Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7198

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
AWB 12 / 14398 en 12 / 14444
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vreemdeling heeft op 20 maart 2012 een asielaanvraag ingediend en deze aanvraag heeft niet geleid tot een verblijfsvergunning. Bij besluit van 28 maart 2012 is deze aanvraag afgewezen. Nu voormeld besluit is aan te merken als een terugkeerbesluit en de vreemdeling niet aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting heeft voldaan, is sprake van een situatie als bedoeld in art. 62a, lid 1, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Dit betekent dat verweerder ten onrechte en in strijd met dit artikellid het thans bestreden terugkeerbesluit heeft genomen. Anders dan verweerder is de Rb. van oordeel dat het terugkeerbesluit van 27 april 2012 niet kan worden aangemerkt als een besluit tot wijziging van het terugkeerbesluit van 20 maart 2012. Immers was het beoogde rechtsgevolg al in het leven geroepen door het eerste besluit terwijl daaraan sindsdien geen einde was gekomen. Reeds hierom is het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit gegrond en zal de Rb. dit besluit vernietigen. Het terugkeerbesluit van 27 april 2012 bevat tevens een inreisverbod. De Rb. begrijpt verweerder aldus dat het inreisverbod strekt tot wijziging van de meeromvattende beschikking van 28 maart 2012. Omdat dat terugkeerbesluit nog niet rechtens onaantastbaar is geworden, heeft verweerder de bevoegdheid om dit te wijzigen op grond van art. 6:18 Awb. Nu de vreemdeling niet binnen de gegeven termijn gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit heeft verweerder daaraan hangende de procedure een inreisverbod mogen verbinden. Er is aldus sprake van een besluit waarmee de meeromvattende beschikking van 28 maart 2012 is gewijzigd. Dit besluit is evenwel niet rechtens onaantastbaar aangezien de vreemdeling hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van deze Rb. van 19 april 2012. Gelet op art. 6:24 Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, lid 1 en 6:19, lid 1 van de Awb, is de Rb. niet bevoegd om over het beroep tegen het inreisverbod te oordelen. Zij zal dit doorzenden aan de Afdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 14398 en AWB 12 / 14444

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2012 in de zaken tussen

[naam eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 april 2012 een terugkeerbesluit genomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder s, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en daarbij een inreisverbod opgelegd als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder t, van de Vw 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 12 / 14444.

Bij besluit van eveneens 27 april 2012 heeft verweerder eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Eiser heeft tegen dit besluit eveneens beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 12 / 14398. Ingevolge het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt dit beroep tevens een verzoek tot toekenning van schadevergoeding in.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Eiser is door middel van telehoren gehoord in het Detentiecentrum te Rotterdam, waar als tolk [naam tolk] aanwezig was. De gemachtigde van eiser was ter zitting in Roermond aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.F. Verhaegh.

Overwegingen

1. Eiser is volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] 1992 en van Afghaanse nationaliteit. Bij besluit van 28 maart 2012 is de asielaanvraag van eiser afgewezen. Het beroep daartegen is ongegrond verklaard bij uitspraak van 19 april 2012 van deze rechtbank, zittingplaats Middelburg (AWB 12/10671). Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

2. Naar aanleiding van het beroep tegen het terugkeerbesluit overweegt de rechtbank het volgende.

3. Ingevolge artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 stelt verweerder de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan.

4. Zoals uit het onderhavige dossier blijkt, heeft eiser op 20 maart 2012 een asielaanvraag ingediend en heeft deze aanvraag niet geleid tot een verblijfsvergunning.

Vast staat dat bij besluit van 28 maart 2012 de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen. Nu voormeld besluit is aan te merken als een terugkeerbesluit in de zin van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) en eiser niet aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting heeft voldaan, is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Dit betekent dat verweerder ten onrechte en in strijd met dit artikellid het thans bestreden terugkeerbesluit heeft genomen. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het terugkeerbesluit van 27 april 2012 niet kan worden aangemerkt als een besluit tot wijziging van het terugkeerbesluit van 20 maart 2012. Immers was het beoogde rechtsgevolg al in het leven geroepen door het eerste besluit terwijl daaraan sindsdien geen einde was gekomen.

Reeds hierom is het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit gegrond en zal de rechtbank dit besluit vernietigen.

5. Voorts stelt de rechtbank vast dat het terugkeerbesluit van 27 april 2012 tevens een inreisverbod bevat. De rechtbank overweegt over dat besluit als volgt.

