Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW6841

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
397436 - HA ZA 11-1919
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige rechtspraak en/of onrechtmatige detentie (art. 6 en 5 evrm). De tuchtrechter heeft, nadat de strafprocedure reeds was geëindigd, geoordeeld dat de conclusies in twee van de in die strafprocedure gebruikte deskundigenrapporten niet deugdelijk waren onderbouwd. Vraag of de veroordeelde ten onrechte tbs met dwangverpleging heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 397436 / HA ZA 11-1919

Vonnis van 16 mei 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. L.M. Ravestijn te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A. Th.M. ten Broeke te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 juni 2011;

- de akte overlegging producties van de zijde van [eiser] (met 5 producties);

- de conclusie van antwoord (met 21 producties);

- het tussenvonnis van 5 oktober 2011, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,

- het proces-verbaal van comparitie van 3 januari 2012.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Eiser] is bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 8 mei 2003 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan tien voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van een bijzonder voorwaarde, onder meer inhoudend dat [eiser] zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem gegeven door of namens de reclassering, hetgeen mede kan inhouden dat hij een klinische behandeling moet ondergaan in de Forensische Psychiatrische Kliniek te Assen of een soortgelijke instelling.

2.2. De rechtbank heeft de opgelegde maatregel gebaseerd op het advies van de psychiater [A.] en de psycholoog [B.]. In het vonnis is met betrekking tot hun advies onder meer opgenomen:

“Als hij zich niet laat behandelen is het recidivegevaar groot. Er wordt geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat hij zich klinisch laat behandelen binnen een forensische setting en dan bij voorkeur binnen groepsverband. De psycholoog komt tot dezelfde conclusies als de psychiater. Na eerst een TBS met voorwaarden te hebben geadviseerd zijn beide deskundigen tot eerder genoemd advies gekomen, omdat niet te verwachten valt dat verdachte zal instemmen met een TBS met voorwaarden.”

[A.] en [B.] hebben geconstateerd dat de ten laste gelegde feiten in (licht) verminderde mate aan [eiser] kunnen worden toegerekend. Dat oordeel is door de rechtbank overgenomen.

2.3. Bij arrest van 2 november 2004 heeft het gerechtshof Leeuwarden [eiser] veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging). Ter motivering van zijn oordeel dat aan [eiser] tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd, heeft het hof verwezen naar passages uit twee nieuwe deskundigenrapporten, beide van 8 maart 2004, van psychiater en psychoanalyticus [C.] en forensisch psycholoog [D.]. Deze rapporten waren opgemaakt met het oog op de vordering van de advocaat-generaal tot tbs met dwangverpleging. Het hof overweegt :

“Nu gebleken is dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond dat in zaak A onder 1, 2 en 5 en in zaak C onder 2 ten laste gelegde feiten hem slechts in een verminderde mate kunnen worden toegerekend, deze bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en, ook naar oordeel van het hof, groot recidivegevaar aanwezig is, is het hof – met de advocaat-generaal – van oordeel dat in het onderhavige geval een terbeschikkingstelling is aangewezen. Het hof zal verdachte derhalve naast voormelde gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen en bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die verpleging eist.”

2.4. [Eiser] heeft op 3 november 2004 beroep in cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest. In cassatie is de oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging niet aan de orde gesteld.

2.5. [Eiser] heeft op 7 december 2004 een klacht ingediend tegen [C.] bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondsheidszorg te Groningen (hierna: RTG) en op 19 april 2005 tegen [D.].

2.6. Op 18 april 2006 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Leeuwarden gedeeltelijk vernietigd, omdat het hof – volgens de Hoge Raad ten onrechte – twee tenlastegelegde feiten bewezen achtte op de verklaring van één getuige, en de zaak terugverwezen naar het hof Leeuwarden.

2.7. Op 18 mei 2006 is de tbs met dwangverpleging voor [eiser] aangevangen.

2.8. Op 24 augustus 2006 heeft het hof in zijn arrest na verwijzing in cassatie [eiser] vrijgesproken van de twee desbetreffende feiten, daarbij oordelend in deze vrijspraak geen aanleiding te zien om de reeds opgelegde straf anders te bepalen.

2.9. Op 20 november 2006 heeft het RTG de klacht tegen [D.] gegrond verklaard en de maatregel van berisping opgelegd. [D.] heeft tegen de beslissing beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege. Op 13 januari 2009 heeft dit college de beslissing van het RTC overwegend in stand gelaten.

