Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8692

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
09-994521-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, samen met anderen, meermalen schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Zij heeft een middel, dat niet is toegelaten op de Nederlandse en Europese markt, voorhanden gehad, in voorraad gehad en op de markt gebracht door dit middel te kopen en dit middel vervolgens te verkopen aan bedrijven in Nederland en Europa. Geldboete van € 200.000,00. Zie ook LJN BW8694.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer 09/994521-11

Datum uitspraak: 18 juni 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[X] B.V.,

gevestigd: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 juni 2012.

De verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door haar directeur [A], geboren op [datum] 1977 en wonende [adres], zijnde algemeen directeur van [B] B.V., welke rechtspersoon bestuurder is van verdachte, en bijgestaan door mr. L.P.A. Zwijnenberg, advocaat te 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.J.M de Rijck en van hetgeen door de raadsman van verdachte en haar vertegenwoordiger naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

(BN3 in 2008)

zij in de periode van januari tot en met december 2008 te Moordrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 6.400, althans 3.830 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacilllin

op de markt heeft gebracht en/of

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 9.807 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacilllin

voorhanden heeft gehad en/of in voorraad heeft gehad,

terwijl dat middel niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddel", "op de markt brengen" en "toelaten" worden gebruikt overeenkomstig hun betekenis in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

[artikelen 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en 1a van de Wet op de economische delicten];

art 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

2.

(BN3 in 2009)

zij in de periode van januari tot en met december 2009 te Moordrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 7.350, althans 4.880 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacilllin

op de markt heeft gebracht en/of

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 26.540 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacilllin

voorhanden heeft gehad en/of in voorraad heeft gehad,

terwijl dat middel niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddel", "op de markt brengen" en "toelaten" worden gebruikt overeenkomstig hun betekenis in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,

[artikelen 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en 1a van de Wet op de economische delicten];

art 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

3.

(BN3 in 2010)

zij in de periode van januari tot en met juli 2010 te Moordrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 3.580, althans 2.740 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacilllin

op de markt heeft gebracht en/of

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 21.460 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacilllin

voorhanden heeft gehad en/of in voorraad heeft gehad,

terwijl dat middel niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddel", "op de markt brengen" en "toelaten" worden gebruikt overeenkomstig hun betekenis in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

[artikelen 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en 1a van de Wet op de economische delicten];

art 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

In deze zaak gaat het om de import en het op de markt brengen van het middel BN3, ook wel bitoxybacillin genoemd. Dit middel wordt voornamelijk gebruikt bij consumptiegewassen en in de sierteelt onder glas, onder andere voor het bespuiten van rozen ter bestrijding van spint. Spint is een schadelijk zuiginsect en brengt schade toe aan het blad en de bloemen van sierteeltgewassen. Door spint aangetaste planten hebben geen waarde meer in het handelsverkeer.

In 2009 werden ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het (toenmalige) Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: AID) getipt over het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel, genaamd BN3, dat vermoedelijk niet op de Europese en de Nederlandse markt was toegelaten. Uit onderzoek van de AID bleek dat het middel BN3, of bitoxybacillin, niet bekend was bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna CTGB). De AID heeft naar aanleiding van een melding op 14 juli 2009 over het gebruik van het middel BN3 een nader onderzoek ingesteld. Daarbij is tijdens een administratieve controle bij het bedrijf [C]C.V. te [plaats] een inkoopfactuur aangetroffen inzake de levering van het middel BN3. Deze bevindingen hebben geleid tot een verdenking van het op de markt brengen van dat middel door [D]en diens onderneming [E]V.O.F. Uit het onderzoek is verder gebleken dat het bedrijf [F] B.V. dit middel heeft gekocht van Sibbiopharm Ltd., een bedrijf dat is gevestigd in Rusland. [F] B.V. verkocht het middel door aan [X] B.V., die het op haar beurt verkocht aan onder andere [E]V.O.F.