6. In artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat verweerder een inreisverbod uitvaardigt tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of

b. niet uit eigen beweging binnen de daarvoor gestelde termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

7. De rechtbank begrijpt verweerder aldus dat het inreisverbod strekt tot wijziging van de meeromvattende beschikking van 28 maart 2012. Omdat dat terugkeerbesluit nog niet rechtens onaantastbaar is geworden, heeft verweerder de bevoegdheid om dit te wijzigen op grond van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu eiser niet binnen de gegeven termijn gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit heeft verweerder daaraan hangende de procedure een inreisverbod mogen verbinden. Er is aldus sprake van een besluit waarmee de meeromvattende beschikking van 28 maart 2012 is gewijzigd. Dit besluit is evenwel niet rechtens onaantastbaar aangezien eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank van 19 april 2012. Gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, is de rechtbank niet bevoegd om over het beroep tegen het inreisverbod te oordelen. Zij zal dit doorzenden aan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep gericht tegen het inreisverbod inhoudelijk te behandelen.

8. Ten aanzien van het beroep gericht tegen de maatregel van bewaring overweegt de rechtbank het volgende.

9. Eiser is op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld in het belang van de openbare orde aangezien er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan zijn verwijdering zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

10. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser:

- zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

- niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

11. Eiser heeft de gronden van zijn inbewaringstelling niet bestreden.

12. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling. Hiertoe heeft hij gesteld dat hij zich nimmer aan het toezicht heeft onttrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de gronden waarop de maatregel rust en de verklaring van eiser dat hij niet wil terugkeren en hij geen medewerking wil verlenen aan zijn vertrek, zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er een risico op onttrekking bestaat. Daarbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat eiser zonder opgaaf van reden twee keer (12 april 2012 en 18 april 2012) niet is verschenen bij een vertrekgesprek. Verweerder heeft dan ook niet hoeven volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling.

13. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting blijkt verder dat ten behoeve van eiser een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer voor Afghanistan is ingevuld. Op 1 mei 2012 is deze aanvraag doorgezonden naar de zogenoemde LP-kamer van de Dienst Terugkeer & Vertrek. Deze afdeling zal voor eiser een presentatie bij de Afghaanse autoriteiten regelen. Indien zijn Afghaanse nationaliteit zal worden vastgesteld en eiser te kennen geeft dat hij wil terugkeren, zullen de Afghaanse autoriteiten een laissez-passer afgeven. Indien eisers Afghaanse nationaliteit zal worden vastgesteld, maar hij verklaart niet te willen terugkeren, zal verweerder trachten eiser aan de hand van een

EU-Staat gedwongen uit te zetten. Hiertoe zal alsdan door de afdeling ‘bijzonder vertrek’ worden verzocht om een zogenoemde Kabulcheck uit te voeren, hetgeen betekent dat de Afghaanse autoriteiten wordt gevraagd of er bezwaren bestaan tegen de terugkeer van eiser. Indien de Afghaanse autoriteiten vervolgens niet binnen een termijn van één maand reageren, kan voor eiser een vlucht worden geboekt en kan hij met een EU-Staat worden verwijderd.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat thans niet kan worden gezegd dat er geen redelijk vooruitzicht is op de verwijdering van eiser of dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, noch ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van de maatregel onrechtmatig is. Derhalve acht de rechtbank het beroep ongegrond en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

15. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten ter zake van het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen in deze zaak worden 2 punten toegekend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. De totale proceskosten bedragen derhalve € 874,=. Nu er strikt genomen geen sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), ziet de rechtbank in de verknochtheid van de procedure tegen de bewaringsmaatregel en het terugkeerbesluit toch aanleiding om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb de proceskostenvergoeding te matigen tot 50%. Dit brengt met zich dat verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van

€ 437,=.

16. Nu niet is gebleken dat aan de gemachtigde van eiser ten behoeve van zaaknummer AWB 12 / 14196 een toevoeging is verstrekt, dient het bedrag aan proceskostenvergoeding aan eiser te worden betaald.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gericht tegen de maatregel van bewaring ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

verklaart het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit gegrond;

vernietigt het terugkeerbesluit in zoverre;

- verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep gericht tegen het inreisverbod;

- stuurt het beroep tegen het inreisverbod ter behandeling door aan de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State;

veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure bij de rechtbank ter zake van het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit, aan de zijde van eiser in totaal begroot op € 437,= (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser;

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2012.

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier w.g. mr. B.J. Zippelius,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 mei 2012

Rechtsmiddel

Voor zover de uitspraak is gericht tegen het terugkeerbesluit, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voor zover de uitspraak is gericht tegen de inbewaringstelling kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.