht tot intrekking van de verblijfsvergunningen van eiser. Namens eiser is vervolgens een zienswijze, met diverse bijlagen, ingediend. Daarna heeft verweerder de in overweging 2 genoemde besluiten genomen.

11. De rechtbank stelt vast dat met ingang van 1 november 2006 tussen [het schoonmaakbedrijf] en [ex-partner] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Deze overeenkomst is op 31 oktober 2006 opgemaakt en is ondertekend door [ex-partner] als werkneemster. In deze overeenkomst is onder meer opgenomen dat de werkneemster in dienst treedt in de functie van schoonmaakmedewerkster en dat zij gemiddeld 30 uur per maand zal werken. Op beide pagina’s van de overeenkomst staat de naam [het schoonmaakbedrijf] duidelijk vermeld. [ex-partner] heeft verklaard dat zij deze overeenkomst destijds heeft ondertekend. De overeenkomst is reeds in november 2006 naar verweerder gestuurd met het oog op de aanvraag van een verblijfsvergunning voor eiser.

12. In november 2006 zijn voorts een loonberekening (netto € 175,- per maand) en een werkgeversverklaring van [het schoonmaakbedrijf] gedateerd 31 oktober 2006 verzonden.

13. In oktober 2007 zijn namens eiser nadere stukken naar verweerder verzonden, ten behoeve van de verlenging van de verblijfsvergunning. Dit betreft onder meer loonberekeningen van [het schoonmaakbedrijf] over de maanden november 2006 tot en met mei 2007.

Verder is een voorlopige aanslag van de belastingdienst over 2006 ten behoeve van [ex-partner] overgelegd. Het verzamelinkomen over dat jaar (€ 17.943) bestaat volgens een eveneens overgelegde Toelichting op het inkomen over dat jaar onder meer uit inkomsten van [het schoonmaakbedrijf].

14. [ex-partner] heeft als bijlage bij haar brief van 13 december 2010 een overzicht van haar betaalrekening bij ING gevoegd, waaruit blijkt dat vanaf 11 december 2006 tot en met 7 mei 2007 maandelijks een bedrag van € 175,- is overgemaakt door [het schoonmaakbedrijf], steeds met als omschrijving salaris.

15. In de zienswijze van 14 februari 2011 is namens eiser aangegeven dat navraag is gedaan bij [het schoonmaakbedrijf] inzake het dienstverband van [ex-partner]. Bijgevoegd is een brief van [het schoonmaakbedrijf] gedateerd 10 februari 2011, waarin het dienstverband wordt bevestigd. Verder is aangegeven dat uit de administratie kon worden getraceerd hoeveel [ex-partner] destijds heeft verdiend. Bij de zienswijze is voorts een Loonbelastingverklaring van

1 november 2006 gevoegd, ondertekend door [ex-partner] en voorzien van een stempel van [het schoonmaakbedrijf].

16. Het standpunt van verweerder dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband tussen [ex-partner] en [het schoonmaakbedrijf] is in overwegende mate gebaseerd op de uitlatingen die [ex-partner] heeft gedaan, in het bijzonder de brief van

13 december 2010. In het besluit van 17 februari 2011 heeft verweerder gewezen op een proces-verbaal van 8 februari 2011 van de Vreemdelingenpolitie Utrecht. Volgens dat proces-verbaal heeft de verbalisant op verzoek van de IND gesproken met [ex-partner]. Verder is in het proces-verbaal aangegeven dat [ex-partner] desgevraagd heeft gesteld dat zij voor de volle 100% achter de inhoud van haar brief van 13 december 2010 staat. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de door de gemachtigde van eiser opgestuurde stukken, waaronder de brief van [het schoonmaakbedrijf] van 10 februari 2011, niet is gebleken dat [ex-partner] feitelijk wel arbeid heeft verricht bij [het schoonmaakbedrijf]. Ook stelt verweerder dat de gemachtigde geen stukken heeft opgestuurd waaruit blijkt dat minder of geen waarde moet worden gehecht aan de verklaring van [ex-partner]. Verweerder ziet geen reden om te twijfelen aan haar verklaringen en evenmin om nader onderzoek te doen naar het arbeidscontract bij [het schoonmaakbedrijf].

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op hetgeen hierboven onder 8 tot en met 15 is overwogen, niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband tussen [ex-partner] en [het schoonmaakbedrijf]. De in de overwegingen 11 tot en met 15 genoemde stukken hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn om zelf onderzoek te doen bij (met name) [het schoonmaakbedrijf], aangezien deze stukken de indruk wekken dat sprake is geweest van een reëel dienstverband.

Verweerder heeft miskend dat het op de weg van verweerder ligt om te onderbouwen dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband en heeft ten onrechte aangenomen dat het op de weg van eiser ligt om het tegendeel aannemelijk te maken.

Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom aan het proces-verbaal van 8 februari 2011 veel waarde zou moeten worden gehecht, nu geen sprake is van een aangifte door [ex-partner] en het betreffende gesprek op verzoek van de IND heeft plaatsgevonden. Uit dit proces-verbaal kan, anders dan in het besluit van 17 februari 2011 is gesteld, niet worden afgeleid dat [ex-partner] ten overstaan van de verbalisant heeft verklaard dat zij nimmer bij of voor [het schoonmaakbedrijf] heeft gewerkt. De rechtbank begrijpt de betreffende alinea uit dat proces-verbaal als een weergave van de inhoud van de brief van 13 december 2010.

De rechtbank deelt verder het standpunt van eiser dat geenszins aannemelijk is geworden dat [ex-partner] maandelijks het gestorte loon per pin opnam om dit vervolgens aan de broer van eiser te overhandigen, opdat deze het aan [het schoonmaakbedrijf] terug zou kunnen geven. Uit het betreffende overzicht blijkt immers slecht dat de bedragen per pin zijn opgenomen.

Ook kan de rechtbank, gelet op hetgeen onder 11 is overwogen, niet inzien waarom verweerder [ex-partner] is gevolgd in haar mededeling dat zij destijds in de veronderstelling verkeerde een arbeidsovereenkomst bij een makelaarskantoor te hebben getekend.

18. Derhalve is het beroep gegrond wegens schending het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Vanwege mogelijk nader onderzoek door verweerder leent deze zaak zich niet voor finale beslechting van het geschil.

19. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Verweerder dient voorts het betaalde griffierecht te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 21 juli 2011;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 874;

gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 152 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Vermeulen, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).