Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7035

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/5322, AWB 11/5324, AWB 11/5325, AWB 11/5327 en AWB 11/5328
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd aan exploitant coffeeshop. Nieuw feit. Schending administratieplicht. Omkering bewijslast. Winstcorrecties berusten op redelijke schattingen. Beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. Vermindering vergrijpboetes omdat de grondslag van de boetes is vastgesteld met toepassing van omkering van de bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1875
FutD 2012-1492
NTFR 2012/2070 met annotatie van mr. D.N.N. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/5322, AWB 11/5324, AWB 11/5325, AWB 11/5327 en

AWB 11/5328

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 mei 2012 in de zaken tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Aan eiser zijn de volgende navorderingsaanslagen opgelegd (hierna: de navorderingsaanslagen):

- een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2004, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.553;

- een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2005, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.275;

- een navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet over het jaar 2005, berekend naar een inkomen voor de Ziekenfondswet van € 21.050;

- een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2006, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 134.066;

- een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2007, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 131.660;

- een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over 2007, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 30.623.

Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zijn bij beschikking vergrijpboeten op gelegd. Elk van de vergrijpboeten bedraagt € 16.000 (hierna: de boetebeschikkingen).

Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de heffingsrentebeschikkingen).

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 24 mei 2011 de navorderingsaanslagen en de boete- en heffingsrentebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 23 juni 2011, ontvangen bij de rechtbank op 27 juni 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2012.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [A], [B] en tevens tot bijstand vergezeld door [C]. Namens verweerder zijn verschenen [D], [E], [F] en [G].

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2. Eiser exploiteert samen met een medevennoot een coffeeshop in de vorm van een vennootschap onder firma. Naast softdrugs worden er koffie, thee, frisdranken en versnaperingen verkocht.

3. Op 4 maart 2009 hebben twee controleambtenaren van de Belastingdienst een bedrijfsbezoek aan de coffeeshop gebracht. Door de medevennoot is toen een vragenlijst ingevuld. Bij brief van 2 april 2009 heeft verweerder aangekondigd dat een boekenonderzoek zal worden ingesteld bij de coffeeshop. Het boekenonderzoek is gestart op 26 mei 2009. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2004 tot en met 2008, de aangiften premie Ziekenfondswet over de jaren 2004 en 2005 en de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2008. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 12 oktober 2010, waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort.

4. Op grond van de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) en heeft hij de navorderingsaanslagen opgelegd en de boete- en heffingsrentebeschikkingen gegeven. De navorderingsaanslagen zijn gebaseerd op de volgende correcties.

2004

- een correctie van de winst van € 89.119

- een correctie van de zelfstandigenaftrek van € 1.851

2005

- een correctie van de winst van € 78.201

- een correctie van de zelfstandigenaftrek van € 2.357

2006

- een correctie van de winst van € 111.189

- een correctie van de zelfstandigenaftrek van € 2.497

2007

- een correctie van de winst van € 131.461

- een correctie van de zelfstandigenaftrek van € 2.537

- een correctie van de MKB-winstvrijstelling van € 13.400 negatief

Geschil

5. In geschil is of de navorderingsaanslagen, de boete- en heffingsrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Voorts is tussen partijen in geschil of verweerder heeft voldaan aan zijn verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen.

6. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. Ingeval de rechtbank van oordeel is dat kan worden nagevorderd, stelt eiser zich subsidiair op het standpunt dat hij heeft voldaan aan zijn administratie- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 52 Awr. Verweerder heeft daarom ten onrechte het bepaalde in artikel 25, derde lid, van de Awr, toegepast (hierna: de omkering van de bewijslast). Bovendien is er sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, omdat na het bedrijfsbezoek van 4 maart 2009 geen opmerkingen over de administratie zijn gemaakt. Meer subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de correcties van verweerder niet zijn gebaseerd op een redelijke schatting. Hierbij doet eiser voor wat betreft de door verweerder vastgestelde brutowinstmarges een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser is verder van mening dat de boetes dienen te vervallen omdat verweerder (voorwaardelijk) opzet niet aannemelijk heeft gemaakt. Ten slotte stelt eiser dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

7. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging dan wel vermindering van de belastingaanslagen en vernietiging van de boetebeschikkingen.

8. Verweerder stelt dat alle stukken van het geding zijn overgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een ambtelijk verzuim en, zo daarvan wel sprake is, er niettemin kan worden nagevorderd omdat eiser te kwader trouw is. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet heeft voldaan aan zijn administratie- en bewaarplicht, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, aldus verweerder. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is volgens verweerder geen sprake. Verweerder stelt zich ten slotte op het standpunt dat de boetes terecht zijn opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Stukken van het geding

10. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:42 Awb is verweerder gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe te zenden. Verweerder stelt dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiser stelt dat het door verweerder overgelegde dossier incompleet is. Hij voert daartoe aan dat uit de eerste pagina van de vragenlijst van de Belastingdienst, welke lijst tijdens het bedrijfsbezoek op 4 maart 2009 is ingevuld, blijkt dat verweerder de coffeeshop ook in juli 2008 heeft bezocht. Volgens eiser moet hiervan een verslag zijn opgemaakt, welk verslag niet door verweerder is overgelegd.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, tegenover de betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van verweerder ter zitting, dat de coffeeshop in juli 2008 niet door (een) medewerker(s) van verweerder is bezocht. Eiser heeft een document overgelegd dat, naar eiser stelt, een bladzijde van de op 4 maart 2009 ingevulde vragenlijst is. Eiser heeft deze stelling echter, tegenover de betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt. Anders dan de bladzijden van de vragenlijst is het overgelegde document niet genummerd. Ook wat betreft lay-out verschilt het overgelegde document van de vragenlijst. Het overgelegde document zit niet bij de door verweerder overgelegde kopie van de vragenlijst. De tekst op het overgelegde document, waarnaar eiser verwijst, vermeldt niet het jaar waarin het bezoek aan de coffeeshop zou hebben plaatsgevonden. De tekst kan dus ook betrekking hebben op een ander jaar. Gelet op dit een en ander is niet aannemelijk geworden dat verweerder de coffeeshop in juli 2008 heeft bezocht.

Nieuw feit

12. Op grond van artikel 16, eerste lid, Awr is navordering van te weinig geheven belasting toegestaan indien - voor zover hier van belang - enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, vormt een zogenoemd ambtelijk verzuim en kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

13. Voor zijn stelling dat sprake is van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat, heeft eiser het volgende aangevoerd. In 2004 en 2005 heeft eveneens een boekenonderzoek plaatsgevonden. De bevindingen van dat boekenonderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 juli 2005. In het licht van de bevindingen van dit eerdere boekenonderzoek was verweerder met betrekking tot de onderhavige aangiften gehouden tot nader onderzoek. Voorts had verweerder aan de hand van de aangiften kunnen vaststellen dat het brutowinstpercentage tussen 50 en 60 percent ligt. Dat is onder het landelijke gemiddelde. Ook om die reden was verweerder gehouden tot nader onderzoek. Tenslotte heeft verweerder de (primitieve) aanslagen voor 2007 opgelegd nadat het boekenonderzoek was aangekondigd. Verweerder had met het opleggen van de primitieve aanslagen voor 2007 moeten wachten totdat hij beschikte over de uitkomsten van het boekenonderzoek Het reeds daarvóór opleggen van de primitieve aanslagen voor 2007 vormt een ambtelijk verzuim.

14. Het is vaste jurisprudentie dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Daartoe is hij pas gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.

15. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat verweerder op grond van de bevindingen uit een eerder boekenonderzoek, welk boekenonderzoek geen betrekking heeft op de onderhavige jaren, in redelijkheid behoorde te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in de aangiften voor de onderhavige jaren. Het enkele feit dat in het verleden onregelmatigheden zijn geconstateerd, brengt niet mee dat voortaan iedere aangifte van eiser aan een nadere controle dient te worden onderworpen.

16. De rechtbank verwerpt voorts het betoog van eiser dat uit de aangiften blijkt dat het brutowinstpercentage in de onderhavige jaren beneden het landelijk gemiddelde ligt en dat verweerder daarom was gehouden tot nader onderzoek. Zoals hiervoor is vermeld, kan de inspecteur in de regel volstaan door met normale zorgvuldigheid kennis te nemen van de aangifte. De enkele omstandigheid dat het brutowinstpercentage lager ligt dan het landelijk gemiddelde, levert niet een zodanig sterk vermoeden voor de onjuistheid van de aangifte op dat het nalaten van een nader onderzoek op dit punt als een ambtelijk verzuim moet worden aangemerkt. Een lager brutowinstpercentage kan immers vele oorzaken hebben en behoeft niet noodzakelijkerwijs voort te vloeien uit een ondeugdelijke administratie of een onjuiste verantwoording van de omzet.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er met betrekking tot de navorderingsaanslagen over de jaren 2004, 2005 en 2006 sprake is van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. De rechtbank acht aannemelijk dat verweerder in redelijkheid niet hoefde te twijfelen aan de in de aangiften voor die jaren vermelde gegevens en zodoende niet gehouden was tot nader onderzoek. Voor de jaren 2004, 2005 en 2006 is dan ook voldaan aan het vereiste van een nieuw feit. Dat geldt evenwel niet voor de navorderingsaanslagen over 2007. Bij dit laatste oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

18. De aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor het jaar 2007 zijn door de Belastingdienst ontvangen op 11 maart 2009 en zijn op 23 maart 2009 op geautomatiseerde wijze verwerkt. De dagtekening van de aanslagen is 9 april 2009. Zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft verklaard, waren er op het moment van verwerking al voorbereidende handelingen verricht voor het boekenonderzoek. Verweerder wijst daarbij op het feit dat de coffeeshop reeds op 4 maart 2009 door controleambtenaren is bezocht en dat naar aanleiding daarvan is besloten een boekenonderzoek in te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in deze omstandigheden besloten dat verweerder reeds vóór het opleggen van de aanslagen zodanig twijfelde aan de juistheid van de aangiften dat hij het nodig vond een onderzoek in te stellen. Nu verweerder de aanslagen voor 2007 desalniettemin heeft opgelegd zonder de uitkomst van dat boekenonderzoek af te wachten, hetgeen hij gezien de aanslagtermijn zonder bezwaar had kunnen doen, vormt dit een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat (vgl. HR 4 oktober 2002, nr. 37.401, LJN: AE8368; HR 4 oktober 2002, nr. 37.403, LJN AE8369 en HR 23 september 2005, nr. 38.811, LJN: AR6477). Dat de aanslagen op geautomatiseerde wijze zijn vastgesteld en dus niet berusten op een welbewuste standpuntbepaling van de inspecteur is in dit verband, anders dan verweerder kennelijk meent, niet relevant.

19. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval geen nieuw feit nodig is om te kunnen navorderen. Volgens verweerder is eiser namelijk te kwader trouw. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat naar aanleiding van een eerder boekenonderzoek met dagtekening 13 juli 2005 aan eiser een waarschuwingsbrief is uitgereikt, omdat de administratie niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Eiser wist daarom, althans kon daarom weten dat door de wijze waarop hij zijn administratie voerde, er een aanmerkelijke kans was dat te weinig belasting zou worden betaald. Voorts heeft verweerder gewezen op het feit dat de boeten zijn gebaseerd op (voorwaardelijk) opzet. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

20. Een belastingplichtige is te kwader trouw indien hij de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen onthoudt of opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt (vgl. Hoge Raad 11 juni 1997, nr. 32.299, LJN: AA2160). Ook indien er sprake is van voorwaardelijk opzet, dat wil zeggen dat de belastingplichtige door de inspecteur de juiste inlichtingen te onthouden of onjuiste inlichtingen te verstrekken zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn inkomen tot een te laag bedrag in de primitieve aanslag zou worden begrepen, moet worden geoordeeld dat hij te kwader trouw was (vgl. Hoge Raad 14 juni 2000, nr. 35.263, LJN: AA6204).

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser te kwader trouw is. De enkele stelling dat eiser wist dat er een aanmerkelijke kans was dat te weinig belasting zou worden voldaan, is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft niet gesteld dat eiser hem (voorwaardelijk) opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of hem onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Dat verweerder de door hem opgelegde vergrijpboeten heeft gebaseerd op (voorwaardelijk) opzet, is zonder nader bewijs, hetwelk ontbreekt, evenmin voldoende om te kunnen oordelen dat eiser te kwader trouw in de zin van artikel 16, eerste lid , Awr is.

22. Nu de rechtbank heeft geconcludeerd dat voor het jaar 2007 een nieuw feit ontbreekt en verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser te kwader trouw is, dienen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2007, de navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor 2007, de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en de voor het jaar 2007 opgelegde boetebeschikking te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.

Administratie- en bewaarplicht

23. Ingevolge artikel 52, eerste lid, Awr zijn administratieplichtigen gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit blijken.

24. In artikel 52, derde lid, Awr is bepaald dat tot de administratie behoort hetgeen ingevolge andere belastingwetten wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt.

25. Verweerder stelt en eiser betwist dat de door eiser in de jaren 2004, 2005, 2006 en 2007 gevoerde administratie niet voldoet aan de even genoemde wettelijke bepalingen (hierna gezamenlijk te noemen: de fiscale administratieplicht) en dat de tekortkomingen van de administratie van eiser in deze jaren dermate ernstig zijn dat de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast dient te worden toegepast.

26. Voor een onderneming als de onderhavige die, naar tussen partijen niet in geschil is, veel contante ontvangsten en uitgaven heeft, is naar het oordeel van de rechtbank een goede kasadministratie van essentieel belang. Ter zitting heeft de medevennoot desgevraagd verklaard dat er geen kasadministratie werd bijgehouden. Aan het eind van de dag werd de eindvoorraad softdrugs vastgesteld en genoteerd in een Excel bestand. Een kascontrole werd niet uitgevoerd. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank reeds om die reden niet voldaan aan zijn administratieplicht als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Awr. Hetgeen verweerder overigens heeft aangevoerd voor zijn stelling dat de administratie niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, behoeft daarom geen bespreking.

27. Eiser heeft in dit verband een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat tijdens het bedrijfsbezoek van 4 maart 2009 de administratie is beoordeeld. Aan de omstandigheid dat er naar aanleiding van deze beoordeling over de administratie geen opmerkingen zijn gemaakt, heeft eiser het vertrouwen ontleend en redelijkerwijs kunnen ontlenen dat verweerder instemde met de wijze waarop eiser zijn administratie voerde.

28.Verweerder heeft de stelling van eiser dat bij het bezoek op 4 maart 2009 de administratie is beoordeeld, gemotiveerd weersproken. Dan rust op eiser de last om zijn stelling aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Uit de door eiser overgelegde vragenlijst blijkt niet dat de administratie (inhoudelijk) is beoordeeld. Dat kan evenmin worden afgeleid uit de brief van de Belastingdienst van 20 maart 2006 waarin wordt aangekondigd dat de coffeeshop mogelijk binnenkort zal worden bezocht door medewerkers van de Belastingdienst. In deze brief, die overigens geen betrekking heeft op het bezoek van 4 maart 2009, wordt voor zover hier van belang het volgende vermeld:

"Dit bezoek heeft ten doel een indruk te krijgen van uw onderneming. Daartoe kan bijvoorbeeld worden nagegaan:

- welke personeelsleden in en voor uw onderneming werkzaam zijn;

- beoordelen of u voldoet aan uw verplichtingen inzake het registreren van inkoop, verkoop en opbrengsten;

- of u voldoet aan uw verplichtingen met betrekking tot de administratie en aan uw verplichtingen als werkgever."

Uit de brief kan, anders dan eiser betoogt, niet worden afgeleid dat bij een bezoek als het onderhavige altijd wordt beoordeeld of aan de administratieplicht is voldaan. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het bezoek op 4 maart 2009 de administratie is beoordeeld, faalt reeds daarom zijn beroep op het vertrouwensbeginsel.

Omkering bewijslast

29. Aangezien eiser niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht wordt ingevolge het bepaalde in artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de Awr de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit brengt mee dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Eiser dient daarom overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Zij overweegt daartoe het volgende.

30. Eiser heeft gesteld dat bij de berekening van de winstcorrecties is uitgegaan van te hoge verkoopprijzen voor de softdrugs. Verweerder kon dit weten omdat tijdens een eerder boekenonderzoek door een controlemedewerker op 25 november 2004 de verkoopprijzen van de softdrugs zijn genoteerd. Volgens eiser is verweerder bij de berekening van de winstcorrecties voor 2004 en 2005 ten onrechte niet uitgegaan van die verkoopprijzen. Voorts heeft eiser aangevoerd dat de verkoopprijzen pas in 2009 zijn gestegen en dat tot 2009 kwantumkorting werd verleend. Ook daarmee heeft verweerder bij de berekening van de winstcorrecties ten onrechte geen rekening gehouden, aldus eiser. Als bewijs heeft eiser schriftelijke verklaringen van klanten overgelegd.

31.Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het controlerapport dat bij de berekening van de winstcorrecties voor de jaren 2004 en 2005, in tegenstelling tot wat eiser meent, wel is uitgegaan van de verkoopprijzen die de controlemedewerker in 2004 heeft genoteerd. In zoverre is het betoog van eiser derhalve onjuist. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser niet overtuigend heeft aangetoond dat de verkoopprijzen pas in 2009 zijn gestegen en dat tot 2009 kwantumkorting werd verleend. De schriftelijke verklaringen van de klanten zijn daartoe onvoldoende. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de verklaringen zijn afgelegd medio 2011 en dus tweeënhalf jaar na de door eiser gestelde prijswijzigingen. Eiser heeft in zijn beroepschrift het aanbod gedaan om de klanten als getuigen te laten horen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard de klanten alleen als getuigen te willen laten horen om hen hun schriftelijke verklaringen te laten bevestigen en indien de rechtbank daaraan behoefte heeft. Nu de rechtbank daaraan geen behoefte heeft, gaat zij aan het getuigenaanbod voorbij.

32. Eiser heeft voorts gesteld dat bij de berekening van de drankomzet onvoldoende rekening is gehouden met weggegeven koffie en thee en dat ten onrechte is uitgegaan van tien gram koffie per kopje, aangezien in de coffeeshop twaalf gram koffie per kopje wordt gebruikt. Verder stelt eiser dat de omzet van versnaperingen wel is verantwoord. De winst is daarom ten onrechte gecorrigeerd met de opbrengsten van de versnaperingen. Eiser heeft deze stellingen echter niet met bewijs onderbouwd.

33. Eiser heeft verder gesteld dat hij geen negatief netto privévermogen heeft. Verweerder zou bij zijn vermogensvergelijking ten onrechte geen rekening hebben gehouden met het beginvermogen van eiser en met de onderlinge rekening-courantverhouding tussen eiser en de medevennoot. Ook heeft verweerder geen rekening gehouden met de door eiser ontvangen kinderbijslag. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, ook al zou er geen sprake zijn van een negatief netto privévermogen, daaruit niet volgt dat de aangegeven winst ten onrechte is gecorrigeerd. Immers, ook indien er sprake is van een positief netto privévermogen kan een te lage winst zijn aangegeven.

