Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8630

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/38127
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:2205, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres terecht niet aangemerkt als pleegkind van referente. Hoewel het ter zake geldende beleid het begrip pleegkind niet definieert, komt uit dat beleid duidelijk naar voren dat het moet gaan om een niet-biologisch kind van de hoofdpersoon. De rechtbank leidt daaruit af dat de hoofdpersoon tot het pleegkind in een ouder-kind-relatie moet staan. Gelet op het feit dat eiseres en referente zussen van elkaar zijn en in aanmerking genomen hun leeftijden en het geringe onderlinge leeftijdsverschil (2 jaren en 10 maanden), is van een ouder-kind-relatie tussen eiseres en referente geen sprake (geweest). Voorts is hierbij van belang dat, zoals verweerder heeft uiteengezet, eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een dusdanige afhankelijkheidspositie verkeerde dat zij verzorgd diende te worden door referente. Eiseres en referente zorgden samen voor het huishouden en eiseres hielp referente met de verzorging van haar kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/38127

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2012 in de zaak tussen

[eiseres], verblijvende te Senegal, eiseres,

(gemachtigde mr. A.M.J.M. Louwerse),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, te Den Haag, verweerder.

(gemachtigde: mr. E.M. Ehrencron-Plante)

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 22 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in verband met nareis afgewezen.

Bij besluit van 28 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 maart 2012, waar partijen bij gemachtigde zijn verschenen. Van de zijde van eiseres is tevens verschenen [referente] (referente).

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of de weigering om eiseres een mvv te verlenen in rechte kan standhouden.

2. De rechtbank gaat bij de beantwoording van die vraag uit van de volgende feiten.

3. Eiseres is geboren op [datum] 1991. Referente is geboren op [datum] 1988. Eiseres en referente zijn zussen. Zij woonden samen bij hun ouders. Na het overlijden van hun vader (in 1993) zorgde hun moeder voor hen.

4. Referente is in 2003 getrouwd en is met haar man zelfstandig gaan wonen, in een huis tegenover dat van haar moeder. Eiseres trok bij haar zus en haar man in. Later is ook hun moeder overleden

5. Referente en haar man hebben twee kinderen (geboren op [datum] 2004 en [datum] 2006).

6. Na het overlijden van de man van referente (in 2007), heeft referente werk gezocht in Conakry. Omdat zij haar eigen kinderen en eiseres op het platteland niet alleen wilde laten, heeft zij hen ondergebracht bij een vriendin, [vriendin]. Van half februari 2008 tot in april 2008 heeft zij in Conakry gewoond. Vanuit Conakry is referente naar Nederland vertrokken.

7. Bij besluit van 25 februari 2009 is aan referente en haar op 17 januari 2009 in Nederland geboren derde kind ([derde kind]) een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), verleend.

8. Op 19 november 2009 heeft verweerder negatief geadviseerd op het verzoek van referente, om advies omtrent afgifte van een mvv ten behoeve van haar in Guinee achtergebleven twee kinderen en haar zus (eiseres), met het oog op nareis.

9. Op 21 juli 2010 hebben eiseres en de twee kinderen van referente bij de Nederlandse ambassade te Dakar in Senegal aanvragen ingediend om verlening van een mvv in het kader van ‘nareis’.

10. Ten behoeve van de twee kinderen van referente is een mvv verleend.

11. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de afwijzing van de mvv-aanvraag voor eiseres gehandhaafd. Volgens verweerder heeft eiseres op het moment van vertrek van referente niet als pleegkind van referente feitelijk tot haar gezin behoord en komt eiseres als zus van referente niet in aanmerking voor de gevraagde afgeleide status op grond van het nareisbeleid. Voor zover eiseres wel als pleegkind van referente moet worden aangemerkt meent verweerder dat de gezinsband tussen eiseres en referente is verbroken, omdat eiseres na het vertrek van referente is opgenomen in het gezin van de vriendin van referente, [vriendin].

12. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte niet heeft aangemerkt als pleegkind van referente. Volgens eiseres is het onzorgvuldig dat verweerder deze afwijzingsgrond eerst aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, zonder dat zij in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren. Na het overlijden van hun ouders heeft referente de zorg van het gezin als geheel op zich genomen en heeft voor eiseres gezorgd alsof het haar eigen kind was. De rechtbank overweegt over deze beroepsgrond het volgende.

13. Op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het genomen besluit plaats te vinden. Dit kan betekenen dat de beslissing op bezwaar met andere afwijzingsgronden wordt onderbouwd dan de primaire beslissing. Voor het oordeel dat verweerder eiseres voor het nemen van het bestreden besluit in de gelegenheid had moeten stellen te reageren op die nieuwe afwijzingsgrond, bestaat geen grond. Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit argumenten aangedragen tegen die nieuwe afwijzingsgrond. Van strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor is dan ook geen sprake.

14. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, is verleend.

15. In paragraaf C2/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zijn de voorwaarden voor verlening van deze afgeleide verblijfsvergunningen nader beschreven. Volgens dit beleid kunnen ook niet-biologische (pleeg- of adoptie)kinderen voor nareis in aanmerking komen.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres terecht niet aangemerkt als pleegkind van referente. Hoewel het ter zake geldende beleid het begrip pleegkind niet definieert, komt uit dat beleid duidelijk naar voren dat het moet gaan om een niet-biologisch kind van de hoofdpersoon. De rechtbank leidt daaruit af dat de hoofdpersoon tot het pleegkind in een ouder-kind-relatie moet staan. Gelet op het feit dat eiseres en referente zussen van elkaar zijn en in aanmerking genomen hun leeftijden en het geringe onderlinge leeftijdsverschil (2 jaren en 10 maanden), is van een ouder-kind-relatie tussen eiseres en referente geen sprake (geweest). Voorts is hierbij van belang dat, zoals verweerder heeft uiteengezet, eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een dusdanige afhankelijkheidspositie verkeerde dat zij verzorgd diende te worden door referente. Eiseres en referente zorgden samen voor het huishouden en eiseres hielp referente met de verzorging van haar kinderen.

17. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres als pleegkind feitelijk tot het gezin van referente heeft behoord. Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

18. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over het standpunt van verweerder dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referente is verbroken behoeft, gezien het voorgaande, geen nadere bespreking.

19. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat het bestreden besluit en het ter zake geldende beleid in strijd zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: Richtlijn), de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: Definitierichtlijn), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) heeft miskend. Deze beroepsgronden slagen niet.

20. Wat betreft het beroep op de Richtlijn verwijst de rechtbank naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 maart 2008 (LJN: BC7140) en van 19 oktober 2010 (LJN: BO1555), waarin onder meer is geoordeeld dat de Richtlijn zich niet verzet tegen implementatie van de bepalingen met betrekking tot gezinshereniging van door de lidstaten erkende vluchtelingen met hun gezinsleden in de wet- en regelgeving die ziet op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier, nu deze Richtlijn, waaronder begrepen de in Hoofdstuk V van die Richtlijn genoemde bepalingen over hereniging van door de lidstaten erkende vluchtelingen met hun gezinsleden, louter ziet op verblijf in het kader van gezinshereniging en niet op het verblijf in het kader van asiel. In dit verband wordt gewezen op het bepaalde in artikel 9, derde lid, van de Richtlijn. Hieruit volgt dat deze Richtlijn niet van toepassing is bij de beoordeling van de vraag of gezinsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Gezien de aan een op grond van die artikelonderdelen verleende vergunning verbonden rechtspositie worden die artikelonderdelen gezien als een gunstiger bepaling als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Richtlijn en vallen deze bepalingen buiten de reikwijdte van de in de Richtlijn neergelegde minimumnormen. Het beroep op de Richtlijn dient daarom in een reguliere procedure te worden beoordeeld en faalt om die reden. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling.

21. Ook ten aanzien van het beroep van eiseres op de Definitierichtlijn is de rechtbank van oordeel dat dit niet slaagt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de reeds aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008 (LJN: BC7140) waarin door de Afdeling onder meer is geoordeeld dat uit artikel 23 van de Definitierichtlijn niet kan worden afgeleid dat de aan dit artikel te ontlenen aanspraken zouden moeten leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in een situatie waarin daar overigens geen aanspraak op zou bestaan.

22. Nu genoemde Richtlijnen zich niet verzetten tegen bovenbedoelde implementatie, kan eiseres geen rechten ontlenen aan het Unierecht inzake migratie. Ook overigens is niet gesteld en niet gebleken dat eiseres rechten kan ontlenen aan het Unierecht. Op grond van het vorenstaande kan eiseres dan ook geen beroep doen op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

23. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM faalt voor zover daarmee bedoeld is te stellen dat in het kader van deze aanvraag integraal aan dit artikel dient te worden getoetst. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2010 (LJN BO1555), waarin is overwogen dat, gelet op het bijzondere karakter van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 geregelde toelatingsgrond en de inbreuk die daarmee op de algemene systematiek van de Vw 2000 is gemaakt, verweerder de reikwijdte van deze bepaling terecht in beperkte zin, te weten dat er geen verdere afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dient plaats te vinden dan de afweging die reeds in deze bepaling besloten ligt, heeft opgevat.

24. Het beroep op het IVRK faalt eveneens, reeds omdat eiseres ten tijde van het nemen van het primaire besluit ouder was dan 18 jaar.

25. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Awb. Eiseres heeft in dit verband gewezen op de omstandigheid dat eiseres altijd heeft samengewoond met referente en haar kinderen, dat eiseres als enige is achtergebleven, dat de sociale omstandigheden deplorabel zijn en dat eiseres te vrezen heeft voor gedwongen uithuwelijking en besnijdenis. Deze beroepgrond slaagt niet. In aanmerking genomen dat, zoals hiervoor overwogen, eiseres niet als pleegkind van referente kan worden aangemerkt bestond voor verweerder geen grond af te wijken van het ter zake geldende nareisbeleid, welk beleid invulling geeft aan de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid een verblijfsvergunning asiel alleen te verlenen aan de in dat artikellid genoemde gezinsleden.

26. Eiseres heeft (ter zitting van de rechtbank) voorts aangevoerd dat verweerder de aanvraag van eiseres te beperkt heeft opgevat. De aanvraag van eiseres ziet volgens haar niet alleen op het nareisbeleid asiel, maar ook op de reguliere (verruimde) gezinhereniging. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft opgevat als een aanvraag om afgifte van een mvv in het kader van gezinshereniging bij een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het kader van nareis. In haar toelichting op de mvv-aanvragen van 13 juli 2010 refereert eiseres ook aan het nareisbeleid en stelt zij dat zij is vrijgesteld van het inburgeringsexamen, dat zij geen leges hoeft te betalen en dat de inkomenseis niet van toepassing is. Verweerder was dan ook niet gehouden de aanvraag aan het reguliere gezinsherenigingsbeleid te toetsen.

27. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat zij als gevolg van het bestreden besluit een reëel risico loopt op besnijdenis en gedwongen uithuwelijking. Deze beroepsgrond slaagt evenmin, omdat een beroep op artikel 3 EVRM buiten het bestek van onderhavige procedure valt.

28. Het beroep is ongegrond.

29. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

30. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. Venekamp als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.M. de Kruif als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

<b>Rechtsmiddel</b>

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.