2.10. Op 12 februari 2008 heeft [Y.] waar [eiser] verbleef een positief advies tot verlenging van de tbs uitgebracht. De Oostvaarderskliniek heeft daarin onder meer opgenomen:

“Gezien het tot op heden uitblijven van significant behandelresultaat wordt ingeschat dat het recidiverisico niet afwijkt van de situatie voorafgaand aan de tbs. Hiermee is sprake van een onaanvaardbaar hoog (specifiek) recidiverisico op de korte tot middellange termijn.

Het ontvluchtingsgevaar wordt binnen de huidige intramurale kaders ingeschat als laag. Gezien de persoonlijkheidsstructuur van – en de moeizame samenwerking met betrokkene, waarin een basis van overeenstemming ontbreekt, wordt het vluchtgevaar binnen een hypothetische extramurale situatie ingeschat als onaanvaardbaar hoog.”

2.11. Op 15 april 2008 is de klacht tegen [C.] door het RTG gegrond verklaard en de maatregel van berisping opgelegd. Het is partijen niet bekend dat [C.] beroep heeft ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege.

2.12. Op 22 april 2008 heeft de rechtbank Leeuwarden in een beslissing naar aanleiding van het verlengingsverzoek geoordeeld dat nu [Y.] haar advies mede had gebaseerd op de eerdere – ter discussie staande – rapporten, er onvoldoende duidelijkheid bestond over de geestelijke gesteldheid van [eiser] en het gevaar voor recidive en heeft zij een onderzoek door het Pieter Baan Centrum (PBC) gelast.

2.13. Bij beslissing van 16 december 2008 heeft de rechtbank Leeuwarden alsnog tot verlenging van de tbs besloten voor de duur van twee jaar. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen het advies van [Y.], alsmede de verklaring van de behandelaar van [eiser].

2.14. In de tussenbeslissing van 2 juni 2009 heeft het gerechtshof Arnhem het volgende overwogen:

“De rechtbank te Leeuwarden heeft in het kader van de verlengingsprocedure beslist dat betrokkene voor het doen opmaken van een multidisciplinaire rapportage moest worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum. Betrokkene heeft echter niet meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum. Het hof betreurt dit. Als gevolg van de door het Medisch Tuchtcollege vastgestelde gebreken in de pro justitia rapportages in 2004 en door de niet-meewerkende houding van betrokkene in [Y.], is het hof van mening dat thans nog te veel onduidelijkheid bestaat over de diagnostiek en het delictgevaar van betrokkene om te kunnen oordelen over de eventuele verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene. Voor de vorming van zijn eindoordeel acht het hof het noodzakelijk dat meer duidelijkheid wordt verkregen omtrent de diagnostiek en het delictgevaar van betrokkene. Mede gelet op het feit dat betrokkene zich ter zitting ten overstaan van het hof bereid heeft verklaard thans wel te zullen meewerken aan een nader onafhankelijk onderzoek, acht het hof het aangewezen dat nader gedragskundig onderzoek wordt verricht door na te noemen deskundigen.”

2.15. Naar aanleiding van voormelde beslissing hebben de deskundigen [F.], psychiater, en [E.], psycholoog, een nieuw rapport uitgebracht over [eiser]. Beiden hebben vastgesteld dat bij [eiser] weliswaar een persoonlijkheidsstoornis aanwezig is, maar dat het recidivegevaar laag tot matig moet worden ingeschat.

2.16. Bij tussenbeslissing van 1 december 2009 heeft het hof Arnhem de tbs-maatregel verlengd voor de duur van twee jaar. Het hof overweegt dat het, gelet op de aard en ernst van de indexdelicten in verband met de thans door de deskundigen geconstateerde mate van delictgevaar en gelet op het gegeven, dat feitelijk van behandeling nog niet echt sprake is geweest door de opstelling van [eiser], beëindiging van de maatregel nog niet aan de orde acht. Het hof overweegt echter ook dat het, gezien de inhoud van de rapporten, de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging overweegt en houdt met het oog daarop en in afwachting van nadere inlichtingen van de Stichting Reclassering Nederland de beslissing daarover aan.

2.17. Bij beslissing van 12 april 2010 heeft het hof Arnhem de verpleging van overheidswege onder voorwaarden beëindigd.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- een verklaring voor recht dat de Staat jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld wegens het tenuitvoerleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, nu de beslissing daartoe (de gegeven last tot ter beschikking stelling) op ondeugdelijke en/of gebrekkige wijze tot stand is gekomen;

- veroordeling van de Staat tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 149.625,- met rente en kosten.

