Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7663

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
417447 - KG ZA 12-403
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Uitgangspunt is de bevoegdheid van de Minister op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) om te beslissen over de vraag of de tenuitvoerlegging van een in een andere EU-lidstaat uitgesproken strafvonnis door Nederland moet worden overgenomen. Noch aan de WOTS, noch aan het VOGP kan een recht op overbrenging worden ontleend en al evenmin een recht op overbrenging op grond van de omzettingsprocedure. Binnen het stelsel van het VOGP en de WOTS heeft de Minister voorts een ruime beleidsvrijheid bij de keuze tussen de omzettingsprocedure en de voortzettingsprocedure. De voorgenomen beleidswijziging, inhoudende dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging per 1 oktober 2011 binnen de Europese Unie de hoofdprocedure wordt is niet onrechtmatig. Aan de stelling van eiser dat hij erop mocht vertrouwen dat in zijn geval de omzettingsprocedure zou worden gevolgd, wordt voorbij gegaan. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn standpunt dat toepassing van de voortzettingsprocedure in zijn geval feitelijk tot een strafverzwaring zal leiden. Voor overbrenging naar Nederland met het oog op de voortzetting van de tenuitvoerlegging van zijn straf in Nederland is ingevolge artikel 43 lid 2 WOTS immers de instemming van eiser vereist. Zolang hij zich nog in België bevindt, staat het hem vrij om zijn verzoek tot overbrenging naar Nederland in te trekken, zodat hij zijn straf – al dan niet onder toepassing van voorwaardelijke invrijheidstelling na een derde van zijn straftijd – in België kan uitzitten. Van strijd met het VOGP is dus geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 417447 / KG ZA 12-403

Vonnis in kort geding van 27 april 2012

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in [verblijfplaats] te [gemeente] (België),

eiser,

advocaat mr. I.N. Weski te Rotterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Jusititie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. Het procesverloop

[eiser] heeft de Staat op 18 april 2012 doen dagvaarden om op 26 april 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 27 april 2012 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 26 april 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Bij arrest van 16 december 2004 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en betaling van een geldboete.

2.2. De Nederlandse Minister van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Minister') heeft in een brief van 27 juni 2011 aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32 500 VI, nr. 113) - voor zover hier van belang - het volgende meegedeeld:

"(....)

Per 1 oktober 2011 verandert het Nederlandse uitvoeringsbeleid met betrekking tot de overbrenging van gedetineerden naar Nederland in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS).

De WOTS geeft uitvoering aan onder andere het in het kader van de Raad van Europa gesloten verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 1983 (VOGP).

Procedures: omzetting en voortzetting

De WOTS en het VOGP kennen twee procedures: de omzettingsprocedure en de procedure voortgezette tenuitvoerlegging.

Bij de omzettingsprocedure zet een Nederlandse rechtbank de buitenlandse straf om naar Nederlandse maatstaven, wat er in voorkomende gevallen- vooral bij drugsdelicten - toe kan leiden dat de buitenlandse straf wordt verlaagd. De omzettingsprocedure is bij de totstandkoming van de WOTS aangemerkt als de procedure die de voorkeur van Nederland geniet.

Bij de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging wordt de buitenlandse straf in zijn geheel door Nederland overgenomen, zij het dat het Nederlandse wettelijke strafmaximum niet mag worden overschreden. Indien dit het geval is kan de straf slechts worden overgenomen als het land van veroordeling instemt met een aanpassing van de straf naar het Nederlandse strafmaximum. (...)

Veruit de meeste Nederlanders die in het buitenland zijn veroordeeld, zijn gedetineerd in een van de EU-landen. De meerderheid van deze landen is alleen bereid om veroordeelden naar Nederland over te brengen als Nederland de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging toepast. De achtergrond hiervan is de strafverlaging die veelal het gevolg is van toepassing van de omzettingsprocedure. Van de landen waar meerdere Nederlanders gedetineerd zijn, stemmen alleen België, Denemarken, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk in met de omzettingsprocedure. (...)

Binnen de EU verandert na 2012 de overbrenging van gevonniste personen geleidelijk door de implementatie van het kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2008. Dit kaderbesluit voorziet nog slechts in de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. (...)

Tegen de achtergrond van het voorgaande heb ik ervoor gekozen de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging binnen de Europese Unie tot hoofdprocedure te maken. (...)

