Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5587

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
417322 - KG ZA 12-393
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot toelating onderwijs na negatief bindend studieadvies. Bevoegdheid voorzieningenrechter. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 7.66 WHW blijkt dat het CBHO bevoegd is een uitspraak te doen over alle geschillen op grond van de WHW of daarop gebaseerde regelingen die de relatie student-instelling betreffen. Op grond van artikel 112 Grondwet staat het een student vrij, als daaraan de voorkeur wordt gegeven, ervoor te kiezen de weg naar de burgerlijke rechter te bewandelen in plaats van het CBHO (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 821, nr. 3, blz. 66). Het is kennelijk de bedoeling van de wetgever geweest studenten, mede gelet op artikel 112 Grondwet, de volledige vrije keuze te laten tussen hetzij het bewandelen van de weg die uiteindelijk leidt tot beroep bij het CBHO, hetzij het bewandelen van de weg die naar de civiele rechter leidt. Nu eiseres ten aanzien van het bindend studieadvies geen beroep heeft ingesteld bij het CBHO, moet worden geoordeeld dat zij haar vorderingen met betrekking tot het besluit van gedaagde wel aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 417322 / KG ZA 12-393

Vonnis in kort geding van 27 april 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.J.J. Hilberts te Amsterdam,

tegen:

de stichting

Stichting Hoger Onderwijs Nederland,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.E. Pors te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiseres]' en 'INHolland'.

1. Het wettelijk kader

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 821, nr. 3) van de Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing), staat, voor zover relevant, vermeld:

"STUDENTEN HOOFDSTUK 4.

Rechtsbescherming 4.1

(...)

4.1.2. Externe procedure

College van beroep voor het hoger onderwijs

Naast de interne klachten- en geschillenprocedure is de externe rechtsgang een belangrijk onderdeel van de rechtsbescherming van de student. De externe rechter doet in tweede instantie uitspraak. Alle partijen zijn gebaat bij een transparante procedure bij één externe instantie die direct toegankelijk is, waaraan alle geschillen kunnen worden voorgelegd, dat wil zeggen op deze wet gebaseerde geschillen inclusief de geschillen waarover het college van beroep voor de examens een uitspraak heeft gedaan.

Na een positief advies van de Raad voor de Rechtspraak (2005) is ervoor gekozen dat in principe alle geschillen die zich afspelen tussen de student en de instelling worden voorgelegd aan het (bestaande) college van beroep voor het hoger onderwijs. De keuze voor dit college komt voort uit het feit dat studenten dit als laagdrempelig ervaren en het college in redelijk korte tijd een beslissing neemt. Er zijn dus goede ervaringen opgedaan met het college van beroep voor het hoger onderwijs.

(...)

Het college van beroep voor het hoger onderwijs is, zoals eerder gezegd, bevoegd een uitspraak te doen over alle geschillen op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of daarop gebaseerde regelingen die de relatie student-instelling betreffen. Dit is voor de positie van de student de meestbepalende wet. Voor andere geschillen is een andere rechter mogelijk bevoegd.

(...)

Burgerlijke rechter

De burgerlijke rechter blijft bevoegd in geschillen die civielrechtelijk van aard zijn (wanprestatie of onrechtmatige daad). Op grond van artikel 112 van de Grondwet geldt dat het een student of (het college van bestuur van) de instelling altijd vrij staat ervoor te kiezen een geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen. Ook als het een geschil is op grond van de WHW of daarop gebaseerde regelgeving. Vanzelfsprekend moet dat geschil dan wel privaatrechtelijk van aard zijn. Alleen dan is de burgerlijke rechter immers bevoegd.

(...)

Artikel 7.64. College van beroep voor het hoger onderwijs

Het college van beroep fungeert als onafhankelijke administratieve rechter die in beroep oordeelt over de beslissingen naar aanleiding van een beroep dat behandeld is door een college van beroep voor de examens of een bezwaar dat behandeld is via een geschillenadviescommissie. Een betrokkene zal altijd eerst de interne rechtsbeschermingsprocedure moeten doorlopen voordat hij beroep bij het college van beroep voor het hoger onderwijs kan indienen. (...)

