Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8588

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
09/754155-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer, zijn compagnon en vriend, onverhoeds neergestoken, als gevolg waarvan deze is overleden. Verdachte wordt, wegens ontoerekeningsvatbaarheid, ontslagen van alle rechtsvervolging. TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/754155-10

Datum uitspraak: 18 juni 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1963 te [plaats] ([land]),

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) te 's-Gravenhage.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 oktober 2010, 14 januari 2011, 10 maart 2011, 30 mei 2011, 11 augustus 2011, 27 oktober 2011, 10 januari 2012, 4 april 2012 en 4 juni 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Rijsdorp en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Als nabestaande van het slachtoffer is ter terechtzitting verschenen mevrouw [nabestaande].

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 juli 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 juli 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Op 5 juli 2010 om omstreeks 22.28 uur heeft verdachte zich bij de hoofdingang van politiebureau Karnebeek gemeld en daar tegen twee verbalisanten gezegd: dood, dood, in het restaurant, [adres](of woorden van gelijke strekking). Verdachte heeft vervolgens de sleutels van het restaurant aan een van de verbalisanten gegeven. Daarna, zo is door de verbalisanten opgetekend, hield verdachte zijn handen met gestrekte armen voor zijn buik en bood zijn handen aan. De verbalisanten hebben uit die houding opgemaakt dat verdachte geboeid wilde worden. Omstreeks 22.37 uur heeft de politie in het restaurant gelegen aan de [adres]in de keuken op de grond het stoffelijk overschot van een man aangetroffen. Na onderzoek bleek deze man te zijn [slachtoffer]. Uit onderzoek is gebleken dat deze [slachtoffer] is overleden ten gevolge van een steekverwonding. Verdachte is aangehouden. Op 11 augustus 2011 heeft verdachte ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd.

Verdachte wordt verweten dat hij op 5 juli 2010 [slachtoffer] opzettelijk én met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie komt er - kort en zakelijk weergegeven - op neer dat verdachte, nu er onvoldoende bewijs is om aan te nemen dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer] heeft neergestoken, moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Bewezen moet worden verklaard de subsidiair ten laste gelegde doodslag; verdachte heeft in een uitbarsting van kwaadheid een mes gepakt en het slachtoffer twee keer in de rug gestoken, waardoor het slachtoffer is overleden.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - kort en zakelijk weergegeven - bepleit dat verdachte van moord moet worden vrijgesproken en dat de doodslag op [slachtoffer] bewezen kan worden verklaard. Uit de gang van zaken is niet gebleken van enige voorbedachte raad, nu van een moment van kalm overleg, van bedaard nadenken voorafgaande aan de uitvoering geenszins sprake is geweest.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1. Vrijspraak overweging ten aanzien van de primair tenlastegelegde moord

De rechtbank vindt in het dossier noch in hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte met voorbedachte raad het slachtoffer [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en spreekt hem daarvan vrij.

3.4.2. Bewijsoverweging ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde doodslag

Nu verdachte het plegen van de doodslag heeft bekend en de rechtbank dit feit bewezen zal verklaren - te weten het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] door hem met een mes in het lichaam te steken - en verdachte nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman hiervan vrijspraak hebben bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:

-het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 5 juli 2010 en de lijkschouw verricht op 6 juli 20102;

-het rapport "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood", inhoudende de bevinding dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van een steekverwonding3;

-de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 augustus 2011 4.

Op grond van deze bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 5 juli 2010 opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door het toebrengen van een fatale steekwond.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op 05 juli 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportage van het aanvullend onderzoek van 15 oktober 2011 door M.H. de Groot, GZ-psycholoog, en 18 oktober 2011 door drs. R. Thomassen, psychiater. Uit dit rapport blijkt het volgende.

Beide deskundigen hebben geconcludeerd dat bij verdachte sprake was van betrekkingsideeën en wanen in het kader van een depressieve stoornis met psychotische kenmerken. Vanwege verdachtes gestoorde realiteitsbesef hebben de deskundigen geconcludeerd dat verdachte tenminste als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de meest recente rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC), betreffende verdachte. Deze rapportage is op 30 mei 2012 opgesteld en ondertekend door P.E. Geurkink, psycholoog en P.K.J. Ronhaar, psychiater. Uit het rapport blijkt het volgende.

