Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5856

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/5005
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg). Voor het vergoedingsjaar 2009 maakt de Wtcg een niet gerechtvaardigd onderscheid tussen indicaties afkomstig van Bureau Jeugdzorg en die van het Ciz. Alleen belanghebbenden met een Ciz-indicatie ontvangen in dat jaar de tegemoetkoming. Strijd met artikel 14 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5005

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 mei 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: H. Zijlstra),

en

het Centraal Administratiekantoor, verweerder

(gemachtigde: A.M.D. Burlage).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (hierna: Wtcg) voor het tegemoetkomingsjaar 2009 afgewezen.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 17 mei 2011 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is op 23 maart 2012 ter zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.M.D. Burlage. Voor verweerder was tevens aanwezig [A].

Overwegingen

1. Eiser heeft op 20 november 2010 bij verweerder compensatie voor bijkomende kosten aangevraagd over het jaar 2009 op grond van de Wtcg. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarden van de Wtcg voldoet. Verweerder heeft dat besluit na heroverweging gehandhaafd.

2. De Wtcg heeft tot doel chronisch zieken en gehandicapten die geconfronteerd worden met meerkosten door problemen die zij met hun gezondheid ervaren, tegemoet te komen in deze kosten. Bij deze meerkosten gaat het niet om kosten van zorg waarvoor zij op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) zijn verzekerd.

3. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wtcg - zoals dat luidde in 2009 - heeft iemand jaarlijks recht op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen tegemoetkoming, indien hij behoort tot een bij of krachtens die maatregel te bepalen groep van personen voor wie ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ is vastgesteld dat zij aanspraak hebben op zorg.

4. Ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ - zoals dat luidde in 2009 - bestaat slechts aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen. Dat bevoegde indicatieorgaan is het Centrum indicatiestelling zorg (hierna: Ciz).

5. De rechtbank stelt vast dat eiser in 2009 een indicatie heeft ontvangen voor Begeleiding-individueel, klasse 3, Persoonlijke Verzorging, klasse 1, in de vorm van een persoonsgebonden budget. De indicatie is afgegeven door Bureau Jeugdzorg (hierna: BJZ) en niet door het Ciz. Dit is voor verweerder de reden geweest om eiser geen tegemoetkoming in het kader van de Wtcg te geven. BJZ werd in 2009 niet gezien als een officieel indicatieorgaan.

6. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij niet is gehoord naar aanleiding van zijn aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarvan, gelet op artikel 4:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in eisers geval kon afzien, nu het hier gaat om een beslissing op aanvraag, die een financiële aanspraak inhoudt waartegen bezwaar mogelijk is.

7. Eiser heeft verder gesteld dat hij in bezwaar wel is gehoord, maar dat hij het verslag van de hoorzitting niet heeft gekregen. De rechtbank stelt vast dat eiser dit verslag in beroep alsnog heeft ontvangen en dat hij door die gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad.

8. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wtcg - zoals dat luidt vanaf 1 januari 2010 - heeft iemand jaarlijks recht op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen tegemoetkoming, indien hij behoort tot een bij of krachtens die maatregel te bepalen groep van personen voor wie ingevolge artikel 9b, eerste of vierde lid, van de AWBZ is vastgesteld dat zij aanspraak hebben op zorg. Door de toevoeging aan artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wtcg van het vierde lid van artikel 9b van de Awbz heeft de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (hierna: de minister) de voorstellen ter verbetering van de afbakening van de doelgroep van de Wtcg verankerd en de BJZs als indicatieorgaan voor AWBZ-indicaties voor het tegemoetkomingsjaar 2010 toegevoegd (TK 2009-2010, 31 706, nr. 38). Aan de wijziging van de Wtcg is om budgettaire redenen geen terugwerkende kracht - tot 1 januari 2009 - verleend. Vanaf 1 januari 2010 komen ook belanghebbenden die in het bezit zijn van een indicatie van een BJZ in aanmerking voor een tegemoetkoming ingevolge de Wtcg. Dat betekent dat eiser in 2010 wel tot de doelgroep van de Wtcg behoort en ter zitting is ook gebleken dat hij voor dat jaar een tegemoetkoming heeft ontvangen.

8.1 Eiser heeft een beroep gedaan op schending van artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Nederland is partij bij het IVRK. Artikel 23 van het IVRK is echter, gelet op de formulering van deze bepaling, geen norm die door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is, omdat deze bepaling daarvoor niet voldoende concreet is en daarom nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving behoeft. De rechtbank wijst hiertoe op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2007 (LJN BA3394).

