Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW6141

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/35757
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt voorop dat verweerder van de vreemdeling die EU-langdurig ingezetene is, stukken mag verlangen waaruit blijkt dat hij arbeid als zelfstandige verricht en waaruit blijkt dat hij vaste en regelmatige inkomsten heeft die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Blijkens het hierboven weergegeven beleid dient de aanvrager onder meer een ondernemingsplan te overleggen. Hoewel niet valt uit te sluiten dat ook op andere wijze aannemelijk gemaakt kan worden dat aan bedoelde voorwaarden wordt voldaan, is de rechtbank van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vaste en regelmatige inkomsten heeft die voldoende zijn om zichzelf te onderhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/35757

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2012 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. U.J. van der Veldt,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. A. Bril.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 21 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "arbeid als zelfstandige bij [v.o.f.] (v.o.f.)" afgewezen.

Bij besluit van 19 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 13 januari 2012. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2. Eiser is in het bezit van een Spaanse verblijfsvergunning (“residentia de larga duración-CE”) die geldig is tot 9 november 2013. Deze verblijfsvergunning is een verblijfstitel als langdurig ingezetene als bedoeld in richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derdelanden (de richtlijn).

3. Op 15 februari 2011 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "arbeid als zelfstandige bij [v.o.f.]"

4. Bij brieven van 15 februari 2011, 7 april 2011 en 1 juli 2011 heeft verweerder eiser verzocht om nadere gegevens te overleggen, waaronder een ondernemingsplan.

5. Naar aanleiding daarvan heeft eiser de balans en winst- en verliesrekeningen over de boekjaren 2008, 2009 en 2010 overgelegd.

6. Tevens heeft eiser een niet ondertekende akte van 1 januari 2010 overgelegd, betreffende de oprichting van de v.o.f. [v.o.f.], waarop als vennoten zijn vermeld: [vennoot A], geboortedatum [datum] 1973, en [vennoot B], geboortedatum

[datum] 1985. In deze akte is vermeld dat partijen met ingang van 1 januari 2010 een gezamenlijke onderneming starten.

7. Voorts heeft eiser een uittreksel van de inschrijving in de Kamer van Koophandel overgelegd van 13 april 2011, waarin als vennoten zijn vermeld: [vennoot A], geboortedatum [datum] 1973 en [vennoot B], geboortedatum [datum] 1985. Tevens vermeld deze akte dat eiser per 13 april 2011 als vennoot is toegetreden tot de v.o.f. [v.o.f.].

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van eisers aanvraag gehandhaafd omdat eiser naar de mening van verweerder niet alle benodigde gegevens en bescheiden heeft overgelegd, zoals een onderbouwd ondernemingsplan.

9. Eiser stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de door hem overgelegde gegevens en bescheiden voldoende zijn om hem de gevraagde vergunning te verlenen.

10. In artikel 15 van de richtlijn zijn de voorwaarden voor verblijf in een tweede lidstaat neergelegd.

11. In artikel 15, tweede lid aanhef en onder a, van de richtlijn kunnen de lidstaten betrokkene vragen bewijzen te overleggen waaruit blijkt dat hij beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat.

12. In artikel 15, vierde lid aanhef en onder a ii, van de richtlijn is bepaald dat de aanvraag vergezeld gaat van overeenkomstig de nationale wetgeving vereiste bewijsstukken waaruit blijkt dat de betrokken voldoet aan de desbetreffende voorwaarden, alsmede van diens verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en een geldig reisdocument of gewaarmerkte afschriften ervan. In het bijzonder wanneer het gaat om de uitoefening van een economische activiteit als zelfstandige, het bewijs dat hij beschikt over de volgens het nationale recht noodzakelijke middelen om een dergelijke economische activiteit uit te oefenen, waarbij hij de vereiste documenten en vergunning overlegt.

13. Artikel 3.30, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

“De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die:

a. arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend;

b. uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. (…)”

14. Ingevolge artikel 3.30, vijfde lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor het uitoefenen van een zelfstandig beroep of bedrijf in economische zin worden verleend aan een langdurig ingezetene, zonder dat met de arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

15. In de Nota van toelichting bij het Besluit van 23 november 2006 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L 16 en 2006, L 169) (Stb. 2006, 585, p. 25 en 26) staat het volgende:

“(…)

<i>Onderdeel F (artikel 3.30)</i>

(…)

De lidstaten mogen echter ingevolge artikel 15, tweede lid, onder a, tweede zin, van de richtlijn beoordelen of de middelen vast, regelmatig en voldoende zijn, afgaande op de aard en de regelmatigheid van de inkomsten: in casu arbeid als zelfstandige. In vrijwel al die gevallen zal de zelfstandige door middel van een ondernemingsplan (met inbegrip van een financieringsplan en prognose) zijn aankomende inkomsten uit onderneming aantonen of aannemelijk kunnen maken. Artikel 15, vierde lid, onder ii, van de richtlijn bepaalt voorts dat de aanvraag vergezeld gaat van overeenkomstig de nationale wetgeving vereiste bewijsstukken waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de desbetreffende voorwaarden, in het bijzonder wanneer het gaat om de uitoefening van een economische activiteit als zelfstandige: het bewijs dat hij beschikt over de volgens het nationale recht noodzakelijke middelen om een dergelijke economische activiteit uit te oefenen. Als zodanig worden aangemerkt de volgens het artikel 3.30, eerste lid, onder b, omschreven middelen. (…)”

16. In verweerders beleid, zoals opgenomen in hoofdstuk B5/7.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is vermeld dat naast artikel 3.30, vijfde lid, van het Vb 2000, de bepalingen zoals neergelegd in hoofdstuk B17 gelden en voor het overige de bepalingen van B5/7.1, B5/7.2, B5/7.3, B5/7.4 en B5/7.5 van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat ten behoeve van de langdurig ingezetene geen sprake hoeft te zijn van een hooggekwalificeerde vreemdeling die een hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kan leveren en ook geen advies van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EZL&I) hoeft te worden ingewonnen.