Beide deskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat voorafgaand aan en tijdens het ten laste gelegde er bij verdachte, als uiteindelijk gevolg van een langdurige te grote belasting bij een beperkte draagkracht, sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een paranoïde psychotische toestand die gekenmerkt werd door zogenaamde benadelings- en betrekkingswanen. Verdachte was ervan overtuigd dat het slachtoffer, zijn compagnon, al enige tijd bezig was hem tegenover klanten en leveranciers zwart te maken. Toen zijn compagnon hem tegenover anderen beledigde, althans naar de stellige en niet corrigeerbare overtuiging van verdachte, werd dat door hem beleefd als een ultieme vernedering. Verdachte was niet in staat zich aan deze overtuiging te onttrekken, vanwege de aard van de psychose. Het handelen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde werd volledig bepaald door de paranoïde psychose, zodat verdachte naar de mening van de rapporteurs hiervoor geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank acht zich - mede na de bevraging van psychiater Ronhaar als deskundige ter terechtzitting - voldoende voorgelicht door de rapportages. De rechtbank acht de conclusie - volledige ontoerekeningsvatbaarheid - van de rapporteurs voldoende onderbouwd en maakt deze tot de hare. Verdachte zal, nu hij volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, ontslagen worden van alle rechtsvervolging.

6. De maatregeloplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat - nu verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging - hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd. De officier van justitie heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende betoogd.

De ernst van het feit in combinatie met het gevaar van herhaling van een ernstig delict en het belang van de maatschappij, dat alles wordt gedaan om herhaling te voorkomen, vraagt de zwaarste maatregel. Verdachte heeft nu, bijna twee jaar na het delict, nog steeds de wanen die hebben geleid tot het delict. Voorts ontbreekt het verdachte aan enig ziekte-inzicht en dit doet een langdurig behandeltraject vermoeden. Daarbij is de bij verdachte geconstateerde stoornis moeilijk te behandelen. Bij een dergelijke (hardnekkige) aandoening is een zeer zorgvuldige en geleidelijke afbouw van de wanen noodzakelijk. In een setting van een terbeschikkingstelling met voorwaarden is dat niet aan de orde. Ambulante behandeling biedt in elk geval onvoldoende kader. Ten slotte is contra-indicatief voor een terbeschikkingstelling met voorwaarden, dat het verdachte ontbreekt aan een sociaal netwerk en is vastgesteld dat hij een beperkte draagkracht heeft, hetgeen bij overbelasting tot problemen kan leiden zonder dat dit wordt opgemerkt door zijn omgeving, met alle risico's van dien.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Omdat in de PBC-rapportage van 30 mei 2012 en ter terechtzitting door psychiater Ronhaar, de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt geadviseerd, heeft de raadsman verzocht de behandeling ter terechtzitting aan te houden om de reclassering de opdracht te geven een maatregelrapportage op te maken. Verdachte heeft volledige openheid van zaken gegeven en volledige medewerking verleend aan het onderzoek in het PBC. Ook is verdachte bereid om te voldoen aan alle voorwaarden van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Een levensdelict behoort tot de ernstigste misdrijven uit het wetboek van strafrecht.

Verdachte heeft het slachtoffer, zijn compagnon en vriend [slachtoffer], onverhoeds neergestoken, als gevolg waarvan deze is overleden.

Verdachte heeft hiermee [slachtoffer] het meest fundamentele recht, namelijk het recht om te leven, ontnomen.

Verdachte heeft met zijn handelen onpeilbaar verdriet en onherstelbaar leed toegebracht aan de familie en vrienden van het slachtoffer, waarbij de rechtbank in de eerste plaats denkt aan mevrouw [nabestaande], die haar man heeft verloren en aan de twee kinderen, aan wie hun vader is ontnomen.

Dit leed en de langdurige gevolgen zijn duidelijk gebleken uit de ter terechtzitting voorgehouden schriftelijke slachtofferverklaringen van [nabestaande].

Door een dergelijk ernstig delict worden bovendien in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen.

Uit een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een geweldsdelict.

De rechtbank zal verdachte - zoals reeds in paragraaf 5 overwogen - wegens ontoerekeningsvatbaarheid ontslaan van alle rechtsvervolging. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of aan verdachte een maatregel dient te worden opgelegd.

Gedragskundige rapportages

Aanvankelijk is getracht om, anders dan door observatie in een instelling als het PBC, over de geestvermogens en eventuele ziekelijke stoornissen van verdachte te laten rapporteren. Klinisch psycholoog M.H. de Groot en psychiater drs. R. Thomassen hebben op respectievelijk 14 december 2010 en 16 december 2010 gerapporteerd. Nu verdachte niets heeft willen verklaren met betrekking tot het ten laste gelegde feit zijn deze deskundigen niet tot een inhoudelijke beschouwing gekomen. Beide deskundigen adviseerden een plaatsing in het PBC, een advies dat de rechtbank heeft gevolgd.