De door de rechtbank te beantwoorden vraag is in de eerste plaats of BN3/bitoxybacillin een gewasbeschermingsmiddel is in de zin van artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: WGB). Indien de rechtbank deze vraag bevestigend beantwoordt, staat ter beoordeling of dit middel is toegelaten op de Europese en Nederlandse markt en of sprake is van het op de markt brengen van dat middel, als bedoeld in de van toepassing zijnde regelgeving. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de rechtspersoon [X] B.V. zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB en, zo ja, of daarop ook het opzet was gericht.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB, gepleegd door een rechtspersoon. De officier van justitie stelt zich daarbij op het standpunt dat het middel BN3/bitoxybacillin aangemerkt kan worden als een gewasbeschermingsmiddel in de zin van artikel 1 van de WGB. Dit middel is niet toegelaten op de Europese en Nederlandse markt. Verdachte heeft handel gedreven in dit middel door het middel via [F] B.V. in te kopen en het middel vervolgens te verkopen aan bedrijven in Nederland en Europa. Door aldus te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB. De officier van justitie baseert zijn standpunt dat verdachte opzet heeft gehad op de ten laste gelegde gedragingen vooral op de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte inhoudende dat hij via het bedrijf [X] B.V. de gedragingen heeft verricht. De in- en verkoop van het middel is, zo heeft de officier van justitie betoogd, derhalve bewust gebeurd.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het middel BN3/bitoxybacillin slechts een plantversterkingsmiddel is en dat het middel niet kan worden aangemerkt als een gewasbeschermingsmiddel. [X] B.V. heeft derhalve geen strafbaar feit gepleegd, waardoor geen strafbaar verwijt kan worden gemaakt. De raadsman verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging *1

Het middel BN3/bitoxybacillin: een gewasbeschermingsmiddel?

In artikel 1 van de WGB*2 wordt onder een gewasbeschermingsmiddel verstaan een "werkzame stof of preparaat dat één of meer werkzame stoffen bevat, bestemd of aangewend om planten of plantaardige producten te beschermen tegen alle schadelijke organismen of de werking daarvan te voorkomen".

Zoals blijkt uit het 'advies over risico's van gebruik van BN-3' van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit en de aanvulling daarop in 2011 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu*3 is BN3 een andere benaming voor het middel bitoxybacillin. De werkzame stof van BN3 komt van de bacillus thuringiensis subspecies thuringiensis die een beta-exotoxine produceert. Dit toxine wordt thuringiensine genoemd. In de bijlage dat bij het advies is gevoegd staat vermeld dat thuringiensine giftig is voor bijna alle levende wezens. Omdat thuringiensine giftig is voor talloze insectensoorten behoort de toepassing daarvan als insecticide tot de mogelijkheden.

De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat het middel BN3/bitoxybacillin een gewasbeschermingsmiddel is in de zin van artikel 1 van de WGB. Het verweer dat de raadsman van verdachte heeft gevoerd op dit punt zal de rechtbank dan ook verwerpen.

Het middel BN3/bitoxybacillin: toegelaten op de Europese en Nederlandse markt?

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat BN3/bitoxybacillin een gewasbeschermingsmiddel is in de zin van de WGB, zal de rechtbank, gelet op artikel 20 van de WGB, de vraag dienen te beantwoorden of het middel is toegelaten op de Europese en Nederlandse markt.

Artikel 20 van de WGB bepaalt dat het verboden is een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, dat niet ingevolge deze wet is toegelaten of, voor zover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd.

Uit artikel 1 van de WGB volgt dat onder 'toelaten' wordt verstaan een bestuursrechtelijk besluit waarmee wordt toegestaan dat een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt wordt gebracht.

Uit informatie van het CTGB *4 blijkt dat het middel BN3 niet op de Nederlandse markt is toegelaten en dat geen aanvraag om toelating in Nederland is ingediend. Het middel betreft de stam bacillus thuringiensis, subspecies thuringiensis (BTT), over welke stam bekend is dat deze beta-exotoxine (kan) produceren. Dit beta-exotoxine is giftig voor bijna alle vormen van leven. Vanwege deze gevaarzetting mogen commerciële producten geen beta-exotoxine bevatten. Hierop wordt streng gecontroleerd in Nederland en Europa. Een aanvraag tot toelating in Nederland en Europa zou worden afgewezen.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het middel BN3/bitoxybacillin niet is toegelaten op de Europese en Nederlandse markt.

Het middel BN3/bitoxybacillin: betekenis van het begrip 'op de markt brengen'

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat onder op de markt brengen, als bedoeld in artikel 20 WGB, zowel het binnen Nederland op de markt brengen, als het binnen de Europese Gemeenschap op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden verstaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De WGB is in werking getreden op 17 oktober 2007 ter vervanging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en is blijkens de aanhef van deze wet mede gebaseerd op richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden.

Richtlijn nr. 91/414/EEG bepaalt in artikel 2, tiende lid, dat onder 'op de markt brengen' moet worden verstaan:

Iedere levering, al dan niet tegen betaling, met uitzondering van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het grondgebied van de Gemeenschap. Invoer op het grondgebied van de Gemeenschap wordt in het kader van deze richtlijn als op de markt brengen aangemerkt.

In artikel 3 van deze richtlijn is - voor zover in deze zaak van belang - bepaald:

1. De Lid-Staten bepalen dat een gewasbestrijdingsmiddel alleen op hun grondgebied op de markt mag worden gebracht en gebruikt, indien zij het betrokken gewasbeschermingsmiddel overeenkomstig deze richtlijn hebben toegelaten, tenzij het beoogde gebruik valt onder het bepaalde in artikel 22.

2. De Lid-Staten mogen de produktie, de opslag en het verkeer van een gewasbeschermingsmiddel waarvan het gebruik op hun grondgebied niet is toegelaten, maar dat voor gebruik in een andere Lid-Staat is bestemd, niet belemmeren voor zover:

- het gewasbeschermingsmiddel in een andere Lid-Staat is toegelaten;

- wordt voldaan aan de voorschriften inzake controle die de Lid-Staten hebben vastgesteld om ervoor te zorgen dat het bepaalde in lid 1 wordt nageleefd.

In artikel 1 van de WGB is bepaald:

Op de markt brengen: iedere vorm van distribueren, leveren, afleveren of vervoeren, al dan niet tegen betaling, met uitzondering van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het grondgebied van Nederland;

In artikel 20 van de WGB is bepaald:

Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, dat niet ingevolge deze wet is toegelaten of, voor zover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd.

In artikel 74 van de WGB is bepaald:

1.Het binnen Nederland brengen van een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide is in afwijking van de artikelen 19 en 20 toegestaan wanneer het middel gezien het bijgeleverde etiket of gezien de samenstelling van de werkzame stof of preparaat bestemd is voor:

a. een lidstaat van de Europese Unie en voldoet aan de voorschriften inzake controle die in die lidstaat zijn vastgesteld ter implementatie van artikel 3, eerste lid, van richtlijn 91/414/EEG onderscheidenlijk artikel 3, eerste lid, van richtlijn 98/8/EG of

b. een land buiten de Europese Unie en aldaar niet verboden is.

2.De importeur van een middel als bedoeld in het eerste lid en de opvolgende eigenaar of houder van het middel dragen zorg voor de aanwezigheid op het bedrijf van een administratie, die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Daarbij kunnen regels worden gesteld inzake leveringen voor opslag en daarop volgende verzending vanaf het grondgebied van Nederland naar het buitenland.

3.Een importeur kan een middel als bedoeld in het eerste lid binnen Nederland leveren voor opslag mits daarop door de importeur en opvolgende eigenaar of houder van het middel vervoer tot buiten het Nederlands grondgebied plaatsvindt en de importeur, opvolgend eigenaar of houder de opslag overeenkomstig het tweede lid administreert.

4.Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een in Nederland gevestigde producent die een middel produceert dat gezien het bijgeleverde etiket of gezien de samenstelling van werkzame stof of preparaat niet bestemd is voor de Nederlandse markt voor zover de producent het middel op een met een importeur vergelijkbare wijze binnen het Nederlands grondgebied levert voor opslag als bedoeld in het derde lid.