3.2. [Eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij ten onrechte de tbs-maatregel met dwangverpleging heeft moeten ondergaan. [eiser] voert daartoe aan dat de beslissing van het hof om deze maatregel aan hem op te leggen op ondeugdelijke en/of gebrekkige wijze tot stand is gekomen. [eiser] wijst in dat verband op de tuchtrechtelijke veroordelingen van de twee rapporteurs op wiens rapport de hem opgelegde maatregel is gebaseerd en – ter comparitie – op de twee latere rapporten van [F.] en [E.]. De vordering vindt volgens [eiser] zijn grondslag in onrechtmatig handelen door de Staat wegens schending van de artikelen 5 of 6 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden). [eiser] heeft hierdoor schade geleden. Voor de vaststelling van zijn schade heeft hij aansluiting gezocht bij het forfaitaire bedrag bij schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming ad € 80,- per dag. Nu het hier gaat om het ten onrechte opleggen van de maatregel van tbs stelt [eiser] zijn schade op € 105,- x 1425 dagen.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank onderscheidt in het betoog van [eiser] een tweetal grondslagen. In de eerste plaats stelt [eiser] dat sprake is van onrechtmatige rechtspraak; in de tweede plaats dat sprake is van onrechtmatige detentie.

Onrechtmatige rechtspraak

4.2. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatige rechtspraak hanteert de Hoge Raad het aan art. 6 EVRM refererende criterium dat bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, en tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan.

4.3. Het betoog van [eiser] komt er in dit verband op neer dat vanwege het feit dat het hof bij zijn beslissing tot tbs met dwangverpleging gebruik heeft gemaakt van – naar achteraf door de tuchtrechter is vastgesteld – de gebrekkige rapportages van [C.] en [D.], niet langer van een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak kan worden gesproken.

4.4. Dit betoog slaagt niet. [eiser] heeft immers bij de mondelinge behandeling van zijn zaak gelegenheid gehad om inhoudelijk in te gaan op de rapporten, hetgeen, blijkens het proces-verbaal van die zitting op 19 oktober 2004 ook is gebeurd. Zowel [eiser] als zijn advocaat hebben zich, zij het summier, over de rapporten en de vordering tot het opleggen van de gevorderde tbs met dwangverpleging uitgelaten. Aangezien tegen de beslissing van het hof vervolgens het rechtsmiddel van cassatie heeft open gestaan, waarvan [eiser] ook gebruik heeft gemaakt, zonder echter te klagen over de tbs-maatregel, is [eiser] in voldoende mate in de gelegenheid geweest om zich over de rapporten uit te laten. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve bij de totstandkoming van de beslissing tot het opleggen van de tbs met dwangverpleging geen sprake geweest van veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen, zoals onder meer hoor en wederhoor. Het feit dat achteraf is komen vast te staan dat vraagtekens zijn te plaatsen bij de deugdelijkheid van de rapporten, brengt daarin geen verandering. De rechtbank verwerpt dan ook het betoog van [eiser] dat sprake is van onrechtmatige rechtspraak.

Onrechtmatige detentie

4.5. Vervolgens ligt ter beoordeling voor of de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door, zoals [eiser] betoogt, in strijd met het bepaalde in artikel 5 EVRM hem de tbs-maatregel met dwangverpleging te laten ondergaan.

4.6. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat [eiser] aan zijn vordering niet ten grondslag heeft gelegd dat hij gevangenisstraf heeft moeten ondergaan in verband met de door hem begane strafbare feiten, maar dat hem daarenboven een maatregel is opgelegd: het bevel tot tbs met dwangverpleging. Nu de gevangenisstraf en de maatregel gelijktijdig zijn opgelegd en [eiser] vanaf 18 mei 2006 in een tbs-kliniek is geplaatst, valt de beslissing tot het opleggen van deze maatregel zowel onder het bereik van art. 5 lid 1, sub a, EVRM als onder het bereik van art. 5 lid 1, sub e, EVRM, dat voor zover van belang luidt als volgt:

“Everyone has the right to liberty and security of person. No one shall be deprived of his liberty save in the following cases and in accordance with a procedure prescribed by law:

(a) the lawful detention of a person after conviction by a competent court; …

(e) the lawful detention … of persons of unsound mind …”