Verdachte is vervolgens conform dat advies van 14 april 2011 tot 3 juni 2011 opgenomen in het PBC. Op 18 juli 2011 hebben J.H. van Renesse, psychiater, en P.E. Geurkink, psycholoog, rapport uitgebracht. Uit het rapport komt naar voren dat verdachte feitelijk heeft geweigerd om mee te werken aan het onderhavige onderzoek waardoor geen volledig psychiatrisch en psychologisch onderzoek kon plaatsvinden. Wel kon ten tijde van het onderzoek worden vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van een aanpassingsstoornis met een depressieve stemming als reactie op verschillende stressoren. Verdachtes psychische conditie ten tijde van het ten laste gelegde is toen echter volstrekt onduidelijk gebleven. Daarnaast was er onvoldoende zicht gekomen op andere factoren, waaronder verdachtesagressieregulatie, copingvaardigheden en relationele factoren zoals de interactie met het slachtoffer.

Nadat verdachte op de terechtzitting van 11 augustus 2011 een bekennende verklaring heeft afgelegd is op 15 oktober 2011 door M.H. de Groot, GZ-psycholoog, en op 18 oktober 2011 door drs. R. Thomassen, psychiater, aanvullend onderzoek gedaan. Deze psychiater en psycholoog zijn tot de volgende conclusies gekomen. Bij verdachte is en was sprake van een depressieve stoornis met psychotische kenmerken. De ernst van de depressieve stoornis is in de loop van het onderzoek langzamerhand aan het verminderen, maar de wanen die in het verleden zijn gevormd bestaan nog steeds.

Het delictrisico is verhoogd. Het ontstaan van een nieuwe depressieve periode is voorstelbaar, ook met psychotische kenmerken. Er zou opnieuw een situatie kunnen ontstaan waarin verdachte ervaart in zijn eer aangetast te worden en door stresserende omstandigheden tot een misdrijf komt. Voorts is risicoverhogend dat verdachte de Nederlandse taal niet beheerst en geen hulp zoekt voor zijn problemen. Een behandeling van de psychotische aspecten is complex en het resultaat hiervan is moeilijk in te schatten. Het advies is een terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen om de kans op herhaling zo laag mogelijk te houden. Een voorwaardelijk opgelegde maatregel van terbeschikkingstellingzou gezien het psychiatrische beeld en de complicerende factoren een te groot risico op delictrecidive geven.

Verdachte is vervolgens - op verzoek van zijn raadsman naar aanleiding van gerezen vragen - van 16 februari 2012 tot 5 april 2012 wederom ter observatie opgenomen in het PBC. Op 30 mei 2012 hebben P.K.J. Ronhaar, psychiater, en P.E. Geurkink, psycholoog, rapport uitgebracht.

In dit laatste rapport is het volgende geconcludeerd.

Er zijn geen doorslaggevende aanwijzingen gevonden voor een persoonlijkheidsstoornis bij verdachte. Door uiteenlopende omstandigheden moet gesproken worden van een verminderde draagkracht bij verdachte. Door de sterk toegenomen draaglast - echtscheiding en zakelijke problemen - bij een langdurig beperkte draagkracht raakte verdachte geleidelijk in een toestand van wantrouwen en paranoïdie, zodanig dat hij uiteindelijk in een paranoïde psychotische toestand raakte.

Het recidivegevaar hangt samen met het voorbestaan van de psychotische toestand, die in de vorm van waandenken tijdens de observatieperiode nog onverminderd aanwezig was. Het recidiverisico wordt - op de lange termijn - matig tot hoog geacht. Verdachte heeft geen ziektebesef en -inzicht. Voor anderen is niet of moeilijk aan verdachte af te lezen wat er in hem omgaat: ook in psychotische toestand geeft hij daar, vanwege de paranoïdie, niet gemakkelijk zicht op.

Om dit recidivegevaar afdoende te verminderen is behandeling van de psychotische toestand noodzakelijk. Antipsychotische medicatie zal hierbij een belangrijke factor zijn. Een behandeling moet samengaan met maatregelen, zoals taallessen, om terugkeer in de maatschappij te vergemakkelijken. Gezien de ernst van de psychiatrische toestand, het terbeschikkingstellingwaardige recidivegevaar, de verwachting dat de behandeling langer dan een jaar zal duren en de noodzaak het beloop lang te volgen, is de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis niet toereikend. Het advies is daarom de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Dwangverpleging is daarbij naar de overtuiging van deze rapporteurs niet noodzakelijk. Het recidivegevaar kan afdoende worden bestreden, wanneer een terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt opgelegd. Daarbij zal de op te leggen behandeling klinisch moeten starten.

Psychiater Ronhaar heeft ter terechtzitting nader verklaard dat moeilijk is in te schatten hoe lang de behandeling zal duren. Verdachte moet eerst klinisch worden ingesteld op medicatie en ziekte-inzicht moet worden gecreëerd, waardoor de waan kan worden doorbroken. Deze behandeling moet plaatsvinden in een forensisch-psychiatrische kliniek. Pas als de behandeling daadwerkelijk is ingezet zal kunnen blijken of verdachte medicatietrouw is en meewerkt, of de waan verbleekt en ziekte-inzicht optreedt. Mocht een en ander positief verlopen dan kan de behandeling een ambulant vervolg krijgen. Verdachte heeft zich laten zien als iemand die bereid is om te doen wat de behandelaars zeggen. Het grootste gevaar zit in de meer hechte relaties die verdachte zal aangaan.

De rechtbank acht zich door de aanwezige rapportages en de toelichting van psychiater Ronhaar voldoende voorgelicht. Voor het geven van een opdracht tot nadere (maatregel-)rapportage acht zij geen gronden aanwezig.

Maatregel

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen in de rapporten wordt geconcludeerd over het recidiverisico voldoende blijkt dat de veiligheid van anderen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank ziet zich dan voor de vraag gesteld of aan verdachte de door de officier van justitie gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd of dat met de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden kan worden volstaan.

Psychiater Ronhaar en psycholoog Geurkink achten het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden afdoende waarborg om verdachte te behandelen en het recidiverisico te verminderen. Bij aanvang van de maatregel is opname in een forensisch-psychiatrische kliniek aangewezen. Zoals uit de verklaring van psychiater Ronhaar ter zitting is gebleken, is de behandelperiode lastig in te schatten. Het verloop zal onder meer afhangen van de motivatie van verdachte, de impact van de medicatie op de wanen en de ontwikkeling van ziekte-inzicht.

Psychiater Thomassen en psycholoog De Groot concluderen dat de behandeling van de psychotische aspecten moeilijk te voorspellen is en dat, gelet op het gebrek aan ziektebesef en op het geheel aan complexe factoren, noodzakelijk is de psychiatrische behandeling door middel van dwangverpleging te laten plaatsvinden.

De rechtbank weegt in dit verband de volgende, uit de rapportages af te leiden, omstandigheden mee.

Verdachte heeft een beperkte draagkracht en enig ziekte-inzicht of -besef ontbreekt.

Voorts heeft verdachte geen sociaal netwerk, is hij minder begaafd en thans niet zelfredzaam. Denkbaar is dat verdachte op enig moment weer meer hechte relaties zal aangaan en door niet te voorziene omstandigheden opnieuw in een toestand van paranoïde psychose terechtkomt. Van essentiëel belang is daarbij - zoals door de verschillende deskundigen vastgesteld - dat het voor anderen niet of moeilijk aan verdachte af te lezen is wat er in hem omgaat en ook in psychotische toestand geeft hij daar, vanwege de paranoïdie, geen zicht op. Verdachte moet worden ingesteld op de juiste medicatie en dit zal tijd vergen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op hetgeen overigens in de rapportages is verhandeld, blijkt dat de geestesgesteldheid van verdachte van een niet te onderschatten complexiteit is en dat omtrent het behandelingsverloop moeilijk voorspellingen zijn te doen.

De rechtbank acht in het bijzonder van belang dat deze onvoorspelbare aspecten en de daaruit voortvloeiende risico's voldoende in de behandeling van verdachte kunnen en zullen worden betrokken.

Deze overwegingen brengen de rechtbank tot het oordeel dat in afwijking van het advies van het PBC van 30 mei 2012, een behandeling in het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden thans onvoldoende garanties voor de veiligheid van anderen biedt en de veiligheid van anderen de dwangverpleging van verdachte eist.,

Concluderend

Verdachte heeft een bijzonder ernstig delict gepleegd. Het risico op herhaling moet aan het einde van de op te leggen maatregel dan ook met voldoende zekerheid tot een aanvaardbaar niveau zijn teruggebracht. Daarbij mag geen zwaardere maatregel worden opgelegd dan voor dat doel noodzakelijk is.

Gelet op al het voorgaande en de adviezen van de deskundigen en de overige feiten en omstandigheden uit de rapportages en strafdossier afwegend, komt de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:

- 37a, 37b, 39 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

verklaart de verdachte niet strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van As voorzitter,

mrs. H.N. Pabbruwe en W.N.L. Donker rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Verkennis, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2012.

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het (deels) doorgenummerde proces-verbaal van de zaaksdossiers genaamd "POND, 01/POND en KILO-10" met het nummer 2010/138902, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier "POND", p. 18-24.

3 Verslag van een deskundige, te weten rapport "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood", zaaksdossier "POND", p. 101-114.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting van 11 augustus 2011.