Artikel 1 van de WGB lijkt de werkingssfeer van de wet te beperken tot het grondgebied van Nederland. Deze interpretatie lijkt evenwel op gespannen voet te staan met de definitie van het op de markt brengen, zoals opgenomen in artikel 3 van richtlijn 91/414/EEG, welke ziet op iedere levering binnen het grondgebied van de Gemeenschap, met een uitzondering van levering ten behoeve van opslag en daaropvolgende levering buiten het grondgebied van de Gemeenschap.

Artikel 74 van de WGB ziet op de situatie waarin niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen binnen Nederland worden gebracht en deze middelen bestemd zijn voor een lidstaat waar het betreffende gewasbeschermingsmiddel wel is toegestaan, dan wel voor een land buiten de Europese Unie. Over de strekking van deze bepaling heeft de wetgever het volgende in de memorie van toelichting opgenomen:

"Om te voorkomen dat doorvoer onmogelijk wordt, is in artikel 74 een uitzondering gemaakt voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden die gezien de vrachtpapieren, het etiket of de samenstelling van de werkzame stof of het preparaat bestemd zijn voor uitvoer of doorvoer (bijvoorbeeld een etiket met Belgische toelatingsnummers). Ter controle van de uitvoer of doorvoer wordt bepaald dat het land van bestemming of voor zover het gebruikers betreft, de plaats buiten Nederland waar de toepassing plaatsvindt, in een register wordt bijgehouden. Hiermee wordt uitvoer en doorvoer mogelijk gemaakt voor middelen die gezien de buitenlandse toelatingsnummers niet voor de binnenlandse markt bestemd zijn. Op deze wijze wordt verzekerd dat voor uitvoer bestemde middelen niet in strijd met de toelatingsvoorwaarden op de binnenlandse markt worden afgezet of gebruikt en dat controle hierop mogelijk is overeenkomstig de bedoeling van artikel 17 van de gewasbeschermingsrichtlijn en artikel 24 van de biocidenrichtlijn. Het loslaten van de registratie zou betekenen dat iedere handelaar of gebruiker van het middel zich op uitvoer kan beroepen, zodat controle op het voorhanden hebben van niet toegelaten middelen ernstig wordt bemoeilijkt. Dit is naar de opvatting van de regering in strijd met de ingevolge artikel 17 van de gewasbeschermingsrichtlijn en artikel 24 van de biocidenrichtlijn vereiste controle."*5

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat de WGB zich richt op het op de markt brengen van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Deze toegelaten middelen kunnen binnen Nederland op de markt worden gebracht, alsmede worden doorgevoerd naar andere lidstaten, indien die middelen aldaar eveneens zijn toegelaten. Voor in Nederland niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen geldt als uitgangspunt dat deze middelen niet in Nederland op de markt mogen worden gebracht. Doorvoer - en daarmee binnen Nederland brengen, opslaan en daaropvolgend levering naar een lidstaat waar het middel wel is toegelaten of een land buiten de Europese Unie waar het middel niet verboden is - is wel toegestaan, mits aan de daaraan gestelde eisen wordt voldaan.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft bepaald, is in deze zaak sprake van een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel. Dit middel is in geen van de Europese lidstaten toegelaten. Gelet hierop vallen derhalve alle leveringen van het middel aan afnemers binnen Nederland en aan afnemers in de landen behorend tot de Europese Unie onder het begrip op de markt brengen van een niet ingevolge de WGB toegelaten middel.

Heeft verdachte gehandeld in strijd met artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden?

Uit het veiligheidsblad*6, bijgesloten bij de levering van Sibbiopharm Ltd. aan [F] B.V., blijkt dat de levering betrekking heeft op het middel bitoxybacillin. Op het veiligheidsblad staat het volgende: "Bitoxybacillin is a bacterial insecticidal preparation applied for control of pests on agricultural, forest and officinal plants. The preparation is produced by the method of microbiological synthesis on the culture 'Bacillus thuringiensis var. thuringiensis' with subsequent concentration of the culture liquid, drying and standardization. " Ook blijkt uit dit veiligheidsblad dat het middel als volgt is samengesteld: "spore-crystalline complex, exotoxin, residues of nutrient media, metabolites of the culture-producer, inert fillers ensuring safety and stability of the preparation."

