Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8082

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
AWB 12-1415
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:660, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gegrond, taalanalyse, identiteit opsteller contra-expertise; afspraken COA en Taalstudio

Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2010, JV 2010, 241, volgt dat de enkele omstandigheid dat de identiteit van de opsteller van de contra-expertise vooralsnog niet uit de contra-expertise blijkt, niet als vanzelf meebrengt dat die opsteller niet kan worden beschouwd als onafhankelijk en deskundig. Waar het op aankomt is of controleerbaar is door wie en onder welke omstandigheden het onderzoek is verricht. Voorts volgt daaruit dat de aan die opsteller te stellen kwaliteitseisen vergen dat het een academisch opgeleide linguïst betreft met actuele kennis van de taal waarover hij/zij rapporteert, zijn/haar deskundigheid onafhankelijk en controleerbaar zijn, zijn/haar identiteit daartoe bij De Taalstudio bekend is en dat De Taalstudio bereid is desgevraagd het COA, dan wel de rechter, desnoods onder geheimhouding, de identiteit van de opsteller mede te delen. In de uitspraak van 8 maart 2012 heeft de Afdeling geoordeeld dat gelet artikel 17, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 17, vierde lid, Rva de eis van het COA dat De Taalstudio vooraf inzichtelijk maakt wie op welke wijze de contra-expertise zal verrichten, niet als onredelijk en onvoldoende gemotiveerd kan worden aangemerkt. In de voorliggende zaak is niet in geschil dat De Taalstudio en het COA onlangs tot overeenstemming zijn gekomen voor wat betreft het kenbaar maken van de identiteit van de contra-experts. Uitvoering van deze overeenkomst is nog niet bewerkstelligd en is mede afhankelijk van het aanleveren van gegevens door De Taalstudio. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat indien deze overeenkomst daadwerkelijk tot uitvoering komt, hiermee is voldaan aan het vereiste van voorafgaande bekendmaking van de identiteitsgegevens van de opsteller van de contra-expertise. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank evenwel onverlet dat in zaken waarin reeds beroep is ingesteld bij de rechtbank, de identiteit van de opsteller van de contra-expertise, onder toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, Awb, aan de rechtbank kan worden bekendgemaakt, zoals overwogen in de Afdelingsuitspraak van 16 april 2010. Naar het oordeel van de rechtbank is met het aanbod van De Taalstudio, bij brief van 12 december 2011, om de identiteitsgegevens van de contra-expert -en zo nodig andere in aanmerking komende bijzonderheden- aan de rechtbank bekend te maken, teneinde de deskundigheid en onafhankelijkheid van de contra-expert te controleren en te waarborgen, aan voormelde Afdelingsjurisprudentie voldaan. Nu verweerder dit niet heeft onderkend, ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering.

Wetsverwijzingen
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 12
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 3
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 9
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 12 / 1415

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 juni 2012

in de zaak van:

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers (COA),

verweerder.

1. Procesverloop

1.1 Bij brief van 28 november 2011 heeft eiseres aan verweerder verzocht om vergoeding van de kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise taalanalyse. Bij besluit van 19 december 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Op 13 januari 2011 heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 25 april 2012. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Eiseres heeft op 8 augustus 2009 een asielaanvraag ingediend. Eiseres stelt afkomstig te zijn uit Mogadishu. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) heeft vanwege gerezen twijfel aan de afkomst van eiseres, het Bureau Land en Taal (hierna: BLT) een taalanalyse laten uitvoeren. Volgens het rapport taalanalyse van 25 oktober 2011 is eiseres, anders dan zij heeft gesteld, weliswaar afkomstig uit Zuid-Somalië, maar het Somalisch van eiseres is niet specifiek te herleiden tot Mogadishu. Voorts is de informatie die de vreemdeling tijdens het taalanalysegesprek verstrekt heeft over haar herkomstgebied, beperkt en niet overtuigend. Verder is het zeer wel mogelijk dat de vreemdelinge behoort tot de Habargedir stam, zoals zij beweert.

2.2 Ingevolge artikel 17, eerste lid, Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g van deze regeling, die hij heeft gemaakt. Ingevolge artikel 17, tweede lid, Rva 2005 zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald. Voorts bepaalt het derde lid van voormeld artikel dat buitengewone kosten slechts worden betaald voor zover vooraf door het COA aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming. Het vierde lid bepaalt dat de toestemming, bedoeld in het derde lid, uitsluitend wordt verleend indien en voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.

2.3 Overeenkomstig de toelichting op artikel 17 Rva 2005 (Stcrt. 3 februari 2005, nr. 24, pag. 17) maakt een asielzoeker aanspraak op vergoeding van buitengewone kosten ingeval het gaat om kosten waarvan in redelijkheid geoordeeld kan worden dat zij noodzakelijk zijn. Het COA zal deze kosten in alle redelijkheid als buitengewoon moeten kunnen aanmerken.