Artikel 7.65 Rechtspositie leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs

Uit het eerste lid volgt dat de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep worden benoemd bij koninklijk besluit. Nieuw is dat de benoeming, evenals bij andere rechterlijke colleges, voor het leven plaatsvindt. Reden hiervoor is dat wordt aangesloten bij algemeen recht.

Het tweede lid bepaalt dat ook de secretaris bij koninklijk besluit wordt benoemd. Bovendien heeft de secretaris recht op bezoldiging.

Omdat het college van beroep als onafhankelijke administratieve rechter oordeelt, wordt in het derde lid aan de leden en plaatsvervangende leden de eis gesteld dat zij voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar. Deze vereisten volgen uit artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

(...)

Artikel 7.66. Bevoegdheid en procedure college van beroep voor het hoger onderwijs

Het eerste lid regelt de positie van het college van beroep voor het hoger onderwijs als onafhankelijke administratieve rechter die een oordeel geeft over het beroep van een student. Het college oordeelt in laatste instantie.

Als het gaat om onderwerpen die binnen het kader van deze wet tot een geschil leiden in de relatie student-instelling, is het college van beroep voor het hoger onderwijs bevoegd. Dit geldt voor zowel de openbare als de bijzondere instellingen. Op grond van artikel 112 van de Grondwet staat het een aanstaande student of student van een instelling vrij, als daaraan de voorkeur wordt gegeven, ervoor te kiezen de weg naar de burgerlijke rechter te bewandelen in plaats van de weg van het college van beroep voor het hoger onderwijs.(...)

Onderdeel CI (artikel 7.68)

In principe kunnen betrokkenen na het doorlopen van de interne rechtsbeschermingsprocedure terecht bij het college van beroep voor het hoger onderwijs. Dit geldt zowel voor openbare als bijzondere instellingen. (...)

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 april 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Vanaf het studiejaar 2009-2010 heeft [eiseres] de bacherloropleiding Mondzorgkunde bij INHolland gevolgd.

2.2. Voor het verkrijgen van een propedeutisch examen van de bacheloropleiding Mondzorgkunde moeten studenten minstens 60 studiepunten behalen. Op grond van de onderwijs- en examenregeling van deze opleiding (hierna: 'OER') moet de student van de totaal te behalen 60 studiepunten van de propedeutische fase er in ieder geval 40 hebben gehaald aan het einde van het eerste jaar. Indien de student hieraan niet voldoet, volgt een negatief bindend studieadvies over de voortzetting van de opleiding. Behaalt de student, die in het eerste jaar ten minste 40 studiepunten van de propedeutische fase heeft behaald, het propedeutisch examen ook niet in het tweede jaar, dan krijgt de student alsnog een negatief bindend studieadvies (artikel 15 OER).

2.3. In het tweede studiejaar 2010-2011 heeft [eiseres] 58 punten van de 60 studiepunten van de propedeutische fase behaald. Alleen het vak Preklinisch Prepareren en Restaureren 1 (hierna: 'PPR1') had zij nog niet met succes afgerond. Op dat moment had [eiseres] het examen in het vak PPR1 vier maal met onvoldoende resultaat afgelegd.

2.4. Bij besluit van 4 maart 2011 heeft de examencommissie van de opleiding Mondzorgkunde van INHolland een verzoek van [eiseres] om een extra toetsmogelijkheid voor het vak PPR1 afgewezen. [eiseres] heeft beroep ingesteld bij het College van Beroep voor de Examens (hierna: 'CBE') tegen dit besluit.

2.5. Het CBE heeft bij besluit van 9 juni 2011 het door [eiseres] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [eiseres] beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (hierna: 'CBHO').

2.6. Bij besluit van 29 juli 2011 heeft INHolland [eiseres] een negatief bindend studieadvies verstrekt, omdat zij niet had voldaan aan de norm van 60 studiepunten. Als gevolg hiervan mag [eiseres] de opleiding Mondzorgkunde niet meer vervolgen en is haar opleiding op 31 augustus 2011 beëindigd. [eiseres] heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld bij het CBE.