Op 13 juli 2010 heeft verbalisant [verbalisant 1] bij [X] B.V twee monsters bitoxybacillin *7 genomen en verzonden naar het RIVM, met het verzoek de monsters te onderzoeken op aanwezigheid van de bacillus thuringiensis var. thuringiensis. De monsters zijn genummerd [nummer 1] (origineel) en [nummer 2] (contra). Uit het analyserapport *8 komt naar voren dat in het monster met nummer [nummer 2] de aanwezigheid van bacillus thuringiensis serovar thuringiensis is aangetoond. Tevens is de aanwezigheid van het beta-exotoxine 'thuringiensin' aangetoond met een indicatief gehalte van 1.0% (w/w).

[verdachte 2], directeur van [F] B.V., heeft verklaard *9 dat [F] B.V., gevestigd te [plaats], in de periode vanaf juli 2008 tot en met juni 2010 het middel BN3 heeft geleverd aan [X] B.V., nadat het middel via de leverancier Sibbiopharm (Rusland) was ingekocht. Voorts blijkt uit de stukken dat [F] B.V. in 2008 een hoeveelheid van 3.000 kilogram van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacillin binnen Nederland heeft gebracht en 9.807 kilogram op de markt gebracht, door het te verkopen aan [X] B.V. In 2009 heeft [F] B.V. een hoeveelheid van 36.000 kilogram van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacillin binnen Nederland gebracht en 26.540 kilogram op de markt gebracht, door het te verkopen aan [X] B.V..

In 2010 heeft [F] B.V. een hoeveelheid van 28.000 kilogram van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacillin binnen Nederland gebracht en 21.460 kilogram op de markt gebracht, door het te verkopen aan [X] B.V..*10

[A], directeur van [X] B.V., heeft verklaard *11 dat [X] B.V., gevestigd te [plaats], in de periode vanaf januari 2008 tot en met juli 2010 het middel BN3 heeft gekocht van [F] B.V. Uit het dossier *12 blijkt dat [X] B.V. in 2008 een hoeveelheid van 6.400 kilogram BN3 of bitoxybacillin op de markt heeft gebracht en in 2008 totaal 9.807 kilogram voorhanden heeft gehad en in voorraad heeft gehad. In 2009 heeft [X] B.V. een hoeveelheid van 7.350 kilogram BN3 of bitoxybacillin op de markt gebracht en een hoeveelheid van 26.540 kilogram voorhanden gehad en in voorraad gehad. In 2010 heeft [X] B.V. een hoeveelheid van 3.580 kilogram BN3 of bitoxybacillin op de markt gebracht en een hoeveelheid van 21.460 kilogram voorhanden gehad en in voorraad gehad.

Uit het dossier *13 en de verklaring van [D] *14 volgt dat hij zich vanaf mei 2008 tot en met december 2009 heeft beziggehouden met de inkoop en verkoop van het middel BN3 middels zijn bedrijf [E]V.O.F., gevestigd te [plaats]. Hij kocht het middel in bij [X] B.V. en vervolgens verkocht hij het aan Nederlandse rozenkwekers of -handelaren. Buiten Nederland verkocht [D] het middel aan bedrijven in Polen, de Oekraïne, Moldavië, Italië, Kazachstan en België. In 2008 heeft [E]V.O.F. 660 kilogram BN3 geleverd aan afnemers in Nederland en aan afnemers gevestigd in lidstaten van de Europese Unie. De leveringen aan landen buiten de Europese Unie zijn, zoals de officier van justitie ter terechtzitting nader heeft toegelicht, buiten beschouwing gelaten. In 2009 heeft [E]V.O.F. 1.230 kilogram BN3 geleverd aan afnemers in Nederland en aan afnemers gevestigd in lidstaten van de Europese Unie. Ook hier geldt dat de leveringen aan landen buiten de Europese Unie buiten beschouwing zijn gelaten. [E]V.O.F. heeft in de periode vanaf mei 2008 tot en met december 2008 920 kilogram van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacillin voorhanden gehad en in voorraad gehad. In de periode vanaf januari 2009 tot en met december 2009 heeft [E]V.O.F. 1.450 kilogram van het middel voorhanden gehad en in voorraad gehad.