2.4 In het bestreden besluit heeft verweerder zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de kosten die verbonden zijn aan het laten verrichten van een contra-expertise taalanalyse redelijkerwijs niet voor vergoeding als buitengewone kosten in aanmerking komen, nu op voorhand niet duidelijk is of de door eiseres via De Taalstudio in te schakelen contra-expert voldoende onafhankelijk en deskundig is. Het vooraf overleggen van de identiteitgegevens van de contra-expert is door De Taalstudio geweigerd. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat zij uit hoofde van de krachtens artikel 17 van de Rva 2005 aan haar toekomende beoordelingsvrijheid en de met deze zelfstandige beoordeling samenhangende voorafgaande toetsing, van eiseres kan verlangen dat de identiteitsgegevens van de door haar in te schakelen contra-expert aan verweerder bekend worden gemaakt. In dit kader wordt door verweerder verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 september 2010 (201002786/1/V1).

2.5 In het verweerschrift heeft verweerder daar nog aan toegevoegd dat ook uit de Afdelingsuitspraak van 8 maart 2012 volgt dat (citaat r.o. 2.2.1):

“nu artikel 17, derde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Rva 2005meebrengt dat het COa zich vooraf ervan dient te vergewissen dat de kosten voor het opstellen van de contra-expertise noodzakelijke kosten als bedoeld in het tweede lid van dat artikel zijn, kan de eis van het COa dat De Taalstudio vooraf inzichtelijk maakt wie op welke wijze de contra-expertise zal verrichten niet als onredelijk en onvoldoende gemotiveerd worden aangemerkt. Aldus kan door het COA vooraf worden geverifieerd of de opsteller van de contra-expertise, van wie de identiteit dan desgevraagd in beginsel aan het COA dient te worden bekendgemaakt, werkelijk onafhankelijk en deskundig is…”.

2.6 Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat De Taalstudio bij brief van 12 december 2011 heeft aangegeven bereid te zijn desgevraagd de rechter onder geheimhouding de identiteit van de opsteller mee te delen. De bestreden beschikking is hier onvoldoende op ingegaan. De tekst van artikel 17 Rva 2005 sluit toekenning van een contra-expertise onder voorwaarden niet uit. Bovendien is er onvoldoende grond om reeds op voorhand te twijfelen aan de deskundigheid en onafhankelijkheid van de contra-expert. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond aldus toegelicht dat zij zich primair op het standpunt stelt dat op grond van Afdelingsjurisprudentie ook achteraf door het COA kan worden geverifieerd of de opsteller van de contra-expertise onafhankelijk en deskundig is. Subsidiair heeft zij betoogd dat De Taalstudio zich uitdrukkelijk bereid heeft verklaard om de identiteit van de opsteller van de contra-expertise, onder toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank bekend te maken.

2.7 Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2010, JV 2010, 241, volgt dat de enkele omstandigheid dat de identiteit van de opsteller van de contra-expertise vooralsnog niet uit de contra-expertise blijkt, niet als vanzelf meebrengt dat die opsteller niet kan worden beschouwd als onafhankelijk en deskundig. Waar het op aankomt is of controleerbaar is door wie en onder welke omstandigheden het onderzoek is verricht. Voorts volgt daaruit dat de aan die opsteller te stellen kwaliteitseisen vergen dat het een academisch opgeleide linguïst betreft met actuele kennis van de taal waarover hij/zij rapporteert, zijn/haar deskundigheid onafhankelijk en controleerbaar zijn, zijn/haar identiteit daartoe bij De Taalstudio bekend is en dat De Taalstudio bereid is desgevraagd het COA, dan wel de rechter, desnoods onder geheimhouding, de identiteit van de opsteller mede te delen. In de uitspraak van 8 maart 2012 heeft de Afdeling geoordeeld dat gelet artikel 17, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 17, vierde lid, Rva de eis van het COA dat De Taalstudio vooraf inzichtelijk maakt wie op welke wijze de contra-expertise zal verrichten, niet als onredelijk en onvoldoende gemotiveerd kan worden aangemerkt. In de voorliggende zaak is niet in geschil dat De Taalstudio en het COA onlangs tot overeenstemming zijn gekomen voor wat betreft het kenbaar maken van de identiteit van de contra-experts. Uitvoering van deze overeenkomst is nog niet bewerkstelligd en is mede afhankelijk van het aanleveren van gegevens door De Taalstudio. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat indien deze overeenkomst daadwerkelijk tot uitvoering komt, hiermee is voldaan aan het vereiste van voorafgaande bekendmaking van de identiteitsgegevens van de opsteller van de contra-expertise. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank evenwel onverlet dat in zaken waarin reeds beroep is ingesteld bij de rechtbank, de identiteit van de opsteller van de contra-expertise, onder toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, Awb, aan de rechtbank kan worden bekendgemaakt, zoals overwogen in de Afdelingsuitspraak van 16 april 2010. Naar het oordeel van de rechtbank is met het aanbod van De Taalstudio, bij brief van 12 december 2011, om de identiteitsgegevens van de contra-expert -en zonodig andere in aanmerking komende bijzonderheden- aan de rechtbank bekend te maken, teneinde de deskundigheid en onafhankelijkheid van de contra-expert te controleren en te waarborgen, aan voormelde Afdelings- jurisprudentie voldaan. Nu verweerder dit niet heeft onderkend, ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering.

2.8 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dient om die reden te worden vernietigd.

2.9 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75 Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:.

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep en draagt verweerder op € 874,- te voldoen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2012.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.