4.7. Op grond van deze bepaling geldt dat de door het hof aan [eiser] opgelegde tbs-maatregel in overeenstemming is met art. 5, lid 1, EVRM, wanneer deze in accordance with a procedure prescribed by law is en wanneer deze lawful (rechtmatig) is. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) betekent dit dat de detentie moet zijn toegestaan door het nationale recht en dat dit nationale recht zelf lawful moet zijn. Omdat het daarbij gaat om de interpretatie en toepassing van nationaal recht kan slechts marginaal worden getoetst op kennelijke rechtsdwalingen of willekeur. Van rechtmatige detentie is volgens diezelfde rechtspraak geen sprake wanneer de vrijheidsbeneming als kennelijk arbitrair moet worden beschouwd. (EHRM 24 oktober 1980, NJ 1980, 114, par. 39, 45-46, Winterwerp tegen Nederland). Op grond van het eerste lid, sub a, geldt voorts als bijzondere vereiste dat de vrijheidsbeneming (tbs-maatregel) berust op een veroordeling door een daartoe bevoegd gerecht. Op grond van het eerste lid, sub e, zijn in de jurisprudentie van het EHRM voorts de volgende bijzondere vereisten ontwikkeld (EHRM 28 mei 1985, NJ 1991, 623):

“37. The Court, in its previous case-law, has stated three minimum conditions which have to be satisfied in order for there to be “the lawful detention of a person of unsound mind” within the meaning of Art. 5 para. 1 (e): except in emergency cases, a true mental disorder must be established before a competent authority on the basis of objective medical expertise; the mental disorder must be of a kind or degree warranting compulsory confinement; and the validity of continued confinement depends upon the persistence of such a disorder (see, inter alia, the Winterwerp judgment of 24 October 1979, NJ 1980, 114, para. 39). The Court’s task in verifying the fulfilment of these conditions is limited to reviewing under the Convention the decisions taken by the national authorities (see, inter alia, the X v. the United Kingdom judgment of 5 November 1981, Series A no. 46, p. 20, para. 43 in fine).

Tegen de achtergrond van dit toetsingskader overweegt de rechtbank het volgende.

4.8. De rechtbank begrijpt het betoog van [eiser] aldus dat niet is voldaan aan de bijzondere vereisten van art. 5, lid 1, sub e EVRM, dat sprake moet zijn van a true mental disorder … on the basis of objective medical expertise die moet zijn of a kind or degree warranting compulsory confinement, omdat de conclusies van [C.] en [D.] over de aanwezigheid van een geestelijke stoornis en over recidivegevaar, naar de tuchtrechter heeft vastgesteld, op gebrekkige wijze zijn onderbouwd.

4.9. De rechtbank stelt vast dat uit de enkele omstandigheid dat de conclusies omtrent de aanwezigheid van een stoornis en het recidivegevaar niet deugdelijk zijn onderbouwd, niet noodzakelijkerwijs volgt dat deze conclusies onjuist zijn. Voor zover [eiser] derhalve betoogt dat reeds door de beslissing van de tuchtrechter dat de conclusies in de rapporten van [C.] en [D.] op gebrekkige wijze tot stand zijn gekomen, de grondslag voor de beslissing van het hof om hem tbs met dwangverpleging op te leggen is komen te vervallen en daarmee het onrechtmatig karakter van de detentie gegeven is, wordt dat verworpen. Voor de vaststelling of sprake is van onrechtmatige detentie gaat het er om of al dan niet aan de minimumvoorwaarden van art. 5, lid 1, is voldaan, zoals hierboven uiteengezet. Onderzocht moet derhalve worden of – uitgaande van de juistheid van de beslissingen van de tuchtrechter – er voldoende grond was om de detentie (tbs met dwangverpleging) te rechtvaardigen. Daarbij geldt dat het er niet om gaat of het hof anders had kúnnen beslissen, maar of deze anders had móeten beslissen.

4.10. Uit de zes rapporten die in de strafprocedure en verlengingsprocedure zijn opgemaakt, volgt dat zowel de vier rapporten die het hof heeft ingezien (van [A.], [B.], [C.] en [D.]), als de twee rapporten van later datum ([F.] en [E.]) een psychische stoornis bij [eiser] hebben aangenomen. Vast staat daarmee dat is voldaan aan het ten deze toepasselijke vereiste dat op grond van objective medical expertise sprake is van een unsound mind.

