Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7346

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
04-06-2012
Zaaknummer
AWB 12/16361
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De herkomst van eiser uit Zuid-Somalië is niet in geschil. Voorts is niet in geschil dat de luchthaven waarvan verweerder gebruik wenst te maken is gelegen in Mogadishu en dat in Mogadishu (de luchthaven uitgezonderd) sprake is van een situatie, waarbij een persoon een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in art. 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn). Voorts heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld dat het niet mogelijk is om per vliegtuig door te reizen naar andere bestemmingen in Zuid- of Centraal-Somalië. Deze feiten en omstandigheden neemt de Rb. daarom bij haar beoordeling tot uitgangspunt. Nu kan worden aangenomen dat eiser niet per vliegtuig vanuit Mogadishu kan doorreizen, resteert de vraag of eiser met andere vervoersmiddelen (over land) op een voldoende veilige wijze vanaf de luchthaven in Mogadishu kan doorreizen naar zijn plaats van herkomst. Nu in Mogadishu sprake is van een situatie als bedoeld in art. 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn acht de Rb. niet aannemelijk geworden dat een dergelijke mogelijkheid bestaat. De Rb. is daarom van oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting van eiser. Gelet op het voorafgaande moet de bewaring, van aanvang af, onrechtmatig worden geacht. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/16361

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2012

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1984,

van Somalische nationaliteit,

verblijvende te Zaandam in de penitentiaire inrichting (detentieboot),

eiser,

gemachtigde mr. F.A.M. te Braake,

tegen

de minister van Immigratie, Integratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.A.M. Janssen.

<b>Procesverloop</b>

Op 12 mei 2012 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 16 mei 2012 heeft eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 29 mei 2012, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Eiser heeft – kort weergegeven – onder meer aangevoerd dat eiser afkomstig is uit ([plaats] in) Zuid-Somalië en er geen zicht op uitzetting naar Zuid-Somalië aanwezig is. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar uitspraken van deze rechtbank van 21 maart 2012, LJN BW0529, van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 15 maart 2012, LJN BV9018, alsmede naar door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij brief van 6 april aan verweerder gestelde vragen over de mogelijkheden van terugkeer naar Somalië.

3. Verweerder heeft ter zitting voor wat betreft de aanwezigheid van zicht op uitzetting naar Somalië gesteld dat de basis voor de uitzetting van eiser is te vinden in het tussen de Transitional Federative Government (TFG) en de Nederlandse autoriteiten gesloten Memorandum of Understanding (MoU). Dit MoU is nog steeds van kracht. Verweerder is voornemens uitzettingen naar Somalië te hervatten. Uitzetting zal plaatsvinden met een vlucht naar Nairobi en vervolgens met een vlucht van Nairobi naar Mogadishu. Vanuit Mogadishu zijn geen vluchten mogelijk naar andere luchthavens in Zuid- of Centraal-Somalië, maar eiser kan wel over land verder reizen. De laatste tijd hebben geen uitzettingen naar Somalië plaatsgevonden. Twee in april 2012 geplande uitzettingen naar Somalië hebben geen doorgang gevonden, nu niet aan de daaraan te stellen randvoorwaarden werd voldaan. Voor de komende tijd staan (nog) geen uitzettingen naar Somalië gepland.

4. De herkomst van eiser uit Zuid-Somalië is niet in geschil. Voorts is niet in geschil dat de luchthaven waarvan verweerder gebruik wenst te maken is gelegen in Mogadishu en dat in Mogadishu (de luchthaven uitgezonderd) sprake is van een situatie, waarbij een persoon een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn). Voorts heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld dat het niet mogelijk is om per vliegtuig door te reizen naar andere bestemmingen in Zuid- of Centraal-Somalië. Deze feiten en omstandigheden neemt de rechtbank daarom bij haar beoordeling tot uitgangspunt.

5. Nu kan worden aangenomen dat eiser niet per vliegtuig vanuit Mogadishu kan doorreizen, resteert de vraag of eiser met andere vervoersmiddelen (over land) op een voldoende veilige wijze vanaf de luchthaven in Mogadishu kan doorreizen naar zijn plaats van herkomst. Nu in Mogadishu sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat een dergelijke mogelijkheid bestaat. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting van eiser.

6. Gelet op het voorafgaande moet de bewaring, van aanvang af, onrechtmatig worden geacht. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking.

7. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

8. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 105,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 80,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

9. Nu de bewaring blijkens het voorgaande van aanvang af onrechtmatig is, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

10. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring zal eindigen, te weten 30 mei 2012, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser over de periode van 12 mei 2012 tot en met 29 mei 2012 schadevergoeding toekomt. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat eiser na drie dagen, op 15 mei 2012 is overgeplaatst vanuit een politiecel naar een huis van bewaring. In totaal bedraagt de schadevergoeding daarmee drie dagen maal € 105,00 en 14 dagen maal € 80,00 is in totaal € 1.435,00. De rechtbank ziet gelet op de aanleiding voor de gegrondverklaring van het beroep geen redenen om tot matiging van dit bedrag over te gaan.

11. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

12. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

13. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming op grond van artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 30 mei 2012;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 1.435,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als rechter in tegenwoordigheid van W.S. Hooijmans-Gottschalk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2012.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.435,00 (ZEGGE: VEERTIENHONDERDVIJFENDERTIG EURO)

Aldus gedaan op 30 mei 2012 door mr. T. van de Woestijne.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16613

2500 BC Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: