Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW6980

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
AWB 10/32974 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat tijdens de gehoren van eiser gebruik is gemaakt van niet beëdigde tolken. De rechtbank stelt vast dat verweerder van deze afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv eerst in het bestreden besluit schriftelijk en met redenen omkleed melding heeft gemaakt, nadat eiser hierover in zijn zienswijze van 10 augustus 2010 heeft geklaagd. Gelet op de duidelijke bewoordingen van het voorschrift van artikel 28, vierde lid, van de Wbtv en de hiervoor (zie rechtsoverweging 3.4) aangehaalde doelstelling van dit voorschrift, mag van verweerder worden verlangd dat hij een afwijking van de in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv opgenomen afnameplicht zo spoedig mogelijk, en derhalve niet eerst in het bestreden besluit nadat daarover geklaagd is, met redenen omkleed schriftelijk vastlegt. Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat de betrokken tolken een verklaring omtrent het gedrag, dan wel een integriteitsverklaring hebben overgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting ook geen antwoord kunnen geven op de vraag of aan dit vereiste is voldaan. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder het voorschrift van artikel 28, vierde lid, van de Wbtv heeft geschonden. Beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/32974 BEPTDN

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[eiser], V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1979 en de Guinese nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 2 december 2009 tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft tegen dit besluit op 21 september 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brieven van 7 augustus 2010 en 7 april 2011 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld. Op 15 september 2011 heeft eiser een aanvullend beroepschrift ingediend.

Verweerder heeft op 15 april 2011 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2012. Eiser is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Noordeloos. Tevens was ter zitting aanwezig A. Diaby, tolk Sousou.

Overwegingen

1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - samengevat - aangevoerd dat hij zijn thuisland is ontvlucht nadat hij gevangen was genomen wegens vermeende betrokkenheid bij een politieke beweging die de (toenmalige) president niet gunstig was gezind.

2 Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat aan het asielrelaas van eiser geen geloof kan worden gehecht nu het positieve overtuigingskracht ontbeert.

3.1 Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) dient de Immigratie- en Naturalisatiedienst uitsluitend gebruik te maken van beëdigde tolken of vertalers.

3.2 Ingevolge artikel 28, derde lid, van de Wbtv kan, voor zover thans van belang, in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat.

3.3 Ingevolge artikel 28, vierde lid, van de Wbtv wordt een afwijking van het eerste of tweede lid met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd. Ingeval geen sprake is van spoedeisende inzet van een tolk, dient deze voorafgaand aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag dan wel een integriteitsverklaring over te leggen. Indien het vanwege de spoedeisendheid niet mogelijk is voorafgaand aan de inzet een verklaring omtrent het gedrag over te leggen, geschiedt dit na de inzet.

3.4 Uit de Memorie van Toelichting bij de Wbtv (Kamerstukken II 2004/2005, 29 936, nr. 3) volgt, voor zover thans van belang, het volgende. Het waarborgen van de kwaliteit en de integriteit van tolken vormt een belangrijk onderdeel van de Wbtv. Binnen het Nederlandse rechtsbestel spelen de tolken en vertalers een onmisbare rol. De beslissingen die genomen worden in zaken waarbij een tolk of vertaler betrokken is, zijn doorgaans (deels) gebaseerd op het werk van een tolk. Indien de kwaliteit of de integriteit van de tolk onvoldoende gewaarborgd is, kan dit ongewenste gevolgen hebben voor de beslissingen die op hun werk gebaseerd zijn. Het is van groot belang dat binnen de vreemdelingenketen enkel gebruik wordt gemaakt van gerechtstolken en beëdigd vertalers waarvan de kwaliteit en integriteit gewaarborgd is. Om dit te waarborgen is in artikel 28, eerste lid, een afnameplicht neergelegd. De in artikel 28, vierde lid, neergelegde verplichting om indien (op grond van artikel 28, derde lid) geen gebruik wordt gemaakt van een gerechtstolk of beëdigd vertaler dit voorzien van een motivering schriftelijk vast te leggen, biedt enerzijds een waarborg dat zorgvuldig met voormelde plicht wordt omgegaan en biedt voorts in het vervolg van de procedure duidelijkheid wie als tolk heeft gefungeerd.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

4.1 Namens eiser is bij schrijven van 7 april 2011 en ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 31 januari 2012 (LJN BV2899), betoogd dat het beroep gegrond moet worden verklaard, omdat verweerder niet heeft voldaan aan voornoemde vereisten van artikel 28 van de Wbtv.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verwezen naar het bestreden besluit waarin is overwogen dat in het register geen tolk in Sousou of Pular is opgenomen, zodat het niet mogelijk was een tolk uit het register te gebruiken. Daarnaast is in het bestreden besluit overwogen dat uit de verslagen van de gehoren niet is gebleken dat de communicatie tussen de tolken en eiser problemen heeft gegeven. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat hij niet weet of de betrokken tolken een verklaring omtrent het gedrag dan wel een integriteitsverklaring hebben overgelegd.

4.2 Niet in geschil is dat tijdens de gehoren van eiser gebruik is gemaakt van niet beëdigde tolken. De rechtbank stelt vast dat verweerder van deze afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv eerst in het bestreden besluit schriftelijk en met redenen omkleed melding heeft gemaakt, nadat eiser hierover in zijn zienswijze van 10 augustus 2010 heeft geklaagd. Gelet op de duidelijke bewoordingen van het voorschrift van artikel 28, vierde lid, van de Wbtv en de hiervoor (zie rechtsoverweging 3.4) aangehaalde doelstelling van dit voorschrift, mag van verweerder worden verlangd dat hij een afwijking van de in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv opgenomen afnameplicht zo spoedig mogelijk, en derhalve niet eerst in het bestreden besluit nadat daarover geklaagd is, met redenen omkleed schriftelijk vastlegt. Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat de betrokken tolken een verklaring omtrent het gedrag, dan wel een integriteitsverklaring hebben overgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting ook geen antwoord kunnen geven op de vraag of aan dit vereiste is voldaan. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder het voorschrift van artikel 28, vierde lid, van de Wbtv heeft geschonden.

5 Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens schending van artikel 28, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv. De overige beroepsgronden behoeven bij deze stand van zaken geen (verdere) bespreking.

6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (waarbij wordt uitgegaan van 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit van 26 augustus 2010;

3 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.F. Wagter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).