Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5675

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
09/994509-11; 09/994618-09 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke milieuverontreiniging en het medeplegen van opzettelijke overtreding van de Wet Milieubeheer en het overtreden van de Woningwet, als gevolg van de rol die hij heeft vervuld bij het slopen van een schuur welke op zijn terrein stond en waarin asbest was verwerkt. Zie ook LJ-nummer: BW5720 (medeverdachte).

Wetsverwijzingen
Asbestverwijderingsbesluit 2005
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/71 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2012/39 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2998

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummers: 09/994509-11; 09/994618-09 (tul)

Datum uitspraak: 25 april 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte A],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 5 december 2011 en 11 april 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Mackor en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.C. van 't Hek, advocaat te Bleiswijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als degene bij wie afvalstoffen ontstonden, te weten asbest bevattend puin (amosiet en/of chrysotiel en/of crocidoliet) afkomstig van het slopen van een schuur gelegen op een perceel aan of nabij [adres], opzettelijk, handelingen met betrekking tot die afvalstoffen heeft verricht en/of heeft nagelaten, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs had(den) kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, immers, heeft hij/hebben zij, verdachte en/of zijn mededader(s),

(a)

die afvalstoffen (met behulp van (een) shovel en/of graafmachine(s)) verschoven en/of bij/door elkaar op een hoop geschoven en/of aangestampt

en/of

(b)

die afvalstoffen met behulp van een graafmachine 'opgeknepen' en/of (vervolgens) in (een) afvalcontainer(s) geworpen en/of gestort

en/of

(c)

die afvalstoffen in (een) afvalcontainer(s) afgevoerd en/of laten afvoeren zonder dat asbest te verpakken en/of te doen verpakken in een daartoe gesloten en/of geschikte verpakking,

(d)

met behulp van een graafmachine die afvalstoffen in (een) afvalcontainer(s) omgewoeld en/of gegraven in/tussen die afvalstoffen in (een) afvalcontainer(s), waarbij stofwolken ontstonden;

2.

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk, een stof, te weten asbest en/of asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal, op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, aangezien toen aldaar bij een door of namens verdachte en verdachtes mededader(s) uitgevoerde sloop van een schuur gelegen op of nabij een perceel aan [adres], door het doen/laten instorten van die schuur en (vervolgens) onachtzaam behandelen van asbest en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal, asbest(vezels) in de lucht vrijkwam(en) en/of op de (onbedekte) bodem terecht kwam(en), terwijl geen, althans onvoldoende, maatregelen waren/werden genomen om te voorkomen dat de op het perceel woonachtige personen en/of bezoekers van het perceel en/of buren in aanraking kwamen of zouden kunnen komen met dat/die vrijkomend(e) asbest(vezels);

Subsidiair:

het aan zijn, verdachtes, schuld, althans aan zijn grovelijk, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of ondeskundig handelen te wijten is dat in of omstreeks de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk een stof, te weten asbest en/of asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal, op en/of in de bodem en/of in de lucht werd gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, aangezien toen aldaar bij een door of namens verdachte en verdachtes mededader(s) uitgevoerde sloop van een schuur gelegen op of nabij een perceel aan [adres], door het doen/laten instorten van die schuur en(vervolgens) onachtzaam behandelen van asbest en/of asbesthoudend(plaat-) materiaal, asbest(vezels) in de lucht vrijkwam(en) en/of op de(onbedekte) bodem terecht kwam(en), terwijl geen, althans onvoldoende, maatregelen waren/werden genomen om te voorkomen dat de op het perceel woonachtige personen en/of bezoekers van het perceel en/of buren in aanraking kwamen of zouden kunnen komen met dat/die vrijkomend(e) asbest(vezels);

3.

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [woonplaats], opzettelijk, als degene die een bouwwerk, te weten een schuur gelegen op een perceel aan of nabij [adres], geheel of gedeeltelijk heeft doen afbreken en/of uit elkaar heeft doen nemen, niet met betrekking tot dat bouwwerk, dan wel het gedeelte daarvan ten aanzien waarvan de handeling werd verricht, heeft beschikt over een asbestinventarisatierapport, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs kon weten dat zich op en/of in dat bouwwerk asbest (amosiet en/of chrysotiel en/of crocidoliet) of asbesthoudende producten, te weten asbesthoudende (golf)platen en/of amosietplaten, bevond(en).