34. Met hetgeen hij heeft gesteld en de stukken die hij heeft overgelegd, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

Redelijke schatting

35. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de door hem aangebrachte winstcorrecties berusten op redelijke schattingen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

36.Met betrekking tot de opbrengsten uit de softdrugs is verweerder voor wat betreft de beginvoorraad en de ingekochte en verkochte hoeveelheden uitgegaan van de administratie van eiser. Aan de hand van de verkoopprijzen per gram zoals aangegeven in de verkoopstaten van eiser uit 2005 heeft verweerder het brutowinstpercentage voor 2004 en 2005 berekend op 110 percent van de inkoopprijzen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze aannames alleszins redelijk. De rechtbank merkt hierbij nog op dat in het controlerapport wordt vermeld dat de verkoopprijzen zoals aangegeven in de verkoopstaten uit 2005 overeenstemmen met de door een controlemedewerker op 25 november 2004 genoteerde verkoopprijzen van de coffeeshop. Dit brengt mee dat de verkoopprijzen in 2004 niet, althans niet wezenlijk, afwijken van de verkoopprijzen in 2005. Voorts is het redelijk dat verweerder voor 2006 van een minstens even hoog brutowinstpercentage is uitgegaan. Met hetgeen dienaangaande in het controlerapport is vermeld en verweerder overigens niet, althans onvoldoende, weersproken heeft aangevoerd, moet er op 1 september 2005 - het moment waarop eiser een inkoopadministratie is gaan bijhouden - een beginvoorraad softdrugs zijn geweest van 27.859 gram. In aanmerking genomen dat in 2006 een deel van deze beginvoorraad met winst is verkocht, berust ook verweerders berekening van de opbrengsten uit softdrugs voor 2006 op redelijke schattingen.

37. De correctie van de opbrengsten uit de verkoop van dranken is gebaseerd op inkoopgegevens die zijn opgevraagd bij de leveranciers van de coffeeshop. Aan de hand van deze gegevens en de door eiser gehanteerde verkoopprijzen heeft verweerder de theoretische drankomzet berekend. Vervolgens heeft verweerder hierop een correctie toegepast van 30 percent voor weggegeven koffie en thee en 15 percent voor weggegeven frisdranken. Wat betreft de koffieomzet is verweerder uitgegaan van 10 gram koffie per kopje. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aannames waarop de berekening van de opbrengsten uit de verkoop van dranken berust, alleszins redelijk. Hetzelfde geldt voor de correctie van € 1000 per jaar voor verkochte versnaperingen.

Beroep op het gelijkheidsbeginsel

38. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiser is het vast beleid van de Belastingdienst om voor coffeeshops uit te gaan van een brutowinstpercentage van 100 percent. Eiser stelt zich daarom op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat verweerder in zijn geval is uitgegaan van hogere brutowinstpercentages. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Daarbij overweegt zij het volgende.

39. Eiser heeft, tegenover de betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst het door eiser gestelde beleid hanteert. Uit de enkele stelling van eiser dat in de praktijk coffeeshops met een brutowinstpercentage van minstens 100 percent niet worden gecontroleerd en dat coffeeshops met een lager brutowinstpercentage wel worden gecontroleerd, wat daar overigens van zij, volgt niet dat de Belastingdienst het beleid hanteert om ook bij het opleggen van een belastingaanslag uit te gaan van een brutowinstpercentage van 100 percent. Ook uit de door eiser genoemde jurisprudentie blijkt niet van een dergelijk beleid. De rechtbank hecht geloof aan de opmerking op pagina 17 van het controlerapport dat landelijk gezien een brutowinstpercentage van minimaal 100 percent gebruikelijk is en ook aan de opmerking op pagina 22 van het controlerapport dat in de bij de Belastingdienst bekende branche-informatie brutowinstpercentages worden genoemd van 100 tot 150 percent en zelfs hoger.