De rechtbank overweegt dat op grond van al het bovenstaande bewezen kan worden verklaard dat verdachte samen met anderen het niet op de Europese en Nederlandse markt toegelaten middel BN3/bitoxybacillin op de markt heeft gebracht. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank voorts vast dat bij verdachte en haar medeverdachten geen twijfel bestond over de werking van het product BN3/bitoxybacillin als insectendodend middel.

Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit de notities *15, die in beslag zijn genomen onder [D], blijkt dat het middel werd gebruikt 'against spidermite'. Daaruit valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat was beoogd het middel in de rozenteelt ter bestrijding van spint te gebruiken. Verder wordt in aanmerking genomen een brief van de douane van 15 januari 2008 *16. Daaruit volgt dat een monsteronderzoek heeft plaatsgevonden en dat de bevindingen daarvan zijn dat de samenstelling van het onderzochte middel geen plantextract betreft, doch dat het gaat om een insectendodend middel. Door het middel BN3 op de markt te brengen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 20 van de WGB.

Opzet

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat verdachte het economisch delict niet opzettelijk heeft begaan, aangezien verdachte niet wist dat BN3 een insectendodend middel was.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman nu voor bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde feiten niet vereist is dat opzettelijk is gehandeld in strijd met de wettelijke bepalingen. Voldoende is dat het opzet is gericht op het verrichten van de ten laste gelegde handelingen, te weten het feitelijk voorhanden hebben, in voorraad hebben en op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel dat niet is toegelaten in de zin van de wet. Verdachte had op de hoogte moeten zijn van de geldende bepalingen. De rechtbank wijst hiertoe op de arresten van de Hoge Raad van 18 maart 1952, NJ 1952,314 en van 24 april 2007, LJN AZ8783.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden heeft overtreden.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij in de periode van januari tot en met december 2008 te Moordrecht,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 6.400 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacillin

op de markt heeft gebracht en

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 9.807 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacillin

voorhanden heeft gehad en in voorraad heeft gehad,

terwijl dat middel niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddel", "op de markt brengen" en "toelaten" worden gebruikt overeenkomstig hun betekenis in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,

2.

zij in de periode van januari tot en met december 2009 te Moordrecht,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 7.350 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacilllin

op de markt heeft gebracht en

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 26.540 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacillin

voorhanden heeft gehad en in voorraad heeft gehad,

terwijl dat middel niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddel", "op de markt brengen" en "toelaten" worden gebruikt overeenkomstig hun betekenis in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,

3.

(BN3 in 2010)

zij in de periode van januari tot en met juli 2010 te Moordrecht,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 3.580 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacillin

op de markt heeft gebracht en

meermalen opzettelijk een hoeveelheid - tot een totaal van 21.460 kilogram - van het gewasbeschermingsmiddel BN3 of bitoxybacillin

voorhanden heeft gehad en in voorraad heeft gehad,

terwijl dat middel niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten,

waarbij de begrippen "gewasbeschermingsmiddel", "op de markt brengen" en "toelaten" worden gebruikt overeenkomstig hun betekenis in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake alle ten laste gelegde feiten, inhoudende het opzettelijk overtreden van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, gepleegd door een rechtspersoon, tot een geldboete van € 200.000,00.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en oordeelt tot de strafbaarheid van verdachte heeft de verdediging verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, samen met anderen, meermalen schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Zij heeft een middel, dat niet is toegelaten op de Nederlandse en Europese markt, voorhanden gehad, in voorraad gehad en op de markt gebracht door dit middel van [F] B.V. te kopen en dit middel vervolgens te verkopen aan bedrijven in Nederland en Europa.