Deze wijziging van de toepassing van het Nederlandse WOTS-uitvoeringsbeleid zal op 1 oktober 2011 ingaan binnen de EU. (...)".

Bij brief van 21 september 2011 heeft de Minister voormelde beleidswijziging aan de Belgische autoriteiten meegedeeld.

2.3. Op 19 september 2011 heeft [eiser] verzocht om te worden overgebracht naar Nederland om overeenkomstig het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) de tegen hem uitgesproken gevangenisstraf te ondergaan. De Belgische autoriteiten hebben de Minister bij brief van 12 oktober 2011 meegedeeld dat [eiser] wenst te worden overgebracht naar een Nederlandse gevangenis, dat het strafeinde is voorzien op 14 juli 2015 en dat [eiser] in aanmerking komt voor voorlopige invrijheidstelling (na een derde van zijn straf op 1 december 2012, na de helft van zijn straf op 14 juli 2013 en na twee derde van zijn straf op 15 maart 2014). Tevens is de Minister verzocht in te stemmen met de overbrenging van [eiser] naar Nederland.

2.4. Bij brief van 10 februari 2012 heeft de advocaat van [eiser] - voor zover hier van belang - het volgende aan de Minister meegedeeld:

"Hierbij wend ik mij nogmaals tot u naar aanleiding van uw keuze de voortzetttingsprocedure van art 43 WOTS toe te passen en de zaak voor advies naar het Hof te Arnhem te zenden, hoewel het onderliggende vonnis van voor 5 december 2011 is en überhaupt de WETS nog niet van kracht is en ex art 10 VOGP met de tenuitvoerlegging met de meest gunstige mogelijkheid van in vrijheidstelling en dus een VI van 1/3 zoals in dit geval van Belgie als veroordelend land en ongetwijfeld door de veroordelende rechter als achterliggende mogelijkheid in gedachten gehouden bij de onderliggende veroordeling.

(...)

Nederland blijkt in het voor het publiek volkomen stilte en eenzijdig haar beleid te hebben gewijzigd en per 1 oktober 2011 bij vonnissen uit EU lidstaten de voortgezette tenuitvoerlegging toe te willen passen en dus geen exequatur procedure meer mogelijk te maken, hoewel in relatie tot Belgie dat onder de WOTS, die nog steeds van kracht is, die exequaturprocedure wel degelijk gebruikelijk was en België immers geen land is/was dat een voortzetting van de straf eiste (...).

Een zeer opmerkelijke gedachte van uw ministerie lijkt thans te zijn om eenzijdig als het ware de straf te verhogen buiten hetgeen de buitenlandse rechter eventueel voor ogen had als daadwerkelijke executie van de daar op te leggen straf.

Zoals u weet, kent immers Belgie al VI na 1/3 e van de straf tenzij de rechter uitdrukkelijk bij vonnis in geval van wettelijke herhaling een VI eerst na minimaal 2/3 e van de straf bepaalt.

namens mij opgemelde client, wiens verzoek om in het kader van de WOTS naar Nederland te worden overgebracht, naar ik begreep thans bij u voor advisering voorligt en kennelijk eenzijdig van een vertrouwen in een exequaturprocedure is omgezet naar een voortzettingsprocedure en waarbij uw advies dus is gevraagd.

(...)

Ik verzoek u derhalve cliënt alsnog voor de overbrenging naar Nederland in het kader van de WOTS en wel in het kader van de exequaturprocedure, althans in het kader van een voortzetting, doch met een executie van een VI op een derde van de straf, in aanmerking te laten komen.

(...)".

De advocaat van [eiser] heeft op dezelfde datum een brief van gelijke strekking gezonden aan het gerechtshof te Arnhem.

2.5. Het gerechtshof te Arnhem heeft de Minister op 13 februari 2012 overeenkomstig artikel 43 lid 3 WOTS advies uitgebracht en geadviseerd de aanwijzing te geven dat de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf verder in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd. In deze beslissing is onder meer het volgende opgenomen:

"(...)

Het is tegen deze achtergrond dat de Minister er voor heeft gekozen om per 1 oktober 2011 de hoofdprocedure te wijzigen. Nu een reactie in andere zin van de Tweede Kamer is uitgebleven, dient er van te worden uitgegaan dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging van toepassing is.

(...)

9.- Naar aanleiding van de brief van de raadsvrouw van veroordeelde, mr. I.N. Weski, merkt het hof nog op dat op grond van de stukken niet zonder meer aannemelijk is geworden dat veroordeelde bij voortzetting van de tenuitvoerlegging in België zeker of met een meer of minder grote mate van waarschijnlijkheid na ommekomst van een derde deel van de straftijd in vrijheid zou zijn gesteld.

(...)".

2.6. De Minister heeft de Belgische autoriteiten bij brief van 14 maart 2012 meegedeeld dat hij instemt met het verzoek tot overbrenging naar Nederland van [eiser] en voorts dat daarbij de voortzettingsprocedure wordt gevolgd. Daarbij is aan de Belgische autoriteiten verzocht om een document met daarin omschreven de juridische gevolgen van overbrenging naar Nederland aan [eiser] te overhandigen. In dit document is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

"(...)

Het restant van het vonnis dat in het buitenland aan de gevangene is opgelegd zal worden ten uitvoer gelegd in overeenstemming met artikel 10 (voorgezette tenuitvoerlegging) van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983.

Naar Nederlands recht zal een veroordeelde in Nederland na het ondergaan van tweederde deel van de opgelegde straf voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld waarbij vrijlating geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van zijn proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. (...)".

2.7. Bij brief van 14 maart 2012 heeft de Minister - voor zover hier van belang - het volgende aan de advocaat van [eiser] meegedeeld:

"(...)

Per brief van heden heb ik aan de Belgische autoriteiten meegedeeld dat ik instem met het verzoek tot overbrenging. Na ontvangst van de formele instemming van de Belgische autoriteiten zal ik de officier van justitie verzoeken voor de feitelijke overbrenging zorg te dragen.

(...)

Bij brief van 27 juni jl. heb ik de Tweede Kamer der Staten-Generaal geïnformeerd dat mijn beleid met betrekking tot de WOTS en EU-landen per 1 oktober verandert. (...) Kort gezegd heb ik ervoor gekozen de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging binnen de Europese Unie tot hoofdprocedure te maken. (...) Bij de instemmingsbrief aan België is een document toegevoegd met het verzoek dit uit te reiken aan uw cliënt, met uitleg over de gevolgen van de voortgezette tenuitvoerlegging en de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Daarnaast wil ik u aangeven dat volgens mijn beleid de voorwaardelijke invrijheidstelling geldt, omdat op het moment van instemming verlof wordt verleend tot tenuitvoerlegging van het buitenlands vonnis in Nederland en op het moment van overbrenging de Nederlandse regelgeving voor de tenuitvoerlegging van toepassing zal zijn (waaronder het huidige art. 15 WvSR).

In dat licht bezien geldt voor uw cliënt de nieuwe regeling van invrijheidstelling.

Verder is op grond van de stukken niet zonder meer aannemelijk geworden dat uw cliënt bij voortzetting van de tenuitvoerlegging in België zeker of met een meer of minder grote mate van waarschijnlijkheid na ommekomst van een derde deel van de straftijd in vrijheid zou zijn gesteld. (...)".

2.8. Op 27 maart 2012 hebben de Belgische autoriteiten definitief ingestemd met overbrenging van [eiser] naar Nederland.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - na vermeerdering van eis - primair de Staat te bevelen de exequaturprocedure te volgen ten aanzien van zijn WOTS-verzoek en subsidiair de Staat te bevelen bij de tenuitvoerlegging van de straf van [eiser] de meest gunstige VI-regeling toe te passen en hem derhalve na een derde van de straftijd in vrijheid te stellen, alsmede - primair en subsidiair - de Staat te bevelen [eiser] binnen een week over te brengen naar Nederland.