4.11. De vraag rijst echter of voldaan is aan het vereiste dat the mental disorder must be of a kind or degree warranting compulsory confinement, nu uit de rapporten blijkt dat er verschil van inzicht bestaat over de vraag hoe groot het recidivegevaar was bij [eiser]. Bij het antwoord op die vraag stelt de rechtbank voorop dat de beslissing om tbs met dwangverpleging op te leggen berust bij de rechter, die daartoe mede op grond van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, kan besluiten indien naar zijn oordeel aan de in de art. 37a en 37b Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Het deskundigenadvies dient ertoe duidelijkheid te krijgen over de aanwezigheid van een geestelijke stoornis, de toerekeningsvatbaarheid en het risico dat de verdachte oplevert voor zichzelf en anderen, maar de vraag of tbs met dwangverpleging de aangewezen maatregel is, is verder geheel aan de rechter. Het hof oordeelde in onderhavige zaak dat het recidivegevaar bij [eiser] hoog was en besloot mede op die grond tot oplegging van tbs met dwangverpleging. Vast staat dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de rapporten van [C.] en [D.], waarvan de tuchtrechter later heeft geoordeeld dat hun conclusies – met name ook met betrekking tot het recidivegevaar – onvoldoende waren onderbouwd. De vraag is echter of het hof, de rapporten van [C.] en [D.] weggedacht, niet tot eenzelfde oordeel omtrent het hoge recidivegevaar was gekomen.

4.12. De rechtbank neemt in aanmerking dat zowel [A.] als [B.] in hun rapportages aan het hof een hoog recidivegevaar aanwezig achtten. Weliswaar heeft [B.] het recidivegevaar nadien gedifferentieerd naar delictsoort – hij zag met name een hoog recidivegevaar op de verstoring van de openbare orde – maar dat laat onverlet dat het recidivegevaar toen aanwezig werd geacht en wel dusdanig dat de rapporteurs aanvankelijk tot het advies TBS met voorwaarden kwamen en daar slechts vanaf hebben gezien, omdat [eiser] niet zijn medewerking leek te zullen verlenen. Ook [Y.] achtte het recidivegevaar mede op basis van eigen waarneming onverminderd hoog. Het is juist dat [F.] en [E.] het recidivegevaar in een veel later stadium lager achtten, en wel zodanig dat verlenging van de dwangverpleging niet langer gerechtvaardigd kon worden geacht, maar daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een belangrijke kentering is geweest dat [eiser] bij deze onderzoeken voor het eerst zijn (volledige) medewerking heeft verleend. Beide rapporteurs komen op basis van dit volledige onderzoek tot de conclusie dat het recidivegevaar niet zozeer is gelegen in de stoornis, maar vooral is gekoppeld aan het alcoholmisbruik. [E.] voegt daar echter aan toe dat ook de tbs-behandeling zelf heeft bijgedragen aan de verlaging van het recidivegevaar, doordat sprake is van een (vergroot) zelfinzicht:

“Op de Klinische risicofactoren, die over de laatste zes maanden gaan, scoort de heer [eiser] laag. Er is sprake van (vergroot) zelfinzicht ten opzichte van vóór de tbs. Er is geen sprake van een actieve psychose (C3) of impulsiviteit (C4). FPC Oostvaarderskliniek stelt dat hij goed gereageerd heeft op de Daderbehandeling (C5).

(…)

Op basis van de HCR-20, wordt het recidiverisico als laag tot matig beoordeeld.”

Deze conclusie vindt steun in het eerder afgegeven verlengingsadvies van [Y.] waarin na de conclusie over het hoge recidivegevaar onder de kop behandelvoornemens is opgenomen:

“Met betrokkene zal moeten worden getracht te werken aan zijn besef en erkenning van de delictproblematiek, dat wil zeggen het zedenaspect en de agressieproblematiek met name in relaties met vrouwen. Veel zal afhangen van de vraag of betrokkene in staat zal zijn zich werkelijk meer op zijn eigen problematiek te gaan richten (…)”.

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat ook wanneer wordt uitgegaan van de beslissingen van de tuchtrechter de mental disorder bij [eiser] zowel ten tijde van het opleggen van de maatregel als bij aanvang van de tbs was van een kind or degree warranting compulsory confinement. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de stellingen van [eiser] derhalve niet dat ’s hofs last tot tbs met dwangverpleging niet in overeenstemming is met art. 5, eerste lid, EVRM. Het beroep op onrechtmatige detentie zal daarom worden afgewezen.

4.13. Het voorgaande voert tot de slotsom dat van onrechtmatig handelen door de Staat niet is gebleken. De vordering jegens de Staat zal daarom worden afgewezen.

4.14. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Staat worden begroot op:

- griffierecht 3.537,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.379,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Staat tot op heden begroot op € 6.379,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.?