Toepassing van gewasbeschermingsmiddelen is een belangrijke methode voor de bescherming van planten en plantaardige producten en derhalve ook voor de verbetering van de landbouwproductie. Toch kan een dergelijk middel een ongunstige werking hebben op het milieu, de volksgezondheid en de voedselveiligheid, vooral wanneer het ongecontroleerd en zonder officiële toelating op de markt wordt gebracht en ondeskundig wordt gebruikt. Ter voorkoming hiervan zijn in Nederland en in andere lidstaten van de Europese Unie alleen die gewasbeschermingsmiddelen toegelaten, die na uitvoerig vooronderzoek ter toelating zijn voorgelegd aan het CTGB en na toelating zijn geregistreerd. Door middel van het reguleren van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en de handel hierin, stelt de overheid waarborgen voor de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu. Verdachte heeft met haar handelen het overheidsbeleid doorkruist.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 23 maart 2012 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Alles overwegende acht de rechtbank de na te noemen geldboete dan ook een passende reactie.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 23, 24, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 1, 20 en 74 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

- 28 Verordening (EG) 1107/2009

- 2 en 3 Richtlijn 91/414/EEG.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, 2 en 3:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 200.000,00.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. H. Steenhuis, voorzitter,

M. Rootring en A.L. Frenkel, rechters,

in tegenwoordigheid van L. van Staden, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2012.

*1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer 70488, van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gedateerd 11 november 2010, met bijlagen.

*2 Voor zover hierna wordt verwezen naar de WGB, wordt telkens verwezen naar de WGB, zoals deze geldig was van 17 oktober 2007 tot 26 november 2011.

*3 Geschrift: Advies over risico's van gebruik van BN-3, opgesteld door prof. dr. E.G. Schouten, directeur bureau Risicobeoordeling & onderzoeksprogrammering, gedateerd 10 november 2011.

*4 Proces-verbaal, verdenking strafbaar feit [E]V.O.F. en vennoot [D], p. 32 en p. 33 en p. 154, e-mail van CTGB, Ir. M. Busschers, wetenschappelijk beoordelaar humane toxicologie, van CTGB te Wageningen.

*5 Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 474, nr. 3 (memorie van toelichting) p. 25 en 26.

*6 Geschrift: D/1031 "bitoxybacillin material safety data sheet", bedrijf Sibbiopharm Ltd., p. 361.

*7 Proces-verbaal, relaas van bemonstering, p. 68.

*8 Analyserapport van dr. ir. R.F.M. van Gorcom, directeur van het RIKILT, gedateerd 8 oktober 2010, inhoudende onderzoek naar monster met nummer [nummer 2], p.152.

*9 Proces-verbaal verhoor [verdachte 2], p.340.

*10 Geschrift: [F] BV Inkoop Bitoxybaci, p. 259; geschrift: verkopen BN-3 door [F] BV 2008 - 2010 aan [X] BV, p. 260.

*11 Proces-verbaal verhoor verdachte [A], p. 415.

*12 Proces-verbaal 'Omschrijving in- en verkopen ex [X] […] en [X] B.V. inzake

2008 / 2009 / 2010, p. 221.

*13 Proces-verbaal 'Omschrijving in- en verkoop [E]in 2008', p. 210 en p. 211; proces-verbaal 'Omschrijving in- en verkoop [E]in 2009', p. 214 en p. 215; geschrift: D/1033 Inkoop [E]vof, p. 317; geschrift: D/1034 Inkoop [E]vof, p. 318; geschrift: D/1035 Afnemers [E]vof 2008 t/m 2010, p. 319 en geschrift: D/1036 Afnemers [E]vof 2008 t/m 2010, p. 320.

*14 Proces-verbaal verhoor verdachte [D], p. 298 - p. 299.

*15 Proces-verbaal verhoor verdachte [D], p. 297.

*16 Geschrift: D/980 en D/981 inhoudende mededeling uitslag monsteronderzoek door Douane Noord, p. 347 en p. 348.