8.2 Met betrekking tot artikel 14 van het EVRM is eisers stelling dat de Wtcg (in de versie van 2009) in strijd met genoemd artikel onderscheid maakt tussen gehandicapten die voor AWBZ-zorg zijn geïndiceerd door het Ciz en door een BJZ.

8.3 De rechtbank is van oordeel dat eiser in beginsel een beroep toekomt op het discriminatieverbod, zoals onder andere neergelegd in artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) bij dat verdrag. Daarvoor moet hij binnen de 'scope' van artikel 1 van het EP en het recht op eigendom dat deze bepaling waarborgt, vallen. Dat doet eiser, die behoort tot de doelgroep van de Wtcg, gezien het verband met de mogelijke aanspraak op een tegemoetkoming ingevolge die wettelijke regeling.

8.4 Voor een succesvol beroep op het discriminatieverbod is voorts vereist dat er sprake is van vergelijkbare gevallen. De rechtbank stelt vast dat daarvan in dit geval sprake is. Het gaat om belanghebbenden die in 2009 waren aangewezen op AWBZ-zorg, die wat betreft hun aanspraken op de Wtcg in dat jaar verschillend werden behandeld, afhankelijk van welk orgaan de AWBZ-zorg had geïndiceerd. Alleen een Ciz-indicatie gaf in dat jaar een te honoreren aanspraak op een tegemoetkoming in het kader van die wet. Met ingang van 1 januari 2010 wordt dat onderscheid niet (langer) gemaakt.

8.5 Een verschil in behandeling is voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM in het algemeen discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel.

8.6 De minister heeft ervoor gekozen de categorie van belanghebbenden waartoe eiser behoort voor het jaar 2009 buiten de werking van de Wtcg te houden. Dit heeft de wetgever gerealiseerd door het Ciz als enig bevoegd indicatieorgaan aan te merken en de BJZs niet. Verweerder heeft ter zitting beaamd dat dit voornamelijk vanwege problemen in de uitvoeringssfeer is gebeurd. Materieel gezien is er tussen een indicatie afgegeven door het Ciz en een BJZ geen verschil. Alleen bestond er in 2009 nog geen landelijke registratie van AWBZ-indicaties voor BJZ-cliënten. Daarom konden - volgens de antwoorden van de minister aan de Tweede Kamer (TK, 2009-2010, 31 706, nr. 38) - de AWBZ-indicaties die voor 2009 waren afgegeven door BJZs niet worden betrokken bij de bepaling van het recht op een tegemoetkoming voor dat jaar. Medio 2010 zouden de BJZs de beschikking krijgen over de digitale aanmeldfunctionaliteit van het Ciz. Dat zou de uitwisseling van gegevens van de BJZs via de door verweerder voor de uitvoering van de Wtcg gebruikte AWBZ-brede Zorgregistratie (AZR) mogelijk maken. In 2009 hadden de BJZs nog geen toegang tot de AZR en was elektronisch gegevensverkeer tussen verweerder en de BJZs nog niet mogelijk. De rechtbank stelt vast dat de landelijke registratie in 2010 ook nog niet was gerealiseerd, maar dat gegeven heeft het verstrekken van tegemoetkomingen aan BJZ-cliënten niet in de weg gestaan. Vooruitlopend op de automatische koppeling in 2010, heeft verweerder het Ciz de door de BJZs aangeleverde gegevens laten controleren en zonodig laten aanvullen.

8.7 Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het door de wetgever in 2009 in de Wtcg gemaakte onderscheid tussen de hiervoor genoemde indicatieorganen objectief was gerechtvaardigd. De bewerkelijker uitvoeringspraktijk kan niet als een zodanige rechtvaardiging gelden, nu niet is gebleken dat de extra administratieve lasten die deze mee zou hebben gebracht als onevenredig zwaar waren aan te merken. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat deze praktijk wel in 2010 is gevolgd en kennelijk geëigend werd gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank had een verdragsconforme uitleg van het begrip "bevoegd indicatieorgaan" door verweerder ertoe moeten leiden dat eiser in 2009 ook in aanmerking zou zijn gekomen voor een tegemoetkoming ingevolge de Wtcg.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het EP.

10. De rechtbank zal, uit oogpunt van finale geschillenbeslechting, bepalen dat aan eiser een tegemoetkoming ingevolge de Wtcg voor het jaar 2009 wordt toegekend naar de voor hem geldende hoogte en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

11. Er is, nu eiser geen gebruik heeft gemaakt van professionele rechtshulpverlening en van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen niet is gebleken, geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een tegemoetkoming ingevolge de Wtcg voor het jaar 2009 toekent naar de voor hem geldende hoogte en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht, te weten € 42,--, aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P.M. Meskers, voorzitter, en mr. G.P. Verbeek en mr. G.F. van der Linden-Burgers, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.