3. Geldigheid van de dagvaarding

3.1 Het standpunt van de verdediging

De dagvaarding dient, met betrekking tot feit 3, nietig te worden verklaard nu dat feit (thans) niet (meer) als enig strafbaar feit valt te kwalificeren.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 3 is op basis van artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a van de Wet op de economische delicten te kwalificeren als een strafbaar feit en derhalve dient het verweer van de raadsman te worden verworpen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij een economisch delict, zoals feit 3, is sprake van een gelede normstelling. Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering eist niet dat bij een tenlastelegging van een dergelijk feit alle toepasselijke wetsartikelen staan vermeld. In dit geval is bij het ten laste gelegde feit artikel 3, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 genoemd. De raadsman had daarmee voldoende aanknopingspunten om te kunnen onderzoeken op welke artikelen het in de tenlastelegging vermelde strafbare feit voorts berust. De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving in de tenlastelegging voldoende feitelijk en voldoende duidelijk is, zodat verdachte wist tegen welke beschuldiging hij zich moest verweren. De dagvaarding is om die reden geldig. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

4. Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vervolging van verdachte niet opportuun is omdat onvoldoende vast is komen te staan dat er sprake is van een causaal verband tussen de verrichte handelingen en enige gezondheidsklachten bij enige derde. Ook is onvoldoende vast te komen staan dat verdachte deze gevolgen zou hebben veroorzaakt. De raadman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een arrest van het Hof 's-Hertogenbosch van 8 oktober 2007 (LJN: BB5050).

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

In de zaak die de raadsman heeft genoemd ter onderbouwing van zijn standpunt speelt een andere situatie dan in de onderhavige zaak en derhalve dient het verweer van de raadsman reeds om die reden te worden verworpen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel bepaalt het openbaar ministerie of er al dan niet vervolgd wordt. De in deze bepaling aan het openbaar ministerie opgedragen opportuniteitsbeoordeling impliceert een belangenafweging, die slechts marginaal door de rechter kan worden getoetst.

In de zaak van de door de raadsman genoemde beschikking van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 oktober 2010 (LJN: BB5050) is op basis van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering beklag gedaan over de beslissing van de officier van justitie tot het niet vervolgen van de beklaagden. Klager stelde in die zaak dat de gezondheidsklachten die hij en zijn echtgenote in het verleden hebben ondervonden en thans nog steeds ondervinden zijn veroorzaakt door het materiaal Bofimex Recyclan waarmee in 1997 de muren van hun woning door beklaagde waren geïmpregneerd. Het gerechtshof overweegt in deze zaak dat voor een succesvolle strafvervolging noodzakelijk is dat causaal verband wordt aangetoond tussen de door beklaagden verrichte handelingen en de gezondheidsklachten van klager en zijn echtgenote. Aangezien het vereiste causaal verband niet kon worden vastgesteld, heeft het gerechtshof het beklag ongegrond verklaard.

In onderhavige zaak gaat het echter niet om de stof Bofimex Recyclan, maar om asbest. Van asbest is het, in tegenstelling tot de stof Bofimex Recyclan, van algemene bekendheid dat deze afvalstof schadelijk voor de volksgezondheid is. Om die reden betreft de beschikking, waarnaar de raadsman heeft verwezen, niet een geval dat vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. Het verweer dient reeds om die reden te worden verworpen.

Aangezien ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

Of verdachte de in de tenlastelegging vermelde gevolgen heeft veroorzaakt, betreft een bewijsvraag en zal om die reden aan de orde komen bij de bewijsoverwegingen.

5. Bewijsoverwegingen

5.1 Inleiding

Verdachte heeft op 18 juni 2010 aan medeverdachte [sloper] de opdracht gegeven tot de sloop van een schuur (bouwwerk) welke op zijn terrein stond en waarin asbest was verwerkt. [sloper] en zijn werknemer [werknemer sloper] zijn op 21 juni 2010 begonnen met de sloop. Terwijl [sloper] op 21 juni 2010 bezig was met het wegknippen van de dwarsbalken van de schuur, is de schuur ingestort. [sloper] en [werknemer sloper] hebben vervolgens tevergeefs geprobeerd het puin op te ruimen. Naar aanleiding van deze werkzaamheden is een anonieme melding gedaan van illegale asbestverwijdering en zijn verbalisanten op 25 juni 2010 ter plaatse gegaan. Zij zagen dat er op het terrein van verdachte twee containers stonden waarin puin lag en waarboven veel stofwolken hingen. Ook zagen zij dat er nog werkzaamheden met een graafmachine werden verricht. Een van de verbalisanten heeft vervolgens de opdracht gegeven de werkzaamheden te staken, omdat het vermoeden bestond dat asbest aanwezig was op het terrein en in de lucht. Op het terrein zijn vier monsters genomen, waarin diverse soorten asbest bleken te zitten.

De vraag die bij de rechtbank voorligt is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verrichten van handelingen of het nalaten van het verrichten van handelingen met betrekking tot asbest waarvan hij en of zijn mededader(s) wisten of redelijkerwijs hadden kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan (feit 1). Ook zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke milieuverontreiniging (feit 2 primair) of culpose milieuverontreiniging (feit 2 subsidiair). Ten slotte zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte valt te verwijten dat hij opdracht tot de sloop van de schuur heeft gegeven zonder over een asbestinventarisatierapport te beschikken (feit 3).

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1 en feit 2 primair kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van deze feiten, nu tussen verdachte en medeverdachte [sloper] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

Feit 3 kan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Een asbestinventarisatie heeft niet plaatsgevonden voor de aanvang van de sloop. Verdachte beschikte aldus niet over een asbestinventarisatierapport, terwijl hij wist dat zich in de schuur asbest bevond en hij voor de aanwezigheid van een asbestinventarisatierapport voor aanvang van de sloop verantwoordelijk was.

5.3 Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de feitelijke handelingen die hem onder de feiten 1, 2 primair en 2 subsidiair worden verweten niet gepleegd. Verdachte heeft geen enkele bemoeienis gehad met de sloop van de schuur. Hij heeft niet zelf de in de tenlastelegging vermelde handelingen verricht. Ook kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van deze feiten, omdat er tussen verdachte en medeverdachten geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarnaast ontbrak het opzet, ook in voorwaardelijke zin, met betrekking tot de verdachte onder feit 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten. Bij de verdachte onbrak verder de wetenschap dat het op en/of in de bodem en/of in de lucht brengen van asbest gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor een ander zou kunnen veroorzaken. Ook is onvoldoende vast komen te staan dat er sprake is van een causaal verband tussen de verrichte handelingen en enige gezondheidsklachten van derden. Met betrekking tot feit 2 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte geen enkele verwijtbaarheid kan worden aangerekend. Verdachte dient derhalve van de hem onder feit 1, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken. Verdachte dient ook te worden vrijgesproken van het hem onder 3 ten laste gelegde feit, nu het geen feit van algemene bekendheid is dat het beschikken over een asbestinventarisatierapport noodzakelijk is om een bouwwerk te kunnen slopen. Verdachte heeft voor het slopen van de schuur een kundig bedrijf ingeschakeld. Hem is van de kant van dat bedrijf verzekerd dat bekend was hoe het asbest moest worden verwerkt en opgeruimd. Dit bedrijf heeft omtrent het asbest alle verantwoordelijkheid op zich genomen. Dan ligt het niet meer op de weg van verdachte om te informeren naar de aanwezigheid van een asbestinventarisatierapport.

5.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Verdachte heeft op vrijdag 18 juni 2010 de opdracht gegeven aan medeverdachte [sloper] om een schuur (bouwwerk) gelegen op het terrein nabij zijn woning (adres: [adres]) te slopen.2 [sloper] en zijn werknemer [werknemer sloper] hebben zich vervolgens in de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 bezig gehouden met het slopen van de schuur.3 Terwijl [sloper] op 21 juni 2010 bezig was met het wegknippen van de dwarsbalken van de schuur, is de schuur ingestort.4 Als gevolg van het instorten van het dak van de schuur, ontstond een stofwolk.5 Verdachte dwong [sloper] om de rommel die daardoor was ontstaan op te ruimen.6 [werknemer sloper] heeft vervolgens met een shovel het puin van de schuur verschoven en bij elkaar op een hoop geschoven.7 [sloper] heeft het puin met behulp van een graafmachine opgeknepen8 en vervolgens in afvalcontainers geworpen.9 De rechtbank acht het aannemelijk dat, als gevolg van deze handelingen, hierbij stofwolken onstonden.

[sloper] heeft daarna de afvalstoffen in afvalcontainers laten afvoeren door Sita zonder dat asbest te verpakken in een daartoe gesloten en/of geschikte verpakking.10 In de week van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 is op deze wijze een aantal containers afgevoerd.11 Op 25 juni 2010 kwam er een volle container terug, omdat er asbest was aangetroffen in die container.12

Het terrein waarop de opstallen (waaronder de gesloopte schuur) staan, bleek ernstig verontreinigd te zijn met restanten van asbesthoudend materiaal.13 Ook is gebleken dat de bodem met asbest was verontreinigd.14 Uit onderzoek van monsters van puin van de slooplocatie is gebleken dat in plaatmateriaal dat is aangetroffen in het puin de volgende afvalstoffen aanwezig waren: amosiet (bruine asbest) en chrysotiel (witte asbest) en dat in golfplaat dat is aangetroffen in het puin de volgende afvalstoffen zaten: chrysotiel (witte asbest) en crocidoliet (blauwe asbest).15 [sloper]16 en zijn werknemer [werknemer sloper]17 wisten voor aanvang van de sloop dat het dak van de schuur bestond uit asbestgolfplaten. Ook verdachte was hiervan op de hoogte.18

(voorwaardelijk) opzet ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair

Hoewel alle betrokkenen wisten dat asbest was verwerkt in de golfplaten van het dak van de schuur, zijn er geen maatregelen genomen om het aanwezige asbest op een veilige manier uit de schuur te verwijderen en af te voeren. Geen van de betrokkenen beschikte over een asbestinventarisatierapport of een sloopvergunning.19 Er is, mede op aandringen van verdachte,20 doorgewerkt na instorting van het dak, waarbij op ongecontroleerde wijze asbesthoudend materiaal is vrijgekomen. Het bij de sloopwerkzaamheden betrokken bedrijf van [sloper] was niet officieel gecertificeerd als asbestverwijderingsbedrijf en beschikte evenmin over specifieke deskundigheid op het gebied van asbest. Verdachte heeft hieromtrent onvoldoende onderzoek verricht. Verdachte heeft zich er voorafgaand aan de sloop onvoldoende van vergewist of [sloper] over de nodige deskundigheid en papieren beschikte om te kunnen omgaan met asbest. Verdachte heeft ter terechtzitting van 11 april 2012 verklaard dat medeverdachte [sloper] tegen hem had gezegd dat hij asbest op naam van een ander bedrijf mocht verwijderen. Als [sloper] dit al tegen verdachte zou hebben gezegd, was deze informatie naar het oordeel van de rechtbank dermate vaag en weinigzeggend dat verdachte daar geen genoegen mee had mogen nemen en nader onderzoek had moeten verrichten. Dit zeker gelet op de lage offerteprijs waarvoor [sloper] bereid was de schuur te slopen inclusief het verwerken van het daarin verwerkte asbest. Verdachte had eerst een offerte ontvangen van een bedrijf dat de schuur wilde slopen voor €15.000,00 (exclusief het verwijderen van asbesthoudende materiaal). [sloper] had daarentegen aangegeven dat hij bereid was om de schuur te slopen voor €10.000,00 (inclusief het verwijderen van het asbest).21 Dit grote verschil in prijs had verdachte oplettender moeten maken over de vraag of [sloper] wel over voldoende kennis beschikte om de sloop van de schuur op de juiste wijze te verrichten en daarvoor de vereiste papieren had.

Gelet op de gesprekken die verdachte al jarenlang met de gemeente heeft gevoerd over de sloop van de schuur en het in de schuur verwerkte asbest is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat er nadelige gevolgen voor het milieu zouden kunnen ontstaan ten gevolge van de sloop van de schuur. Door desondanks de sloop van de schuur te laten verrichten door een ondeskundige op het gebied van asbest, zonder te beschikken over een sloopvergunning en een asbestinventarisatierapport heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat schade aan het milieu zou kunnen ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.

Medeplegen ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair,

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de hem onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde feiten tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Door toedoen van [sloper] is de schuur ingestort. Vervolgens heeft [sloper] samen met [werknemer sloper] het puin 'opgeruimd'. Verdachte heeft weliswaar niet of nauwelijks meegeholpen aan de daadwerkelijke sloop van de schuur, maar hij heeft wel een niet te verwaarlozen bijdrage geleverd aan de illegale sloop van de schuur. Verdachte heeft aan [sloper] de opdracht gegeven tot de sloop van de schuur en heeft steeds toezicht gehouden op het project. Dit blijkt onder meer uit de gedetailleerde wijze waarop verdachte heeft verklaard over het verloop van het slooptraject. Ook heeft verdachte zich niet gedistantieerd of ingegrepen toen door toedoen van [sloper] de schuur was ingestort, terwijl hij dit wel had moeten doen. Verdachte had [sloper] opdracht moeten geven om te stoppen met het project en het puin dat was ontstaan door het instorten van de schuur moeten laten opruimen door een deskundig bedrijf op het gebied van asbest. Hij heeft dat niet gedaan, maar [sloper] gedwongen om de ontstane rommel op te ruimen. Hij heeft daarbij gezegd dat [sloper] het zo snel mogelijk moest opruimen want als er mensen zouden komen kijken van Midden-Delfland of een inspectiedienst, dan zou hij -[sloper] - een groot probleem hebben22, waarmee verdachte aangaf dat hij zich bewust was van het ontoelaatbare van de situatie. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat tussen verdachte en [werknemer sloper] en [sloper] was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.

gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen (feit 2 primair en feit 2 subsidiair)

Volgens de raadsman ontbrak bij de verdachte de wetenschap dat het op en in de bodem en in de lucht brengen van asbest gevaar zou kunnen veroorzaken voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor een ander.

De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat verdachte niet wist dat het op en in de bodem en in de lucht brengen van asbest een gevaar is voor de openbare gezondheid en zelfs levenbedreigend is, gelet op de jarenlange gesprekken die verdachte omtrent de sloop van de schuur en het daarin verwerkte asbest met de gemeente heeft gehad. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte op basis van deze gesprekken doordrongen moet zijn geweest van het gevaar van asbest.

De raadsman heeft verder opgemerkt dat onvoldoende vast is komen te staan dat er sprake is van een causaal verband tussen de verrichte handelingen en enige gezondheidsklachten van derden.

De rechtbank merkt op dat blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk is vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. Uit het rapport van de Gezondheidsraad van 3 juni 2010 blijkt dat blootstelling aan asbest gevaarlijk is voor de volksgezondheid nu blootstelling aan asbest in diverse organen kanker kan veroorzaken.23 Zoals ook is overwogen in de uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 8 oktober 2009 (LJN: BK0402) is slechts een geringe hoeveelheid asbestvezels voldoende om een gevaar op te kunnen leveren. De rechtbank Arnhem overweegt hiertoe als volgt:

''Ter zitting van 2 juli 2009 heeft de rechtbank aan de aanwezige deskundigen [deskundige1] en [deskundige 2] de vraag voorgelegd of blootstelling aan asbestvezels altijd nadelige gevolgen voor de gezondheid heeft. De deskundigen gaven aan dat de medische wetenschap leert dat asbest als het ware als een depot in het lichaam blijft en dat de vezels niet afbreken en nauwelijks uit het lichaam verdwijnen. Samen met eerdere of latere blootstelling kan een kritische waarde worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen.

Gelet daarop en gezien het feit dat bij een asbestgerelateerde ziekte als een maligne mesothelioom, naar van algemene bekendheid is, naar de huidige stand van medische kennis geen genezende behandeling mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels door een ongecontroleerde, systematische bewerking van asbesthoudend materiaal per definitie als "ernstige schade voor de gezondheid" onderscheidenlijk "levensgevaar" (en afhankelijk van de omstandigheden "gevaar voor de openbare gezondheid") in de zin van artikel 32, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet respectievelijk artikel 173a en 173b Wetboek van Strafrecht aangemerkt dienen te worden.''

De rechtbank merkt op dat in het puin diverse soorten asbest zijn aangetroffen, zowel hechtgebonden als niet-hechtgebonden.24 [X], die namens Solidé Projectadvies op 5 juli 2010, een asbestinventarisatierapport heeft opgesteld kwam onder meer tot de volgende conclusies: ''Als gevolg van een illegaal uitgevoerde sloop van één van de opstallen is een hoop puin ontstaan waarin onder andere niet-hechtgebonden asbest is aangetroffen hetgeen een risico tot emissie van asbestvezels in zich houdt.'' en ''Het terrein waarop de opstallen zijn gesitueerd is ernstig verontreinigd met restanten van asbesthoudend materiaal." en ''De situatie op het terrein en in de opstallen leidt tot onaanvaardbare humane en ecologische risico's.''25.

Op het terrein van verdachte woonden ten tijde van de sloop van de schuur elf mensen en kwamen er regelmatig bezoekers langs vanwege de paarden die gestald stonden op het terrein van verdachte. Na de anonieme melding werd door een verbalisant ter plaatse geconstateerd26 dat op geen enkele wijze werd gewaarschuwd dat er een schuur werd gesloopt met daarin asbesthoudend materiaal, bijvoorbeeld door middel van het plaatsen waarschuwingslinten, hekwerk of waarschuwingsborden. Verder constateerde de verbalisant dat op het terrein en op het perceel diverse mensen aanwezig waren, waaronder diverse eigenaren van paarden en dat de aanwezige personen geen beschermende kleding droegen. De verbalisant moest door stofwolken lopen toen hij twee containers met puin passeerde.

De rechtbank onderkent dat achteraf niet of moeilijk precies is vast te stellen of degenen die zich tijdens en na de sloop van de schuur op het terrein hebben bevonden inderdaad in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte zullen ontwikkelen. Wel acht de rechtbank aannemelijk en bewezen op basis van voorgaande feiten en omstandigheden dat betrokkenen gedurende de ten laste gelegde periode aan aanmerkelijke, niet te verwaarlozen asbestvezelconcentraties zijn blootgesteld, ten gevolge waarvan gevaar voor de gezondheid van deze personen te duchten was.

Feit 3:

Verdachte heeft ter terechtzitting27 bekend dat hij [sloper] de opdracht heeft gegeven om zijn schuur af te breken en dat hij voor en tijdens de sloop niet over een asbestinventarisatierapport beschikte, terwijl hij wist dat er asbesthoudende golfplaten op deze schuur zaten. Deze gang van zaken wordt bevestigd door [sloper].28

De rechtbank overweegt dat in de nota van toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit staat vermeld dat het asbestinventarisatierapport dient te worden verstrekt door de eigenaar. Ten aanzien van het opzet overweegt de rechtbank dat voor een bewezenverklaring niet vereist is dat de verdachte zich bewust was van het bestaan van een voor hem, als eigenaar van de schuur, geldende wettelijke verplichting. Het enkele feit dat de verdachte in de onderhavige zaak stelt niet te hebben geweten van de verplichting tot het overhandigen van een asbestinventarisatierapport aan [sloper], staat derhalve niet aan het aannemen van opzet op de hem verweten gedraging in de weg. Verdachte had zich beter op de hoogte moeten stellen van de inhoud van de daarvoor geldende regelgeving. Door zich niet, in ieder geval onvoldoende, te informeren, heeft de verdachte bewust het risico genomen dat hij handelde in strijd met enig wettelijk voorschrift (zie ook het arrest van 28 januari 2011 van het Gerechtshof 's-Gravenhage, LJN: BQ1118). De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 3 ten laste gelegde feit.

5.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij, op tijdstippen in de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met anderen, als degene bij wie afvalstoffen ontstonden, te weten asbest bevattend puin (amosiet en chrysotiel en crocidoliet) afkomstig van het slopen van een schuur gelegen op het perceel [adres], opzettelijk, handelingen met betrekking tot die afvalstoffen heeft verricht en heeft nagelaten, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, immers, hebben zijn mededaders,

(a)

die afvalstoffen met behulp van een shovel verschoven en bij elkaar op een hoop geschoven

en

(b)

die afvalstoffen met behulp van een graafmachine 'opgeknepen' en vervolgens in afvalcontainers geworpen en/of gestort

en

(c)

die afvalstoffen in afvalcontainers laten afvoeren zonder dat asbest te verpakken in een daartoe gesloten en/of geschikte verpakking,

(d)

met behulp van een graafmachine die afvalstoffen in een afvalcontainer omgewoeld en gegraven in/tussen die afvalstoffen in een afvalcontainer, waarbij stofwolken ontstonden;

2 primair.

hij, op tijdstippen in de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk, een stof, te weten asbest en asbestdeeltjes en asbesthoudend (plaat-)materiaal, op en in de bodem en in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten was, aangezien toen aldaar bij een namens verdachte uitgevoerde sloop van een schuur gelegen op het perceel [adres], door het doen/laten instorten van die schuur en vervolgens onachtzaam behandelen van asbest en asbesthoudend (plaat-)materiaal, asbest(vezels) in de lucht vrijkwamen en op de onbedekte bodem terecht kwamen, terwijl geen maatregelen waren/werden genomen om te voorkomen dat de op het perceel woonachtige personen en bezoekers van het perceel en buren in aanraking kwamen of zouden kunnen komen met die vrijkomend(e) asbest(vezels);

3.

hij, op tijdstippen in de periode van 21 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 te [woonplaats], opzettelijk, als degene die een bouwwerk, te weten een schuur gelegen op het perceel [adres], geheel heeft doen afbreken en uit elkaar heeft doen nemen, niet met betrekking tot dat bouwwerk, heeft beschikt over een asbestinventarisatierapport, terwijl hij, verdachte, wist dat zich op en/of in dat bouwwerk asbesthoudende producten, te weten asbesthoudende (golf)platen en amosietplaten, bevonden.

6. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8. De strafoplegging

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

8.2 Het standpunt van de verdediging

Bij het bepalen van de straf zou, ten voordele van verdachte, mee moeten wegen dat verdachte zelf de opdracht aan een bewoner van zijn terrein heeft gegeven om de anonieme melding bij de politie te doen. Ook zou mee moeten wegen dat de gemeente niet voortvarend heeft gehandeld. Thans handelt de gemeente nog steeds niet voortvarend met betrekking tot het vrijgeven van (een deel van) het terrein van verdachte. Verdachte kan daardoor beperkt in zijn levensonderhoud voorzien en leidt, wegens het thans nog van kracht zijn van de noodverordening op zijn terrein, een zwervend bestaan. Verdachte is armlastig en zal tot zijn dood veroordeeld zijn tot het afbetalen van alle schade die gemoeid is met het correct verwijderen van het asbest. Alles resumerend verzoekt de raadsman artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. Indien de rechtbank desondanks besluit toch een straf op te leggen acht de raadsman een voorwaardelijke straf toepasselijk. Bij het opleggen van een onvoorwaardelijke straf heeft verdachte te kennen gegeven bij voorkeur open te staan voor het verrichten van een werkstraf, waarbij aantekening verdient dat verdachte liever een boete betaalt, welke straf niet realistisch is, aldus de raadsman. Het opleggen van een gevangenisstraf is in dit geval niet opportuun. Verdachte is immers al voor de rest van zijn leven gestraft.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke milieuverontreiniging en het medeplegen van opzettelijke overtreding van de Wet Milieubeheer en het overtreden van de Woningwet, als gevolg van de rol die hij heeft vervuld bij het slopen van een schuur welke op zijn terrein stond en waarin asbest was verwerkt.

Verdachte heeft aan [sloper] de opdracht gegeven tot de sloop van een schuur, zonder voorafgaand aan de sloop een sloopvergunning aan te vragen en te beschikken over een asbestinventarisatierapport. [sloper] was niet deskundig op het gebied van het verwerken van asbest en maakte op zijn eerste werkdag direct een cruciale fout, waardoor de schuur van verdachte instortte. Bij het instorten van de schuur is asbest in diverse vormen vrijgekomen op en in de bodem en in de lucht. Op een zeer onprofessionele en illegale wijze hebben [sloper] en [werknemer sloper] vervolgens geprobeerd om het puin van de schuur op te ruimen. Zij hebben onder meer dat asbest niet verpakt in een daartoe gesloten en/of geschikte verpakking. Verdachte heeft als medepleger aan bovengenoemde handelingen een strafrechtelijke bijdrage gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat asbest een gevaarlijke afvalstof is die onder bepaalde omstandigheden zeer schadelijk is voor het milieu en de menselijke gezondheid en zelfs levensbedreigend kan zijn. Juist om die reden dient uiterste zorgvuldigheid te worden betracht bij het slopen van een bouwwerk waarin asbest is verwerkt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte uitermate onzorgvuldig te werk is gedaan en verwijt hem deze handelswijze ernstig.

De rechtbank ziet geen reden om bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van verdachte rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte naar zijn zeggen een bewoner heeft bewogen om een anonieme melding te doen van de illegale sloopactiviteiten van de schuur. Daargelaten dat verdachte niet op deze onzorgvuldige wijze aan de sloop van de schuur had mogen beginnen, had hij de werkzaamheden onmiddellijk moeten laten staken toen de schuur instortte. Hij heeft dit niet gedaan. Hij heeft daarentegen [sloper] de opdracht gegeven de boel zo snel mogelijk op te ruimen, voordat de officiële instanties erachter zouden komen. Hiermee heeft hij niet alleen getracht een en ander te verbloemen, ook heeft hij hiermee verhinderd dat het asbest op verantwoorde wijze zou worden opgeruimd en heeft hij een situatie gecreëerd waarin het gevaar voor gezondheidsschade en milieuschade aanzienlijk werd vergroot.

De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie van 12 oktober 2011 betreffende verdachte, waaruit is gebleken dat verdachte in de afgelopen vijf jaar tweemaal eerder is veroordeeld wegens een milieudelict en in verband met één van deze twee veroordelingen in een proeftijd liep, terwijl hij de feiten pleegde waarvoor hij thans terecht moet staan. De rechtbank zal ten nadele van verdachte rekening houden met het gegeven dat verdachte eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank ziet, gelet op de ernst van de feiten, geen aanleiding artikel 9a van het Wetboek van Stafrecht toe te passen. De rechtbank ziet, gelet op het hiervoor overwogene, het aantal mensen dat verdachte mede door zijn handelen mogelijk in gevaar heeft gebracht, te weten zijn buren, de elf mensen die op zijn terrein woonachtig waren en de bezoekers van de paarden die gestald stonden op zijn terrein, en de geraffineerde wijze waarop hij de asbestproblematiek en de verantwoordelijkheid daarvoor heeft proberen af te schuiven op [sloper], reden tot het opleggen van een gevangenisstraf van na te noemen duur.

9. De inbeslaggenomen goederen

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet verzet tegen de vordering van de officier van justitie.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de ten laste gelegde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10. De vordering tenuitvoerlegging

10.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van 12 oktober 2011.

10.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen dient te worden wegens de bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de tenuitvoerlegging niet redelijk kan worden geacht. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om de proeftijd te verlengen met één jaar.

10.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 12 oktober 2011 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de economische politierechter in deze rechtbank d.d. 16 juli 2009, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten.

11. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14g, 36b, 47, 57 en 173a van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten;

- 10.1 van de Wet milieubeheer;

- 120 van de Woningwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer;

ten aanzien van feit 2 primair: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een stof op en in de bodem en in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;

ten aanzien van feit 3: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 120, tweede lid van de Woningwet;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ZES MAANDEN;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen, te weten: 4.00 STK Onderdeel - 4 monsters ASBEST;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de economische politierechter in deze rechtbank d.d. 16 juli 2009, gewezen onder parketnummer: 09/994618-09, te weten:

taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van VEERTIG UREN, subsidiair TWINTIG DAGEN vervangende hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mrs. A.L. Frenkel en M. van Seventer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer 2010131319, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (ongenummerd).

2 Proces-verbaal verhoor van verdachte [verdachte] (VD-01-01), pagina's 1 van 7 en 4 van 7 van dit verhoor.

3 Proces-verbaal verhoor van verdachte [sloper] (VD-02-01), pagina's 2 van 7 , 3 van 7 en 6 van 7 van dit verhoor.

4 Proces-verbaal verhoor van verdachte [sloper] (VD-02-01), pagina 3 van 7 van dit verhoor.

5 Proces-verbaal verhoor van verdachte [werknemer sloper] (VD-03-01), pagina 3 van 3 van dit verhoor.

6 Proces-verbaal verhoor van verdachte [verdachte] (VD-01-01), pagina 5 van 7 van dit verhoor.

7 Proces-verbaal verhoor van verdachte [sloper] (VD-02-01), pagina 3 van 7 van dit verhoor.

8 Proces-verbaal verhoor van verdachte [sloper] (VD-02), pagina 4 van 7 van dit verhoor.

9 Proces-verbaal verhoor van verdachte [werknemer sloper] (VD-03-01), pagina 2 van 3 van dit verhoor.

10 Proces-verbaal verhoor van verdachte [werknemer sloper] (VD-03-01), pagina's 2 van 7 en 3 van 7 van dit verhoor.

11 Proces-verbaal verhoor van verdachte [werknemer sloper] (VD-03-01), pagina 3 van 3 van dit verhoor.

12 Proces-verbaal verhoor van verdachte [werknemer sloper] (VD-03-01), pagina 3 van 3 van dit verhoor.

13 Een geschrift, te weten een asbestinventarisatierapport ''onvolledig type A onderzoek'' van 5 juli 2010 opgesteld door [X], namens Solidé Projectadvies (DD-18-82), pagina 72 van dit rapport.

14 Een geschrift, te weten een asbestinventarisatierapport ''onvolledig type A onderzoek'' van 5 juli 2010 opgesteld door [X], namens Solidé Projectadvies (DD-18-82), pagina 72 van dit rapport.

15 Een geschrift, te weten een Analyserapport asbestidentificatie van 25 juni 2010, opgesteld namens Détect Milieu Services (DD-24-01).

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [sloper] (VD-02-01), pagina 4 van 7 van dit verhoor.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [werknemer sloper] (VD-03-01), pagina 2 van 3 van dit verhoor.

18 Proces-verbaal ter terechtzitting van 11 april 2012.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [sloper] (VD-02-01), pagina's 3 van 7 en 4 van 7 van dit verhoor.

20 Proces-verbaal verhoor van verdachte [verdachte] (VD-01-01), pagina 5 van 7 van dit verhoor.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] (VD-01-01), pagina 4 van 7 van dit verhoor.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] (VD-01-05), pagina 5 van 7 van dit verhoor.

23 Een geschrift, te weten een Samenvatting rapport Gezondheidsraad, scherpere blootstellingsgrenzen asbest van 3 juni 2010 (DD-35).

24 Een geschrift, te weten een Analyserapport asbestidentificatie opgesteld namens Détect Milieu Services b.v. (DD-24-01).

25 Een geschrift, te weten een asbestinventarisatierapport ''onvolledig type A onderzoek'' van 5 juli 2010 opgesteld door [X], namens Solidé Projectadvies (DD-18), pagina 72 van dit rapport.

26 Proces-verbaal van bevindingen (AH-30), pagina 3 van dit proces-verbaal.

27 Proces-verbaal ter terechtzitting van 11 april 2012.

28 Proces-verbaal van verhoor verdachte [sloper] (VD-02-01), pagina 4 van 7 van dit verhoor.