17. In hoofdstuk B5/7 van de Vc 2000 komen de regels ten aanzien van vreemdelingen die een zelfstandig beroep of bedrijf in Nederland (willen) uitoefenen aan de orde. In paragraaf B5/7.1 van dit hoofdstuk is, voor zover van belang, bepaald dat van verblijf wordt uitgesloten de vreemdeling die (…) geld investeert in een bedrijf in Nederland, maar zelf verder geen ondernemingsactiviteiten verricht. In paragraaf B5/7.2 van dit hoofdstuk staan algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning vermeld.

18. In paragraaf B5/7.3 van de Vc 2000 komen, voor zover van belang, de door de vreemdeling te overleggen stukken aan de orde, waaronder een ondernemingsplan. In paragraaf B5/7.3.4 Vc bepaald dat uit het ondernemingsplan in ieder geval het volgende dient te blijken:

Persoonlijke gegevens: Hieronder vallen de personalia van de vreemdeling, maar ook zijn gezins- en inkomenssituatie, financiële verplichtingen, opleidingen (onderbouwd met behaalde diploma’s) en beroepservaring;

Bedrijfsgegevens: Een samenvatting van het ondernemingsplan, de branche waarin de vreemdeling gaat opereren en het bedrijf dat hij gaat oprichten. Tevens dient informatie te worden verschaft over de startdatum, de vestigingsplaats, enzovoort;

Juridische zaken: Hierbij dient aandacht te worden besteed aan zaken als de rechtsvorm van de onderneming, de handelsnaam, aanwezigheid van eventuele vestigings- en overige vergunningen, de aansprakelijkheden, de verzekeringen en de leveringsvoorwaarden;

Commercieel plan: Hierbij dient een omschrijving te worden gegeven van het type product of dienst, van de markt waarop de vreemdeling actief wil worden, wat de doelgroep is van de beoogde ondernemingsactiviteit (de afnemers), welke concurrenten er zijn, wat kun sterke en zwakke punten zijn en wat de bijzondere kenmerken van de vreemdeling dan wel van diens producten of diensten zijn. Tevens dient te worden ingegaan op de wijze waarop de vreemdeling de markt gaat bewerken (presentatie naar buiten, promotiemiddelen, wijze van adverteren, enzovoort). Eén en ander wordt zo mogelijk onderbouwd met contracten of referenties van afnemers, afzetprognoses en dergelijke);

Managementplan: Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de omvang van het benodigde personeel, de wijze van werven en de beoogde organisatie;

Financieel plan: Dit bevat onder andere een investeringsbegroting, een financieringsplan en een aflossingsplan (zo mogelijk onderbouwd met bankcontracten), een exploitatiebegroting en een liquiditeitsprognose (incl. berekeningen).

19. De rechtbank stelt vast dat eisers aanvraag is afgewezen, omdat – kort gezegd – hij niet heeft aangetoond dat hij beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zich zelf te onderhouden.

20. De rechtbank stelt voorop dat verweerder van de vreemdeling die EU-langdurig ingezetene is, stukken mag verlangen waaruit blijkt dat hij arbeid als zelfstandige verricht en waaruit blijkt dat hij vaste en regelmatige inkomsten heeft die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Blijkens het hierboven weergegeven beleid dient de aanvrager onder meer een ondernemingsplan te overleggen.

21. Hoewel niet valt uit te sluiten dat ook op andere wijze aannemelijk gemaakt kan worden dat aan bedoelde voorwaarden wordt voldaan, is de rechtbank van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vaste en regelmatige inkomsten heeft die voldoende zijn om zichzelf te onderhouden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er verwarring bestaat over de datum waarop eiser is toegetreden tot de vennootschap, gezien de verschillende data in de akte en het uittreksel van de Kamer van Koophandel en de onjuist weergegeven geboortedata in deze stukken, zoals hiervoor vermeld bij de feiten. Ook ter zitting heeft eisers gemachtigde niet de vereiste duidelijkheid kunnen verschaffen over de datum van toetreding tot de vof. De overgelegde financiële gegevens over 2008-2010 dateren van vóór de datum van eisers toetreding tot de vof, zoals die op het uittreksel van de Kamer van Koophandel is vermeld (13 april 2011). Uit de overgelegde stukken blijkt niet welke middelen van bestaan eiser heeft, wat eisers inbreng in de vennootschap zal zijn, welke eventuele arbeid zal worden verricht en of deze arbeid ook daadwerkelijk zal worden verricht. Het enkele feit dat eiser per 13 april 2011 mede vennoot is van deze v.o.f. is daartoe onvoldoende, mede bezien in het licht van de hiervoor vermelde beleidsregel dat van verblijf wordt uitgesloten de vreemdeling die geld investeert in een bedrijf in Nederland, maar zelf verder geen ondernemingsactiviteiten verricht.

22. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers aanvraag terecht afgewezen.

23. Het beroep is ongegrond.

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. Venekamp, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M.C. Hermans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: