Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7056

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
AWB 12/2927 en 12/2934
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

ongeldigverklaring gehandicaptenparkeerkaart wegens misbruik

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2927 en 12/2934

uitspraak van 11 mei 2012 ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep van

[verzoekster], te [plaats],

(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: R.J. Baladien en S. Pex).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2012 heeft verweerder de aan verzoekster verstrekte Europese gehandicaptenparkeerkaart, met vervaldatum 11 november 2013, ongeldig verklaard voor de duur van de nog lopende geldigheid.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 10 januari 2012 bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij uitspraak van 6 februari 2012 (AWB 12/248) toegewezen.

Op 29 februari 2012 is verzoekster gehoord door de adviescommissie bezwaarschriften. Op 19 maart 2012 heeft deze commissie een advies uitgebracht aan verweerder. Bij besluit van 20 maart 2012 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 5 april 2012 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 12/2934. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 12/2927.

Het verzoek is op 10 mei 2012 ter zitting behandeld.

Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.B.B. Beelaard.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R.J. Baladien en S. Pex.

Overwegingen

1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

2 Ingevolge artikel 50 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) laat de houder van een gehandicaptenparkeerkaart van de kaart geen gebruik maken indien het parkeren niet rechtstreeks verband houdt met het vervoer van hemzelf, dan wel van het vervoer van gehandicapten die verblijven in de instelling waaraan de kaart is verstrekt.

Ingevolge artikel 53, eerste lid, aanhef en onder e, van het BABW, verliest een gehandicaptenparkeerkaart zijn geldigheid door ongeldigverklaring.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan het gezag dat de gehandicaptenparkeerkaart heeft afgegeven, de kaart ongeldig verklaren indien de houder van de kaart gebruik laat maken in strijd met artikel 50.

3 Verweerder heeft aan de ongeldigverklaring van de gehandicaptenparkeerkaart ten grondslag gelegd dat de zoon van verzoekster de gehandicaptenparkeerkaart op 18 december 2011 heeft gebruikt zonder dat dit rechtstreeks verband hield met het vervoer van verzoekster.

4 Verzoekster kan zich hiermee niet verenigen. Hiertoe heeft zij - samengevat - aangevoerd dat niet ieder misbruik dient te worden gevolgd door ongeldigverklaring van de gehandicaptenparkeerkaart. Verweerder dient de omstandigheden van het geval en het individuele belang van verzoekster in de belangenafweging te betrekken. Verzoekster verwijst hiertoe naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 7 mei 2008 (LJN BD2858). Voorts is de suggestie van verweerder dat het misbruik vaker is voorgekomen, niet onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden.

5 Verzoekster heeft ter zitting betwist dat aan verweerder de bevoegdheid toekwam om de gehandicaptenparkeerkaart ongeldig te verklaren. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de frase "gebruik laat maken" taalkundig gezien een actieve betrokkenheid inhoudt en niet ziet op een situatie waarin de kaarthouder geen weet heeft van het feit dat misbruik van de kaart wordt gemaakt. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de kaarthouder ook de verantwoordelijkheid heeft om te voorkomen dat een ander gebruik maakt van de kaart. Hierbij heeft verweerder er op gewezen dat misbruik van de kaart vaak geschiedt door personen die in een familierelatie tot de kaarthouder staan. De uitleg van verweerder sluit ook aan bij de taalkundige uitleg van "laten" volgens de Van Dale, namelijk "niet verhinderen dat iets of iemand in de genoemde positie of toestand blijft".

Verzoekster heeft, door haar gehandicaptenparkeerkaart al dan niet per ongeluk te laten liggen in een door haar zoon te gebruiken auto, niet voorkomen dat haar zoon op 18 december 2011 gebruik kon maken van de gehandicaptenparkeerkaart zonder dat dit rechtstreeks verband hield met het vervoer van verzoekster. Aldus is de aan verzoekster verstrekte gehandicaptenparkeerkaart gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 50 van het BABW en was verweerder in beginsel bevoegd om deze kaart ongeldig te verklaren.

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. In het bestreden besluit en ter zitting heeft verweerder voldoende gemotiveerd toegelicht dat het misbruik maken van gehandicaptenparkeerkaarten leidt tot een probleem voor degenen die daadwerkelijk recht hebben op een gehandicaptenparkeerplaats. Gelet op de schaarste aan gehandicaptenparkeerplaatsen en het intensieve gebruik door een steeds groter wordende groep van rechthebbenden is het algemeen belang gediend bij het vrijhouden van deze parkeerplaatsen voor rechthebbenden. Verweerder erkent dat verzoekster de kaart nodig heeft vanwege haar handicap en dat de ongeldigverklaring daarvan voor haar een zware straf is. De houder van een gehandicaptenparkeerkaart heeft echter per definitie een aantoonbare loopbeperking en het innemen van de kaart zal dus altijd gevolgen hebben voor de mobiliteit van betrokkene. In dit opzicht verschilt verzoekster niet van andere houders van een gehandicaptenparkeerkaart. Hierbij heeft verweerder betrokken dat verzoekster op de hoogte had moeten zijn van het feit dat de houder van een gehandicaptenparkeerkaart geen gebruik mag (laten) maken, indien het parkeren niet rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de houder. Gelet hierop prevaleert het algemeen belang in deze situatie, aldus verweerder.

Nu verzoekster voorts geen andere belangen heeft gesteld dan haar mobiliteit, heeft verweerder mogen besluiten de gehandicaptenparkeerkaart ongeldig te verklaren.

Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat verweerder ter zitting heeft bevestigd dat verzoekster een nieuwe aanvraag kan indienen en dat binnen een relatief korte termijn van 8 weken een nieuwe kaart kan worden verstrekt indien nog steeds aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart wordt voldaan. Het beroep op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 7 mei 2008 (LJN BD2858) faalt, nu daarin er van uitgegaan werd dat de sanctie van ongeldigverklaring zou gelden voor de gehele resterende looptijd van de parkeerkaart.

6 Nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, verklaart de voorzieningenrechter het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb ongegrond. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep ongegrond.

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. I. Goud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.