2.7. Bij besluit van 14 december 2011 heeft het CBHO het onder 2.5 ingestelde beroep van [eiseres] ongegrond verklaard.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, - zakelijk weergegeven - INHolland op straffe van een dwangsom te veroordelen:

- primair [eiseres] schriftelijk te informeren dat van een afwijzend bindend studieadvies geen sprake is en dat dit als ingetrokken moet worden beschouwd en haar voorts toe te laten tot de opleiding Mondzorgkunde;

- subsidiair [eiseres] schriftelijk te informeren dat het afwijzend bindend studieadvies is vervangen door een uitgesteld bindend studieadvies en haar voorts toe te laten tot de opleiding Mondzorgkunde, onder de voorwaarde dat [eiseres] uiterlijk in het studiejaar 2012-2013 de toets voor het vak PPR1 heeft behaald;

- voorwaardelijk, voor het geval de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, schriftelijk uitleg te geven aan de wijze waarop INHolland toepassing geeft aan de inhoud van artikel 7.8b lid 5 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: 'WHW').

3.2. Daartoe voert [eiseres] het volgende aan. Het feit dat [eiseres] het vak PPR1 en dus haar propedeuse niet binnen de vereiste periode van twee jaar heeft weten te behalen is aan INHolland toe te rekenen. Daartoe voert zij aan dat zij vanwege de verhuizing naar een nieuw gebouw te weinig oefenmomenten heeft gehad, er te weinig toetstijd werd uitgetrokken, zij bij het derde examen medische problemen had en het door haar bij het laatste afgelegde examen behaalde resultaat in negatieve zin is beïnvloed omdat zij niet over een zelfgekozen unit kon beschikken en door een incident met een van de docenten. Deze bijzondere feiten en omstandigheden spelen niet alleen een rol bij de vraag of INHolland in redelijkheid tot afwijzing van het verzoek van [eiseres] om een extra toetskans heeft kunnen komen, maar spelen tevens een rol bij de vraag of INHolland in redelijkheid tot het afwijzend bindend studieadvies heeft kunnen komen. Er dient een belangenafweging plaats te vinden die in het voordeel van [eiseres] dient uit te vallen. Het belang van INHolland is de kwaliteit van haar opleiding Mondzorgkunde zo veel als mogelijk te waarborgen door vast te houden aan de hoofdregel dat men na het tweede studiejaar de propedeuse moet hebben behaald, terwijl zij in haar OER aangeeft dat uitzonderingen op deze hoofdregel mogelijk zijn als sprake is (geweest) van persoonlijke omstandigheden (artikel 15 OER). Daarbij komt dat het gewicht van het vak PPR1 neerkomt op 2 van de in totaal 60 studiepunten. Het belang van [eiseres] daarentegen is gelegen in het feit dat zij haar opleiding bij INHolland alsnog succesvol kan afronden, maar ook om te voorkomen dat de reeds door haar behaalde toetsen hun geldigheidsduur verliezen, hetgeen leidt tot studievertraging.

3.3. INHolland voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. INHolland heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de civiele voorzieningenrechter niet bevoegd is om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen. Daartoe voert INHolland aan dat sinds de wetswijziging van het WHW het CBHO een met alle waarborgen omklede bijzondere rechter is, die bij uitsluiting bevoegd is te oordelen over beslissingen die ten aanzien van studenten worden genomen. Nu [eiseres] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om tegen het negatief bindend studieadvies van 29 juli 2011 beroep in te stellen bij het CBE en vervolgens hoger beroep bij het CBHO, heeft dit besluit volgens INHolland op 9 september 2011 formele rechtskracht gekregen. Er heeft derhalve een met voldoende waarborgen omklede bijzondere rechtsgang bestaan, zodat voor de beoordeling door de burgerlijke rechter geen plaats meer is, aldus INHolland.

4.2. Weliswaar heeft [eiseres] betwist dat het CBHO een met waarborgen omklede bijzondere rechter is, maar uit de memorie van toelichting bij artikel 7.64 WHW volgt dat het CBHO als een onafhankelijke administratieve rechter fungeert die in beroep oordeelt over beslissingen van onder meer het CBE (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 821, nr. 3, blz. 65). In de toelichting is bij artikel 7.65 opgenomen dat omdat het CBHO als onafhankelijke administratieve rechter oordeelt, in het derde lid van dit artikel aan de leden en plaatsvervangende leden de eis wordt gesteld dat zij voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, zoals is opgenomen in artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijk ambtenaren (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 821, nr. 3, blz. 66).