Vergrijpboetes

40. Ingevolge artikel 67e, eerste lid, Awr, kan aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan diens opzet of grove schuld is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Verweerder heeft de vergrijpboetes opgelegd omdat het naar zijn mening te wijten is aan opzet van eiser dat de primitieve aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld.

41. Het is aan verweerder om het opzet van eiser aannemelijk te maken. Verweerder heeft dienaangaande gesteld dat eiser bij een eerdere controle uitdrukkelijk is gewezen op zijn verplichtingen ingevolge artikel 52 Awr. Door het desalniettemin blijven voeren van een gebrekkige administratie, wist of had eiser moeten weten dat hij onjuiste aangiftes deed, waardoor te weinig belasting zou worden geheven.

42. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, door zijn aangiften te baseren op een ondeugdelijke administratie, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze aangiften onjuist waren en ertoe leidden dat te weinig belasting werd geheven. Aldus is sprake van (voorwaardelijke) opzet. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser naar aanleiding van een eerdere controle is gewezen op het belang van een deugdelijke administratie en op de gebreken die destijds in zijn administratie zijn geconstateerd. Voorts zijn aan eiser naar aanleiding van die eerdere controle waarschuwingsbrieven uitgereikt waarin hij wordt gewezen op zijn administratie- en bewaarplicht. Een kopie van deze waarschuwingsbrieven en van het controlerapport dat is opgemaakt naar aanleiding van die eerdere controle zijn aan de rechtbank overgelegd. Eiser was derhalve voldoende op de hoogte van het belang van het voeren van een deugdelijke administratie. De vergrijpboetes zijn terecht opgelegd.

43. Naar volgt uit het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst legt de Belastingdienst in geval van opzet een boete van 50 percent van de boetegrondslag op. Omdat in dit geval vergrijpboetes van 50 percent absoluut gezien zeer hoog zouden zijn, heeft verweerder de vergrijpboetes al bij de vaststelling van de boetebeschikkingen beperkt tot een bedrag van € 16.000 per jaar. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de grondslag van de boetes is vastgesteld met toepassing van omkering van de bewijslast aanleiding om de boetes verder te matigen met 10 percent, derhalve tot € 14.400 per jaar. Andere feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om de boetes te matigen zijn gesteld noch gebleken.

Heffingsrente

44. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, ziet de rechtbank geen aanleiding de in rekening gebrachte heffingsrente verder te verlagen dan volgt uit de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de navorderingsaanslagen.

Slotsom

45. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen, dienen de beroepen inzake de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007, de navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2007 en de daarbij gegeven boete- en heffingsrentebeschikkingen gegrond te worden verklaard, dienen de beroepen inzake de overige navorderingsaanslagen ongegrond te worden verklaard en dienen de beroepen in de zaken met nummers 11/5322, 11/5324 en 11/5327 gegrond te worden verklaard voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen.

Proceskosten

46. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.310 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

47. Aan eiser is voor de zaken met nummers 11/5322, 11/5324, 11/5327 en 11/5328 wegens samenhang slechts één maal griffierecht in rekening gebracht. Daarnaast is griffierecht in rekening gebracht voor de zaak met nummer 11/5325.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep in de zaak met nummer 11/5325 ongegrond;

- verklaart het beroep in de zaak met nummer 11/5328 gegrond;

- verklaart de beroepen in de zaken met nummers 11/5322, 11/5324 en 11/5327 gegrond doch uitsluitend voor zover zij de boetebeschikkingen betreffen;

- verklaart de beroepen in de zaken met nummers 11/5322, 11/5324 en 11/5327 voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2007 en de navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2007, alsmede de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikkingen;

- vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2007 en de navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2007, alsmede de boetebeschikking en de heffingsrentebeschikkingen betreffende het jaar 2007;

- vermindert de boetes over de jaren 2004, 2005 en 2006 tot € 14.400 per jaar;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.310, te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 82 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, voorzitter, mr. G.J. Ebbeling en

mr.drs. M.H. van Schaik, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.