Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5720

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
09-994510-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, als gevolg van het slopen van een schuur van [medeverdachte A] waarin asbest was verwerkt, schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke milieuverontreiniging en het medeplegen van opzettelijke overtreding van de Wet milieubeheer. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het slopen van deze schuur, zonder in het bezit te zijn van een certificaat asbestverwijdering. Zonder voorafgaand aan de sloop van de schuur te beschikken over een sloopvergunning of een asbestinventarisatierapport, is verdachte begonnen met de sloop. Verdachte was niet deskundig op het gebied van het verwerken van asbest en maakte op zijn eerste werkdag als sloper direct een cruciale fout, waardoor de schuur van medeverdachte [A] instortte. Bij het instorten van de schuur is asbest in diverse vormen vrijgekomen op en in de bodem en in de lucht. Op een zeer onprofessionele en illegale wijze hebben verdachte en zijn medewerker vervolgens geprobeerd om het puin van de schuur op te ruimen. Zij hebben dat asbest niet verpakt in een daartoe gesloten en/of geschikte verpakking. Verdachte heeft als medepleger aan bovengenoemde handelingen een actieve bijdrage gehad. Zie ook LJ-nummer; BW5675 (medeverdachte).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 09/994510-11

Datum uitspraak: 25 april 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 5 december 2011 en 11 april 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Mackor en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als degene bij wie afvalstoffen ontstonden, te weten asbest bevattend puin (amosiet en/of chrysotiel en/of crocidoliet) afkomstig van het slopen van een schuur gelegen op een perceel aan of nabij [adres], opzettelijk, handelingen met betrekking tot die afvalstoffen heeft verricht en/of heeft nagelaten, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs had(den) kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, immers, heeft hij/hebben zij, verdachte en/of zijn mededader(s),

(a)

die afvalstoffen (met behulp van (een) shovel en/of graafmachine(s)) verschoven en/of bij/door elkaar op een hoop geschoven en/of aangestampt

en/of

(b)

die afvalstoffen met behulp van een graafmachine 'opgeknepen' en/of (vervolgens) in (een) afvalcontainer(s) geworpen en/of gestort

en/of

(c)

die afvalstoffen in (een) afvalcontainer(s) afgevoerd en/of laten afvoeren zonder dat asbest te verpakken en/of te doen verpakken in een daartoe gesloten en/of geschikte verpakking,

(d)

met behulp van een graafmachine die afvalstoffen in (een) afvalcontainer(s) omgewoeld en/of gegraven in/tussen die afvalstoffen in (een) afvalcontainer(s), waarbij stofwolken ontstonden;

2.

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2010 tot

en met 25 juni 2010 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk, een stof, te weten asbest en/of asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal, op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, aangezien toen aldaar bij een door of namens verdachte en verdachtes mededader(s) uitgevoerde sloop van een schuur gelegen op of nabij een perceel aan [adres], door het doen/laten instorten van die schuur en (vervolgens) onachtzaam behandelen van asbest en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal, asbest(vezels) in de lucht vrijkwam(en) en/of op de (onbedekte) bodem terecht kwam(en), terwijl geen, althans onvoldoende, maatregelen waren/werden genomen om te voorkomen dat de op het perceel woonachtige personen en/of bezoekers van het perceel en/of buren in aanraking kwamen of zouden kunnen komen met dat/die vrijkomend(e) asbest(vezels);

Subsidiair:

het aan zijn, verdachtes, schuld, althans aan zijn grovelijk, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of ondeskundig handelen te wijten is dat in of omstreeks de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk een stof, te weten asbest en/of asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal, op en/of in de bodem en/of in de lucht werd gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, aangezien toen aldaar bij een door of namens verdachte en verdachtes mededader(s) uitgevoerde sloop van een schuur gelegen op of nabij een perceel aan [adres], door het doen/laten instorten van die schuur en(vervolgens) onachtzaam behandelen van asbest en/of asbesthoudend(plaat-) materiaal, asbest(vezels) in de lucht vrijkwam(en) en/of op de(onbedekte) bodem terecht kwam(en), terwijl geen, althans onvoldoende, maatregelen waren/werden genomen om te voorkomen dat de op het perceel woonachtige personen en/of bezoekers van het perceel en/of buren in aanraking kwamen of zouden kunnen komen met dat/die vrijkomend(e) asbest(vezels);

3.

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [plaats], op een perceel aan of nabij [adres], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, een of meer handeling(en), terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 en/of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, te weten het geheel en/of gedeeltelijk afbreken en/of uit elkaar nemen van een bouwwerk, namelijk een schuur, terwijl in dat bouwwerk asbest (amosiet en/of chrysotiel en/of crocidoliet) of asbesthoudende producten (asbesthoudende (golf)platen en/of amosietplaten) was/waren verwerkt, heeft verricht en/of heeft doen verrichten, zonder een bedrijf te zijn dat in het bezit is/was van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Medeverdachte [medeverdachte A] heeft op 18 juni 2010 aan verdachte de opdracht gegeven tot de sloop van een schuur (bouwwerk) welke op zijn terrein stond en waarin asbest was verwerkt. Verdachte en zijn werknemer [werknemer sloper] zijn op 21 juni 2010 begonnen met de sloop. Terwijl verdachte op 21 juni 2010 bezig was met het wegknippen van de dwarsbalken van de schuur, is de schuur ingestort. Verdachte en [werknemer sloper] hebben vervolgens tevergeefs geprobeerd om het puin van de schuur op te ruimen. Naar aanleiding van deze werkzaamheden is een anonieme melding gedaan van illegale asbestverwijdering zijn verbalisanten op 25 juni 2010 ter plaatse gegaan. Zij zagen dat er op het terrein van [medeverdachte A] twee containers stonden waarin puin lag en waarboven veel stofwolken hingen. Ook zagen zij dat er nog werkzaamheden met een graafmachine werden verricht. Een van de verbalisanten heeft vervolgens de opdracht gegeven de werkzaamheden te staken, omdat het vermoeden bestond dat asbest aanwezig was op het terrein en in de lucht. Op het terrein zijn vier monsters genomen, waarin diverse soorten asbest bleken te zitten.

De vraag die bij de rechtbank voorligt is of verdachte zich, als gevolg van de rol die hij heeft gespeeld bij de sloop van de schuur, schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 10.1 lid 2 van de Wet milieubeheer (feit 1). Ook zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke milieuverontreiniging (feit 2 primair) of culpose milieuverontreiniging (feit 2 subsidiair). Ten slotte zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 6 lid 1 sub a van het Asbestverwijderingsbesluit (feit 3).

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de verdachte onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.3 Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft geen verweren gevoerd met betrekking tot het bewijs.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging.

Omdat verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren, heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij geen vrijspraak heeft bepleit kan op grond van artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1, feit 2 primair en feit 3 heeft de rechtbank bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal terechtzitting van 11 april 2012, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte en,

- het proces-verbaal van bevindingen van 28 juni 2010, met bijlagen (AH-11);

- het proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2010 (AH-30);

- een geschrift, te weten een (On)Volledig inventarisatierapport type A van 5 juli 2010 opgesteld door [X] namens Solidé Projectadvies b.v. (DD-18) en dan met name pagina 72 van dit rapport (DD-18-82) en bijlage 4: RISICOKLASSE INDELING (DD-18-118 tot en met DD-18-151);

- een geschrift, te weten een Analyserapport asbestidentificatie van 25 juni 2010 opgesteld namens Détect Milieu Services (DD-24-01);

- een geschrift, te weten een Samenvatting rapport Gezondheidsraad: scherpere blootstellinggrenzen asbest van 3 juni 2010 (DD-35);

- het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte A] op 13 juli 2010 gehoord en opgemaakt (VD-01-01);

- het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] op 15 juli 2010 gehoord en opgemaakt (VD-02-01);

- het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] op 15 juli 2010 gehoord en opgemaakt (VD-02-02);

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte [werknemer sloper] op 15 juli 2010 gehoord en opgemaakt (VD-03-01),

welke processen-verbaal en geschriften deel uitmaken van het ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). met het nummer 2010131319, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij, op een tijdstippen in de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, als degene bij wie afvalstoffen ontstonden, te weten asbest bevattend puin (amosiet en chrysotiel en crocidoliet) afkomstig van het slopen van een schuur gelegen op het perceel [adres], opzettelijk, handelingen met betrekking tot die afvalstoffen heeft verricht en heeft nagelaten, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, immers, heeft hij verdachte en zijn mededader,

(a)

die afvalstoffen (met behulp van een shovel) verschoven en bij elkaar op een hoop geschoven

en

(b)

die afvalstoffen met behulp van een graafmachine 'opgeknepen' en vervolgens in afvalcontainers geworpen en/of gestort

en

(c)

die afvalstoffen in afvalcontainers laten afvoeren zonder dat asbest te verpakken in een daartoe gesloten en/of geschikte verpakking,

(d)

met behulp van een graafmachine die afvalstoffen in een afvalcontainer omgewoeld en gegraven in/tussen die afvalstoffen in een afvalcontainer, waarbij stofwolken ontstonden;

2.

hij, op een of meer tijdstippen in de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk, een stof, te weten asbest en asbestdeeltjes en asbesthoudend (plaat-)materiaal, op en in de bodem en in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten was, aangezien toen aldaar bij een door verdachte en verdachtes mededader uitgevoerde sloop van een schuur gelegen op het perceel [adres], door het doen/laten instorten van die schuur en vervolgens onachtzaam behandelen van asbest en asbesthoudend (plaat-)materiaal, asbest(vezels) in de lucht vrijkwamen en op de (onbedekte) bodem terecht kwamen, terwijl geen maatregelen waren/werden genomen om te voorkomen dat de op het perceel woonachtige personen en bezoekers van het perceel en buren in aanraking kwamen of zouden kunnen komen met die vrijkomende asbest(vezels);

3.

hij, op tijdstippen in de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [plaats], op het perceel [adres], opzettelijk, handelingen, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 en/of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, te weten het geheel afbreken en uit elkaar nemen van een bouwwerk, namelijk een schuur, terwijl in dat bouwwerk asbesthoudende producten (asbesthoudende (golf)platen en amosietplaten) waren verwerkt, heeft verricht, zonder een bedrijf te zijn dat in het bezit is/was van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij zich zal neerleggen bij de straf die de rechtbank hem op zal leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich, als gevolg van het slopen van een schuur van [medeverdachte A] waarin asbest was verwerkt, schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke milieuverontreiniging en het medeplegen van opzettelijke overtreding van de Wet milieubeheer. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het slopen van deze schuur, zonder in het bezit te zijn van een certificaat asbestverwijdering.

Zonder voorafgaand aan de sloop van de schuur te beschikken over een sloopvergunning of een asbestinventarisatierapport, is verdachte begonnen met de sloop. Verdachte was niet deskundig op het gebied van het verwerken van asbest en maakte op zijn eerste werkdag als sloper direct een cruciale fout, waardoor de schuur van medeverdachte [medeverdachte A] instortte. Bij het instorten van de schuur is asbest in diverse vormen vrijgekomen op en in de bodem en in de lucht. Op een zeer onprofessionele en illegale wijze hebben verdachte en zijn medewerker [werknemer sloper] vervolgens geprobeerd om het puin van de schuur op te ruimen. Zij hebben dat asbest niet verpakt in een daartoe gesloten en/of geschikte verpakking. Verdachte heeft als medepleger aan bovengenoemde handelingen een actieve bijdrage gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat asbest een gevaarlijke afvalstof is die onder bepaalde omstandigheden zeer schadelijk is voor het milieu en de menselijke gezondheid en zelfs levensbedreigend kan zijn. Juist om die reden dient uiterste zorgvuldigheid te worden betracht bij het slopen van een bouwwerk waarin asbest is verwerkt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte uitermate onzorgvuldig te werk is gedaan en verwijt hem deze handelwijze ernstig.

De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie van 12 oktober 2011 betreffende verdachte, waaruit is gebleken dat verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal ten nadele van verdachte rekening houden met dit gegeven.

De rechtbank ziet, gelet op het hiervoor overwogene en het feit dat verdachte mede door zijn handelen een groot aantal mensen potentieel in gevaar heeft gebracht, te weten de buren van [medeverdachte A], de elf mensen die op het terrein van [medeverdachte A] woonachtig waren en de bezoekers van de paarden die gestald stonden op het terrein van [medeverdachte A], reden tot het opleggen van een forse werkstraf van na te noemen duur en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63 en 173a van het Wetboek van Strafrecht;

- 1, 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten;

- 10.1 van de Wet milieubeheer;

- 120 van de Woningwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer;

ten aanzien van feit 2 primair: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een stof op en in de bodem en in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;

ten aanzien van feit 3: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 120, tweede lid van de Woningwet;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van DRIE MAANDEN;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde

arbeid, voor de tijd van 180 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 DAGEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mrs. A.L. Frenkel en M. van Seventer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2012.