4.3. Voorts blijkt uit de memorie van toelichting bij artikel 7.66 WHW dat het CBHO bevoegd is een uitspraak te doen over alle geschillen op grond van de WHW of daarop gebaseerde regelingen die de relatie student-instelling betreffen. Dit geldt zowel voor openbare als bijzondere instellingen. Op grond van artikel 112 van de Grondwet staat het een student vrij, als daaraan de voorkeur wordt gegeven, ervoor te kiezen de weg naar de burgerlijke rechter te bewandelen in plaats van het CBHO, aldus de toelichting (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 821, nr. 3, blz. 66).

4.4. Vaststaat dat [eiseres] ten aanzien van het besluit van INHolland om haar verzoek voor een vijfde toetsmogelijkheid af te wijzen de weg naar het CBHO heeft bewandeld. Voor zover de vorderingen van [eiseres] betrekking zouden hebben op voornoemd besluit van INHolland, is de civiele voorzieningenrechter niet bevoegd om van die vorderingen kennis te nemen. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat [eiseres] tegen het besluit van INHolland om haar een negatief bindend studieadvies te verstrekken geen beroep heeft ingesteld bij het CBHO. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, is het de kennelijke bedoeling van de wetgever geweest studenten, mede met het oog op het bepaalde in artikel 112 Grondwet, de volledig vrije keuze te laten ("als daaraan de voorkeur wordt gegeven") tussen hetzij het bewandelen van de weg die uiteindelijk leidt tot beroep bij het CBHO, hetzij het bewandelen van de weg die naar de civiele rechter leidt. Nu [eiseres] stelt dat INHolland onrechtmatig jegens haar handelt, en zij ten aanzien van het bindend studieadvies geen beroep heeft ingesteld bij het CBHO, moet worden geoordeeld dat zij haar vorderingen met betrekking tot dit besluit van INHolland wel aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.

4.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter bevoegd is om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen.

4.6. Vervolgens staat ter beoordeling of INHolland in redelijkheid tot het afwijzend bindend studieadvies heeft kunnen komen. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de voorzieningenrechter slechts een marginale toetsingsbevoegdheid toekomt.

4.7. [eiseres] heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in beroep te gaan bij het CBE en het CBHO tegen de beslissing van INHolland met betrekking tot de afwijzing van een vijfde toetskans. Alle feiten en omstandigheden die [eiseres] in deze procedure heeft aangevoerd, zijn zowel in de beslissingen van 9 juni 2011 van het CBE als van 14 december 2011 van het CBHO meegewogen en verworpen. Anders dan [eiseres] heeft gesteld, is sprake van een met de nodige waarborgen omklede beroepsprocedure, zodat de voorzieningenrechter gelet op deze stand van zaken geen aanleiding ziet om dit kort geding ten aanzien van het bindend studieadvies anders te oordelen.

4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat zowel de primaire als subsidiaire vordering van [eiseres] zal worden afgewezen. Dit brengt mee dat thans de voorwaardelijke vordering ter beoordeling staat.

4.9. Op grond van het bepaalde in artikel 16 OER kan een student verzoeken om herziening van het bindend studieadvies nadat minimaal twaalf maanden zijn verstreken gerekend vanaf het moment dat de inschrijving is geëindigd als gevolg van de afwijzing. Daarbij dient de student voor de directeur van INHolland aannemelijk te maken dat hij die opleiding met succes zal kunnen volgen en afronden.

4.10. Ter zitting heeft INHolland aangevoerd dat weliswaar naar de letter van voornoemd artikel [eiseres] een dergelijk verzoek eerst per 1 september 2012 kan indienen, maar een redelijke toepassing van de OER brengt mee dat dit verzoek ook eerder kan worden ingediend, zij het dat het pas op zijn vroegst per 1 september 2012 tot daadwerkelijke inschrijving zou kunnen leiden.

4.11. Vaststaat dat [eiseres] een verzoek op grond van artikel 16 OER nog niet heeft ingediend. Dit brengt mee dat deze vordering wegens gebrek aan belang zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat namens INHolland ter zitting een toelichting is gegeven op het bepaalde in artikel 16 OER, zodat voor [eiseres] voldoende duidelijk moet zijn wat haar mogelijkheden zijn.

4.12. [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van INHolland begroot op € 1.391,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2012.

mn