3.2. Daartoe stelt [eiser] het volgende. De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser] door buiten de openbaarheid en vooruitlopend op een nog in behandeling zijnd wetsvoorstel (Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS)) zijn beleid per 1 oktober 2011 te wijzigen in die zin, dat bij strafvonnissen uit EU-lidstaten voortaan de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging zal worden gevolgd, terwijl de exequaturprocedure (omzettingsprocedure) in de relatie met België gebruikelijk was. [eiser] heeft er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwd dat in zijn situatie de exequaturprocedure gevolgd zou worden. Nu [eiser] in België na een derde van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, betekent het niet toepassen van de exequaturprocedure feitelijk een strafverzwaring, aangezien bij de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging geen rekening wordt gehouden met de daadwerkelijk te verwachten straftijd in België. Op grond van artikel 10 van het VOGP is de Staat aan dat strafmaximum gebonden. De bepalingen van het VOGP kunnen op grond van artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht niet eenzijdig door een beleidswijziging opzij worden gezet.

Ten slotte heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat er een termijn dient te worden verbonden aan zijn overbrenging, aangezien hij er belang bij heeft spoedig naar Nederland te worden gebracht.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven. [eiser] is in zijn vorderingen ook ontvankelijk, nu voor hetgeen hij wil bereiken een andere bijzondere rechtsgang ontbreekt.

4.2. Allereerst dient beoordeeld te worden of de Staat - zoals [eiser] heeft betoogd - onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door de bij brief van 27 juni 2011 aan de Tweede Kamer bekend gemaakte beleidswijziging, inhoudende dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging per 1 oktober 2011 binnen de Europese Unie de hoofdprocedure wordt. Uitgangspunt is de bevoegdheid van de Minister op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) om te beslissen over de vraag of de tenuitvoerlegging van een in een andere EU-lidstaat uitgesproken strafvonnis door Nederland moet worden overgenomen. Een overdracht of overname in het kader van het VOGP vindt plaats op basis van de vrijwillige medewerking van de betrokken lidstaten.

Noch aan de WOTS, noch aan het VOGP kan een recht op overbrenging worden ontleend en al evenmin een recht op overbrenging op grond van de omzettingsprocedure. Binnen het stelsel van het VOGP en de WOTS heeft de Minister voorts een ruime beleidsvrijheid bij de keuze tussen de omzettingsprocedure en de voortzettingsprocedure. Gelet op het voorgaande dient de burgerlijke rechter zich zeer terughoudend op te stellen in zijn toetsing van (de rechtmatigheid van) het beleid van de Minister. Dit geldt te meer voor de voorzieningenrechter in kort geding. Voor ingrijpen van de voorzieningenrechter is dan ook slechts plaats indien de beleidswijziging van de Minister onmiskenbaar onrechtmatig is. [eiser] heeft niet duidelijk kunnen maken waarom de grenzen van de ministeriële beleidsvrijheid zouden zijn overschreden bij de beleidswijziging die bij brief van 27 juni 2011 bekend is gemaakt. Nu die brief als kamerstuk en dus ook op internet is gepubliceerd, was de beleidswijziging ook voor [eiser] kenbaar. Toepassing van de voortzettingsprocedure is in relatie tot de meeste landen bovendien niet nieuw, zij het dat bij overbrenging uit België de omzettingsprocedure gebruikelijk was.

4.3. Vervolgens moet worden beoordeeld of de Staat onrechtmatig jegens [eiser] dreigt te handelen door conform het huidige beleid de voortzettingsprocedure in zijn situatie toe te passen. [eiser] heeft zich erop beroepen dat ten aanzien van gedetineerden in België, die een verzoek indienden om naar Nederland te worden overgebracht, altijd de omzettingsprocedure is toegepast en dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat dit in zijn geval ook zou gebeuren. Door toepassing van de voortzettingsprocedure zal in zijn geval feitelijk sprake zijn van een strafverzwaring, aldus [eiser]. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in dit standpunt. Voor overbrenging naar Nederland met het oog op de voortzetting van de tenuitvoerlegging van zijn straf in Nederland is ingevolge artikel 43 lid 2 WOTS immers de instemming van [eiser] vereist. Zolang hij zich nog in België bevindt, staat het [eiser] vrij om zijn verzoek tot overbrenging naar Nederland in te trekken, zodat hij zijn straf - al dan niet onder toepassing van voorwaardelijke invrijheidstelling na een derde van zijn straftijd - in België kan uitzitten. Van strijd met het VOGP is dus geen sprake.

4.4. Het gevorderde bevel aan de Staat om [eiser] binen een week naar Nederland over te brengen komt gelet op het voorgaande niet voor toewijzing in aanmerking.

4.5. Een en ander leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.391,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2012.

mvt